Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:7701

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-10-2016
Datum publicatie
12-10-2016
Zaaknummer
15/5762
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Dagloongarantieregeling tot 1 juni 2013, vanaf 1 juni 2013 en vanaf 1 juli 2015. Vervallen van de 55+ -regeling. Beëindigen van de WW-uitkering vanwege het verstrijken van de duur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummer: ROT 15/5762

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 oktober 2016 in de zaak tussen

[eiser] te Papendrecht, eiser,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (vestiging Rotterdam), verweerder,

gemachtigde: M. Kruit.

Procesverloop

Bij besluit van 21 juli 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser met ingang van

1 juli 2015 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend tot

31 augustus 2018. Hierbij is het gemiddeld aantal gewerkte uren vastgesteld op 40 uren per week en het dagloon vastgesteld op € 153,30.

Bij besluit van 20 augustus 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote [echtgenote] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is op 1 oktober 2010, op 55-jarige leeftijd, werkloos geworden (werkgever I). Bij de toekenning bij besluit van 29 september 2010 van een uitkering op grond van de WW (tot en met in beginsel 31 oktober 2013) was sprake van het maximale dagloon.

Eiser is op 1 februari 2012 bij [werkgever II] (werkgever II) gaan werken voor een lager salaris. Bij besluit van 31 januari 2012 heeft verweerder de inkomsten per 1 februari 2012 gekort op eisers WW-uitkering, die als voorschot wordt uitbetaald. Bij brief van 5 februari 2013 heeft verweerder vastgesteld dat over de periode van 30 januari 2012 tot 30 januari 2013 de uitbetaling van de voorschotuitkering juist is geweest, zodat geen nabetaling hoeft plaats te vinden. Per 1 juli 2013 is eiser in dienst gekomen bij [werkgever III] (werkgever III). Bij besluit van 27 september 2013 is eisers WW-uitkering per 1 november 2013 geëindigd.

Het dienstverband bij Koltec is beëindigd per 1 juli 2015. In verband hiermee heeft eiser een WW-uitkering aangevraagd, die heeft geleid tot het primaire besluit.

2.1.

Het bestreden besluit strekt tot handhaving van het primaire besluit. Verweerder is van opvatting dat eisers eerdere recht op WW-uitkering, waarbij sprake was van een garantiedagloon, per 31 oktober 2013 is beëindigd, omdat hij op die datum de maximale uitkeringsduur had bereikt. Daarnaast is er geen nieuw recht ontstaan binnen 12 maanden, dan wel binnen 24 maanden, na de eerste werkloosheidsdag van het beëindigde recht. In het verweerschrift handhaaft verweerder het standpunt dat er geen toezegging aan eiser is gedaan dat de destijds bestaande dagloongarantieregeling per 1 juli 2015 nog voor hem zou gelden en dat er onvoldoende aanleiding is te stellen dat het vertrouwensbeginsel is geschonden. Er is geen sprake van een ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging die bij eiser gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Hierbij is verwezen naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) die gepubliceerd is in ECLI:CRVB:NL:2012:BX3805. Tevens is aangegeven dat het besluit tot wijziging van de dagloongarantieregeling per 1 juli 2015 al op 23 april 2015 (Stb 2015, 152) is gepubliceerd en daarom eerder dan 1 juli 2015 bekend had kunnen zijn.

2.2.

Ter zitting van 9 juni 2016 heeft verweerders gemachtigde aangegeven dat niet eerder is onderkend dat eiser voor 1 januari 2013 een WW-uitkering ontving, waardoor eveneens de overgangsartikelen per 1 januari 2013 voor eiser van toepassing zijn. Tevens is geen rekening gehouden met het feit dat er sprake is geweest van twee werkgevers. Eiser is op 1 februari 2012 gaan werken en is aansluitend van 1 juli 2013 tot 1 juli 2015 werkzaam geweest bij Koltec. Op grond van artikel 12 van de dagloonregels, zoals deze nu gelden, is er volgens verweerder tevens sprake van de voorwaarde dat de eerste WW-uitkering beëindigd moet zijn op grond van artikel 22, tweede lid, van de WW. Eiser voldoet hier niet aan, omdat zijn recht is beëindigd op grond van het bereiken van de maximale duur van de uitkering.

