Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:7705

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-10-2016
Datum publicatie
12-10-2016
Zaaknummer
16/481
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

toepassing artikel 3 Dagloonbesluit

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummer: ROT 16/481

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 oktober 2016 in de zaak tussen

[eiser] te Capelle aan den IJssel, eiser,

gemachtigde: mr. J.J.E. Stout,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,

gemachtigde: mr. S. Roodenburg.

Procesverloop

Bij besluit van 14 oktober 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten om eiser met ingang van 1 oktober 2014 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toe te kennen. Het dagloon is hierbij vastgesteld op € 101,48.

Bij besluit van 13 januari 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit bij faxbericht van 21 januari 2016 beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door T.M.R. Weissenbruch. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser was werkzaam bij [werkgever I] sinds 23 juni 1997. Op 17 juni 2014 heeft eiser een vaststellingsovereenkomst ondertekend. Eiser kwam met [werkgever I] overeen dat zijn arbeidsovereenkomst zou eindigen op 1 november 2014. Op 21 juli 2014 heeft eiser een dienstverband bij [werkgever II] aanvaard. Dit dienstverband was voor de duur van

12 maanden. Op 4 augustus 2014 is dit dienstverband beëindigd door [werkgever II] . Eiser heeft op 12 augustus 2014, per 5 augustus 2014, een WW-uitkering aangevraagd. Verweerder heeft eiser, bij besluit van 3 september 2014, met ingang van 5 augustus 2014 een WW-uitkering toegekend. Voorts heeft verweerder een benadelingshandeling aangenomen. De uitkering werd pas per 1 oktober 2014 betaalbaar gesteld. De proeftijd bij [werkgever II] van vier maanden was nietig en er is door [werkgever II] om die reden alsnog aan eiser uitbetaald tot 1 oktober 2014. Vervolgens heeft verweerder het primaire besluit van

14 oktober 2014 genomen en het besluit van 3 september 2014 ingetrokken.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser gericht tegen het besluit van 14 oktober 2014 ongegrond verklaard.

2. Eiser stelt zich in beroep op het standpunt dat zijn beroep tijdig is ingediend. Eiser heeft pas bij brief van 15 december 2015 een kopie van de beslissing op bezwaar ontvangen. Eiser heeft binnen een termijn van zes weken daarna beroep ingesteld. Derhalve is zijn beroep ontvankelijk, aldus eiser.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. Eiser heeft diverse malen contact opgenomen met verweerder. Van eiser had verwacht mogen worden dat hij gelet op het telefoongesprek van 8 januari 2015 spoedig opnieuw contact met verweerder zou opnemen. Ter zitting heeft verweerder gewezen op een uitspraak van 8 april 2014 van de Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CRVB:2014:1204). Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser er niet in is geslaagd om de geloofwaardige ontkenning van de ontvangst aannemelijk te maken.

3. De rechtbank overweegt ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep het volgende.

3.1.

Artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken bedraagt.

Artikel 6:8 van de Awb bepaalt dat de termijn aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Artikel 3:41, eerste lid van de Awb bepaalt dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Het bestreden besluit is, zo stelt verweerder, op 13 januari 2015 aan eiser per gewone post toegezonden naar het bij verweerder bekende adres van eiser, [adres eiser] te Capelle aan den IJssel. Bij brief van 15 december 2015 heeft verweerder eiser desgevraagd een kopie van de beslissing op bezwaar van 13 januari 2015 doen toekomen. Eiser stelt dat hij het besluit van 13 januari 2015 niet eerder heeft ontvangen dan bij de brief van 15 december 2015.

De hoogste bestuursrechters hanteren als uitgangspunt dat in geval van niet aangetekende verzending van een besluit het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerd worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangt van het besluit of ander relevant document op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank niet de verzending naar het juiste adres aannemelijk gemaakt. Verweerder heeft zijn stelling niet kunnen onderbouwen door bijvoorbeeld te wijzen op een verzendadministratie. De omstandigheid dat verweerder in een gesprek op 8 januari 2015 aan eiser meegedeeld zou hebben dat het bestreden besluit daarna spoedig genomen zou worden is niet vergelijkbaar met de daadwerkelijke bekendmaking hiervan. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat het bestreden besluit niet eerder dan na toesturen van de kopie ervan op 15 december 2015 alsnog aan eiser is verzonden.
Verweerder heeft nog gesteld dat eiser de ontvangst van het besluit niet geloofwaardig heeft ontkend. De rechtbank komt aan deze stelling niet toe omdat deze vraag pas van belang is als verweerder de verzending van het besluit aannemelijk heeft gemaakt.

De wettelijke beroepstermijn is niet eerder aangevangen dan na verzending van de brief van 15 december 2015 waarbij een kopie van het bestreden besluit alsnog aan eiser is gezonden. Eiser heeft vervolgens binnen zes weken beroep ingesteld. Het beroep van eiser is dan ook ontvankelijk.

