Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:7757

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-10-2016
Datum publicatie
24-11-2016
Zaaknummer
ROT-15_4494
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep primair gericht tegen niet-tijdig beslissen op bezwaarschrift en subsidiair gericht tegen niet beslissen op bezwaarschrift. Voor zover sprake is van niet-tijdig beslissen is het beroep onredelijk laat ingediend. Voor zover wel is beslist op bezwaar is, ondanks ontbreken rechtsmiddelenclausule, sprake van niet-verschoonbare termijnoverschrijding. In het geval van het niet-tijdig instellen van beroep in een zaak waarin wordt betoogd dat het bestuursorgaan niet of niet-tijdig heeft beslist, kan van verschoonbaarheid redelijkerwijs geen sprake meer zijn als niet binnen redelijke termijn beroep tegen het uitblijven van een besluit wordt ingesteld na de laatste schriftelijke mededeling van het bestuursorgaan dat geen besluit zal worden genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 15/4494

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 oktober 2016 in de zaak tussen

R.A. [T.], te Rotterdam, eiser,

gemachtigde: mr. M.J.M. Bergers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alblasserdam, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft bij brief van 20 juli 2015 beroep ingesteld tegen primair het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaar en subsidiair tegen een besluit op bezwaar door verweerder.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij uitspraak van 27 oktober 2014 heeft de rechtbank het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 29 april 2015 heeft de rechtbank het verzet gegrond verklaard. Daarmee is de uitspraak van 27 oktober 2014 vervallen en het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

De rechtbank heeft verweerder gevraagd of inmiddels een brief van eiser van 13 september 2013 is beantwoord.

Op deze vraag heeft verweerder niet maar eiser wel gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 september 2016. Namens eiser is zijn gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

Overwegingen

1. Op 1 oktober 2016 is de Wet van 13 juli 2016 tot wijziging van de Wet openbaarheid van bestuur in verband met aanvullingen ter voorkoming van misbruik (Stb. 2016, 301) in werking getreden. Op dwangsommen die (beweerdelijk) zijn verbeurd vóór de inwerkingtreding van deze wet, is het oude recht van toepassing.

2.1

Bij brief van 5 januari 2014 heeft eiser, onder verwijzing naar een verzoek tot openbaarmaking op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) van 13 september 2013 en een ingebrekestelling van 14 oktober 2013, verweerder verzocht over te gaan tot afgifte van een dwangsombeschikking. Bij brief van 4 februari 2014 heeft eiser verweerder een rappelbrief gestuurd.

2.2

Bij brief van 12 februari 2014 heeft verweerder eiser meegedeeld de faxberichten met het Wob-verzoek van 13 september 2013 en de ingebrekestelling van 14 oktober 2013 niet te hebben ontvangen. Er is daarom geen sprake van een verzuim te beslissen en evenmin een plicht tot het vaststellen van een dwangsombeschikking wegens niet-tijdig beslissen.

2.3

Bij brief van 18 februari 2014 heeft eiser gereageerd op verweerders standpunt in diens brief van 12 februari 2014 dat de faxberichten met het Wob-verzoek van 13 september 2013 en de ingebrekestelling van 14 oktober 2013 niet zijn ontvangen door deze - naar eiser stelt - nogmaals toe te sturen. Eiser heeft daarbij gewezen op de daarop afgedrukte faxverzendbevestigingen. Eiser heeft verweerder verzocht alsnog binnen 14 dagen een dwangsombesluit te nemen, bij gebreke waarvan hij zijn juridische dienstverlener opdracht zal geven per direct beroep in te stellen.

2.4

Verweerder heeft bij brief van 27 maart 2014 gereageerd op eisers brief van 18 februari 2014 en meegedeeld dat hij het standpunt handhaaft dat hij deze faxberichten niet eerder heeft ontvangen – hetgeen volgens verweerder wordt bevestigd door zijn faxontvangstadministratie - en dat hij geen dwangsom zal toekennen. Verder stelt verweerder in deze brief geen medewerking te zullen verlenen aan de door eiser geïnitieerde procedures die slechts zijn gericht op het verkrijgen van inkomsten door middel van dwangsommen en proceskostenvergoedingen. De gang naar de rechter, zoals door eiser aangekondigd, staat hem vrij, aldus verweerder. Verweerder heeft een moreel beroep gedaan op eiser om deze procedures te staken. Tot slot is meegedeeld dat op het alsnog ontvangen Wob-verzoek met datum 13 september 2013 zal worden beslist.

2.5

Bij emailbericht van 28 augustus 2014 heeft eiser verweerder verzocht zijn standpunt in de brief van 12 februari 2014 te herzien en binnen 7 werkdagen alsnog een dwangsom toe te kennen.

2.6

Bij emailbericht van 3 september 2014 heeft verweerder verwezen naar zijn brief van 27 maart 2014.

2.7

Bij brief van 25 februari 2015 met als aanhef “ingebrekestelling + bezwaarschrift” heeft eisers gemachtigde gereageerd op verweerders brieven van 12 februari 2014 en 27 maart 2014. De gemachtigde van eiser heeft zich daarin op het standpunt gesteld dat verweerder bij besluit van 12 februari 2014 heeft besloten geen dwangsom toe te kennen en dat eisers brief van 18 februari 2014 in reactie daarop als bezwaarschrift heeft te gelden waarop op 27 maart 2014 door verweerder is beslist. Als dat besluit pas is neergelegd in verweerders brief van 27 maart 2014, dan heeft eisers reactie van 28 augustus 2014 te gelden als bezwaar en verweerder reactie daarop bij e-mailbericht van 3 september 2014 als beslissing op bezwaar. De brief van de gemachtigde heeft dan te gelden als beroepschrift tegen een van deze beslissingen op bezwaar en dient door verweerder te worden doorgezonden. Als verweerder vindt dat noch de brief van 27 maart 2014 noch de brief van 3 september 2014 een beslissing op bezwaar betreft, dan geldt de brief van de gemachtigde als ingebrekestelling wegens het uitblijven van zo’n beslissing.