3. Eiser kan zich niet met het bestreden besluit verenigen, omdat hij van mening is dat hij recht heeft op het maximale dagloon. Eiser beroept zich op de regeling van 2010 ten aanzien van het garantiedagloon. Hij heeft werkzaamheden tegen een lager loon aanvaard, omdat hij in de wetenschap was dat hij bij ontslag terug zou kunnen vallen op het garantiedagloon, zijnde het maximale dagloon, tot zijn 65e jaar. In beroep heeft eiser aangevoerd dat hij een aanvulling kreeg met de mededeling “de andere regels die bij de WW-uitkering horen, blijven gewoon gelden”. Eiser is van mening dat dit een dagloongarantie is en dat deze voor hem zou gelden tot zijn 65e jaar. Eiser heeft inmiddels ruim drie jaar gewerkt. Omdat zijn werkgever nu verplicht is hem in vaste dienst te nemen, maar het niet goed gaat met dit bedrijf, is zijn contract per eind juni 2015 beëindigd.

Vanaf eind april verrichtte eiser geen werkzaamheden meer door zijn opgebouwde vrije uren. Eiser heeft begin mei 2015 twee maal telefonisch contact gezocht met verweerder in verband met de hoogte van zijn WW-uitkering. Op dat moment is gezegd dat de dagloongarantie voor hem van toepassing was. Toen hij op 18 mei 2015 telefonisch contact met verweerder op nam werd dit recht ontkend. Echter twee uur later is eiser teruggebeld waarbij gezegd is dat het is uitgezocht en dat eiser inderdaad gelijk had. Op de site van verweerder was niet vermeld dat het garantiedagloon per 1 juli 2015 kwam te vervallen. Wel stonden alle andere wijzigingen per juli 2015 op de site. Na 1 juli 2015 was de regeling dagloongarantie voor 55+-ers niet meer te vinden.

Eiser is van mening dat de regel van toepassing is op mensen die na 1 juli 2015 voor de eerste keer werkloos worden en 55+ zijn. Eiser voelt zich misleid door onjuiste voorlichting van verweerders medewerkers en het achterhouden van informatie op de site. Het bedrag dat hij hierdoor misloopt kan oplopen tot € 10.000,-. Indien verweerder de juiste informatie op de site had staan of verstrekt had, had hij zijn dienstverband eerder beëindigd. Eiser beroept zich op de gewekte verwachting door de toezeggingen die hem door verweerders medewerkers zijn gedaan, in die zin dat is toegezegd dat het garantiedagloon voor hem als 55+-er blijft gelden.

4. Dagloongarantieregelingen

4.1.

Het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen is vervallen per 1 juni 2013. Tot die datum gold, voor zover van belang, de volgende dagloongarantie:

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van het Besluit dagloonregels, voor zover van belang, wordt het WW-dagloon van de werknemer die binnen 24 maanden na de dag van beëindiging van een eerdere dienstbetrekking een andere dienstbetrekking is aangegaan, bij beëindiging van deze dienstbetrekking binnen 36 maanden na die eerdere beëindiging, niet lager vastgesteld dan op het WW-dagloon dat gold of zou hebben gegolden vanwege die eerdere dienstbetrekking.

Ingevolge artikel 17, derde lid, van het Besluit dagloonregels is het eerste lid van overeenkomstige toepassing op het vast te stellen WW-dagloon vanwege alle doch binnen de termijn van 36 maanden na de dag van beëindiging van de in het eerste lid bedoelde eerdere dienstbetrekking aangegane en beëindigde nieuwe dienstbetrekkingen.

Ingevolge artikel 17, vierde lid, van het Besluit dagloonregels, voor zover van belang, is de in het eerste lid genoemde termijn niet van 36 maanden niet van toepassing indien de werknemer op de dag van het beëindigen van de eerste dienstbetrekking de leeftijd van 55 jaar had bereikt.

4.2.