4. De rechtbank overweegt ten aanzien van het beroep van eiser tegen het bestreden besluit als volgt.

4.1

Eiser heeft aangevoerd dat zijn dagloon te laag is vastgesteld. Eiser betrekt hierbij dat hij een lange periode bij [werkgever I] heeft gewerkt en hij maar een zeer korte periode bij [werkgever II] heeft gewerkt. Het is dan ook niet redelijk dat zijn dagloon alleen is gebaseerd op het dienstverband bij [werkgever II] .

4.2

Op grond van artikel 16, eerste lid, van de WW is werkloos de werknemer die

a. in een kalenderweek ten minste vijf arbeidsuren minder heeft dan zijn gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek of een aantal arbeidsuren heeft dat ten hoogste gelijk is aan de helft van zijn gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek en

b. beschikbaar is om arbeid te aanvaarden.

Op grond van artikel 44 van de WW wordt de uitkering bij werkloosheid berekend naar het dagloon.

Op grond van artikel 45, eerste lid, van de WW wordt voor de berekening van de uitkering bij werkloosheid als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin het arbeidsurenverlies, bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel a, is ingetreden, verdiende in de dienstbetrekking waaruit hij werkloos is geworden, doch ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv), met betrekking tot een loontijdvak van een dag.

Op grond van artikel 45, tweede lid, van de WW worden bij algemene maatregel van bestuur, onder meer wanneer de dienstbetrekking, bedoeld in het eerste lid, korter heeft geduurd dan het jaar, bedoeld in het eerste lid, ten aanzien van de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zo nodig afwijkende regels gesteld.

Hoofdstuk 2 van het Dagloonbesluit bevat bepalingen voor de vaststelling van het dagloon van uitkeringen op grond van de WW. Op grond van artikel 2, eerste lid, van dit besluit wordt onder refertejaar in dit hoofdstuk verstaan de periode van een jaar die eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte of het arbeidsurenverlies is ingetreden.

Op grond van artikel 3, eerste lid, van het Dagloonbesluit wordt onder loon verstaan, het loon genoten in het refertejaar uit de dienstbetrekking waaruit de werknemer ziek of werkloos is geworden.

Op grond van artikel 5, eerste lid, van het Dagloonbesluit – voor zover van belang – is het dagloon van uitkeringen op grond van de WW de uitkomst van de volgende berekening: [(A–B) x 108/100 + C] / D waarbij:

A staat voor het loon dat de werknemer in het refertejaar heeft genoten bij een werkgever die vakantiebijslag reserveert;

B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die de werknemer in het refertejaar heeft genoten;

C staat voor het loon dat de werknemer in het refertejaar heeft genoten bij een werkgever die geen vakantiebijslag reserveert; en

D staat voor 261 dan wel, indien de dienstbetrekking waaruit de werknemer ziek of werkloos is geworden is aangevangen na aanvang van het refertejaar, voor het aantal dagloondagen vanaf en met inbegrip van de dag waarop de dienstbetrekking is aangevangen tot en met de laatste dag van het refertejaar.

Indien de dienstbetrekking waaruit de werknemer ziek of werkloos is geworden, is aangevangen na afloop van het refertejaar, staat D, op grond van het vijfde lid, voor het aantal dagloondagen vanaf en met inbegrip van de dag waarop de dienstbetrekking is aangevangen tot de dag waarop de ziekte of het arbeidsurenverlies is ingetreden. A, B en C staan in dat geval, in zoverre in afwijking van artikel 3, voor het loon respectievelijk de vakantiebijslag genoten in deze dienstbetrekking na afloop van het refertejaar. Dit lid is van overeenkomstige toepassing in de situatie, bedoeld in artikel 3, tweede en derde lid.

4.3

De rechtbank stelt vast dat eiser uit het dienstverband van [werkgever I] werkloos is geworden. De rechtbank betrekt hierbij dat in de vaststellingsovereenkomst tussen eiser en [werkgever II] onder punt 6 is opgenomen dat indien de werknemer tegen een eerdere datum, aldus voor 1 november 2014, elders een functie zou aanvaarden, de werkgever bereid is in te stemmen met het feit dat de arbeidsovereenkomst alsnog eerder eindigt dan 1 november 2014. Vaststaat dat na indiensttreding van eiser bij [werkgever I] het dienstverband tussen [werkgever II] en eiser op 21 juli 2014 is geëindigd.

4.4

Uit artikel 3, eerste lid, van het Dagloonbesluit zoals dat gold ten tijde in geding volgt dat het dagloon uitsluitend wordt berekend op basis van het loon uit het dienstverband waaruit de werknemer werkloos is geworden. Verweerder heeft derhalve op juiste gronden het dagloon van eiser vastgesteld aan de hand van het loon uit de dienstbetrekking waaruit de werkloosheid van eiser is ontstaan, te weten [werkgever I] .

5. Gelet hierop dient het beroep van eiser ongegrond te worden verklaard.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.C. Prins, voorzitter, en mr. T. Boesman en mr A.M.E.A. Neuwahl, leden, in aanwezigheid van mr. H. van der Waal-de Vries, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.