2.8

Bij brief van 2 maart 2015 heeft verweerder eisers gemachtigde de ontvangst van de brief van 25 februari 2015 bevestigd.

2.9

Bij brief van 27 mei 2015 heeft eisers gemachtigde verweerder aan de brief van 25 februari 2015 herinnerd.

2.10

Bij brief van 14 juli heeft verweerder eisers gemachtigde in reactie hierop meegedeeld dat met verweerders brieven van 12 februari 2014 en 27 maart 2014 geen sprake is van besluiten.

3. Vervolgens heeft eiser bij de rechtbank beroep ingesteld en daarbij het volgende aangevoerd. Het beroep is primair gericht tegen het uitblijven van een besluit op zijn bezwaar van 18 februari 2014. Verweerders brief van 27 maart 2014 is geen besluit op dat bezwaar, want het is niet als zodanig kenbaar en ook verweerder stelt dat dit niet zo is bedoeld. Voor zover die brief wel een besluit op eisers bezwaar bevat, is het beroep daartegen gericht. Het te laat indienen van dat beroep is verschoonbaar, want er is geen rechtsmiddelenclausule in de brief van 27 maart 2014 vermeld en eiser is geen jurist. Eiser heeft pas op 25 februari 2015 een deskundige gemachtigde ingeschakeld, die toen meteen een als beroepschrift aan te merken bezwaarschrift bij verweerder heeft ingediend.

4. In reactie hierop heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser misbruik maakt van recht.

5. Uit de uitspraak van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:40, volgt dat een reactie op een ingebrekestelling een besluit is in de zin van art. 1:3, eerste lid, van de Awb. De onder 2.2 vermelde brief van 12 februari 2014 is dus een besluit.

6. Het antwoord op de vraag of verweerders reactie van 27 maart 2014 op de tegen dat besluit gerichte en onder 2.3 vermelde brief van 18 februari 2014 moet worden aangemerkt als een besluit op dat bezwaar, kan om de volgende redenen in het midden blijven.

7. Op grond van artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken.

Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Op grond van artikel 6:12, vierde lid, van de Awb is een beroep tegen het niet-tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk als het beroepschrift onredelijk laat is ingediend

8. Voor zover verweerders reactie van 27 maart 2014 geen besluit op bezwaar is, is eisers beroep tegen het uitblijven van zo’n besluit onredelijk laat ingediend. Het beroep daartegen is immers pas op 20 juli 2015 ingediend, meer dan een jaar na verweerders brief van 27 maart 2014, met twee periodes van inactiviteit van vijf maanden.

9. Voor zover verweerders reactie van 27 maart 2014 is aan te merken als een besluit op eisers bezwaar van 18 februari 2014, heeft eiser daartegen te laat beroep ingesteld. Dit verzuim is niet verschoonbaar. Eiser heeft namelijk daarop pas vijf maanden later, met zijn emailbericht van 28 augustus 2014, gereageerd. De beroepstermijn van zes weken was toen al ruimschoots verstreken. Weliswaar ontbreekt in de brief van 27 maart 2014 een rechtsmiddelenclausule, maar uit eisers brief van 18 februari 2014 blijkt dat eiser reeds toen in contact stond met een juridisch hulpverlener. Daar komt bij dat, in het geval van het niet-tijdig instellen van beroep in een zaak waarin wordt betoogd dat het bestuursorgaan niet of niet-tijdig heeft beslist, van verschoonbaarheid redelijkerwijs geen sprake meer kan zijn als niet binnen redelijke termijn beroep tegen het uitblijven van een besluit wordt ingesteld na de laatste schriftelijke mededeling van het bestuursorgaan dat geen besluit zal worden genomen. Dit betekent dat, voor zover al eiser dwaalde over het besluitkarakter van deze reactie, die omstandigheid niet tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding kan leiden. Als eiser immers na ontvangst van verweerders brief van 27 maart 2014 ten onrechte meende dat daarmee nog geen besluit op zijn bezwaar was genomen, dan was het geëigende rechtsmiddel daartegen het instellen van beroep tegen het niet-tijdig nemen van een besluit. Blijkens de in de laatste zin van 2.3 weergegeven opmerking daarover uit zijn brief van 18 februari 2014 was eiser van die mogelijkheid ook op de hoogte. Eiser heeft op het vermeende niet-tijdig beslissen op zijn bezwaar pas op 28 augustus 2014 voor het eerst gereageerd. Omdat op dat moment de redelijke termijn voor het instellen van beroep tegen een mogelijk niet-tijdig beslissen ruimschoots was verstreken, volgt hieruit dat in dit geval de termijnoverschrijding voor het instellen van beroep tegen het mogelijke besluit op bezwaar van 27 maart 2014 niet verschoonbaar is.

10. Uit het voorgaande volgt dat het beroep niet-ontvankelijk is.

11. Hetgeen namens eiser overigens in beroep is aangevoerd, behoeft daarom geen bespreking meer.

12. Nu het beroep niet-ontvankelijk is, behoeft verweerders betoog dat eiser misbruik van recht maakt evenmin bespreking.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, rechter, in aanwezigheid van

mr. M. Lammerse, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.