Op 1 juni 2013 is het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen in werking getreden. Tot 1 juli 2015 gold, voor zover van belang, de volgende dagloongarantie:

Ingevolge artikel 12, eerste lid, van het Dagloonbesluit wordt het WW-dagloon van de werknemer die binnen 24 maanden na de dag van beëindiging van een eerdere dienstbetrekking, waaruit hij een WW-uitkering heeft ontvangen, een andere dienstbetrekking is aangegaan, bij beëindiging van deze nieuwe dienstbetrekking binnen 36 maanden na die eerdere beëindiging, niet lager vastgesteld dan op het WW-dagloon dat gold vanwege die eerdere dienstbetrekking. Het dagloon wordt in aanmerking genomen naar de mate waarin de nieuwe dienstbetrekking in de plaats is gekomen van de eerdere dienstbetrekking.

Ingevolge artikel 12, derde lid, van het Dagloonbesluit is het eerste lid van overeenkomstige toepassing op het vast te stellen WW-dagloon vanwege alle doch binnen de termijn van 36 maanden na de dag van beëindiging van de in het eerste lid bedoelde eerdere dienstbetrekking aangegane en beëindigde nieuwe dienstbetrekkingen.

Ingevolge artikel 12, vierde lid, van het Dagloonbesluit is, indien de werknemer op de dag van het beëindigen van de eerste dienstbetrekking de leeftijd van 55 jaar had bereikt, de in het eerste en derde lid genoemde termijn van 36 maanden niet van toepassing.

In de Nota van toelichting (Stb. 2013, 185, pag. 17) is dit als volgt toegelicht:

De algemene dagloongarantie voor de WW is alleen van toepassing indien betrokkene werkloos wordt na het einde van een eerdere dienstbetrekking, vervolgens een werkloosheidsuitkering heeft genoten en dan opnieuw werkloos wordt. Overgang van de ene dienstbetrekking maar een minder goed betaalde dienstbetrekking zonder tussenliggende aanspraak op werkloosheidsuitkering geeft geen aanspraak meer op een dagloongarantie. UWV zal de garantie alleen toepassen indien de betrokkene uit de eerdere dienstbetrekking een werkloosheidsuitkering heeft ontvangen. UWV hoeft daardoor niet meer te bepalen of er recht zou kunnen hebben bestaan op werkloosheidsuitkering en tegen welk dagloon, indien de werknemer ter zake van het einde van een eerdere dienstbetrekking geen recht op werkloosheidsuitkering heeft gehad.

4.3.

Vanaf 1 juli 2015 geldt, voor zover van belang, de volgende dagloongarantie:

Ingevolge artikel 12, eerste lid, van het Dagloonbesluit wordt het WW-dagloon van de werknemer die aansluitend op de beëindiging van een eerdere dienstbetrekking van ten minste één jaar, één of meerdere dienstbetrekkingen is aangegaan, waardoor geen recht op een WW-uitkering is ontstaan, bij beëindiging van deze nieuwe dienstbetrekkingen binnen 54 weken na die eerdere beëindiging, niet lager vastgesteld dan op het WW-dagloon dat zou hebben gegolden vanwege beëindiging van die eerdere dienstbetrekking.

Deze aanpassing is als volgt toegelicht (Stb. 2015, 152, blz. 16):

“Tevens wordt een dagloongarantie ingevoerd ingeval een werknemer na beëindiging van een dienstbetrekking van ten minste één jaar aansluitend een andere, lager beloonde baan aanvaardt waardoor geen recht op een WW-uitkering ontstaat. Als de betreffende werknemer binnen 54 weken na beëindiging van de eerdere dienstbetrekking werkloos wordt, dan wordt het dagloon van de WW-uitkering gebaseerd op het loon dat de werknemer gemiddeld per dag verdiende in de voorlaatste dienstbetrekking. Deze dagloongarantie stimuleert dat werknemers een lager beloonde baan kunnen aanvaarden, omdat het hun aanspraken op grond van de WW niet vermindert.”

5. De rechtbank oordeelt als volgt.

5.1.

Bij het nemen van een besluit dient een bestuursorgaan het recht toe te passen dat op dat moment geldt, tenzij uit de toepasselijke wettelijke voorschriften, het beleid of de aard van de besluitvorming een ander moment zou moeten voortvloeien.

Verweerder heeft het dagloon vastgesteld met toepassing van het recht dat gold met ingang van 1 juli 2015. De onder 4.1. weergegeven dagloongarantieregeling waarop eiser een beroep doet, is met ingang van 1 juni 2013 vervallen en is daarna tweemaal gewijzigd. De rechtbank ziet geen aanleiding te oordelen dat verweerder die dagloongarantieregeling niettemin had dienen toe te passen. Zij overweegt daartoe het volgende.

5.2.

Het primaire betoog van eiser dat hij er zonder meer op mocht vertrouwen recht te behouden op de in 4.1 bedoelde maximumdagloongarantie uit zijn dienstbetrekking bij werkgever I omdat hij vanwege deze garantie lager betaald werk heeft aanvaard bij werkgever II, treft geen doel.

Het is aan de materiële wetgever voorbehouden om in geval van wijziging van een wettelijke regeling alle betrokken belangen af te wegen en de rechter moet het resultaat daarvan – in dit geval de wijzigingen in de dagloongarantieregeling als in 4.2 en 4.3 bedoeld – in beginsel respecteren. Omstandigheden op grond waarvan moet worden aangenomen dat deze regelingen jegens eiser geen voldoende deugdelijke grondslag vormen voor het bestreden besluit, zijn gesteld noch gebleken.

Overigens is er naar het oordeel van de rechtbank geen feitelijke basis voor eisers stelling dat hij thans nadeel ondervindt van het feit dat hij bij werkgever II voor een lager dagloon is gaan werken. Immers, indien eiser niet voor werkgever II en aansluitend voor werkgever III was gaan werken, was zijn WW-uitkering zonder meer per 1 november 2013 beëindigd.

5.3.

Met betrekking tot eisers stelling dat hij nog wel recht zou hebben op het maximumdagloon indien de arbeidsovereenkomst met werkgever III zou zijn beëindigd uiterlijk per eind april 2015, overweegt de rechtbank dat op dat moment de gewijzigde dagloonregeling als in 4.2 bedoeld van toepassing was. Eiser is per 1 juli 2013 uit dienst van werkgever II en in dienst van werkgever III getreden. Dit is een maand na de inwerkingtreding van de gewijzigde dagloongarantieregeling als in 4.2 bedoeld. Volgens deze regeling geldt de dagloongarantieregeling uitsluitend indien er na een eerdere dienstbetrekking een werkloosheidsuitkering is genoten. Aldus bezien geldt de dagloongarantieregeling als in 4.2 bedoeld niet voor eiser. Het (kennelijke) standpunt van eiser dat zijn dienstverband bij werkgever I het maatgevende dienstverband moet zijn, omdat hij de stap naar een lager betaalde baan heeft gezet vanuit zijn situatie van werkloosheid na dat dienstverband, vindt geen steun in de tekst van deze dagloongarantieregeling. Overigens zou ook indien dat anders zou zijn de garantieregeling als bedoeld in 4.2 niet voor eiser gelden, omdat in dat geval niet wordt voldaan aan de 24 maanden-eis. Tussen het einde van het dienstverband bij werkgever I en de indiensttreding bij werkgever III liggen immers 32 maanden.

Voorts merkt de rechtbank over de mogelijkheid van beëindiging van het dienstverband per 1 april 2015 nog op dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn werkgever, in weerwil van diens moeilijke financiële situatie, bereid zou zijn geweest daaraan mee te werken door in dat geval de door eiser gestelde opgebouwde vrije dagen uit te betalen.

5.4.

Gelet op hetgeen onder 5.3. is overwogen gaat de rechtbank verder niet in op hetgeen eiser heeft aangevoerd in verband met (de onjuiste voorlichting over) de inwerkingtreding van de garantiedagloonregeling als bedoeld in 4.3.

5.5.

Eisers (kennelijke) standpunt dat hij erop mocht vertrouwen dat hij in weerwil van het voorgaande recht heeft op het maximale dagloon op basis van zijn dienstbetrekking bij werkgever I vanwege de door hem gestelde toezeggingen van verweerder, treft geen doel. Volgens vaste rechtspraak kan een dergelijk beroep op het vertrouwensbeginsel uitsluitend slagen, indien er sprake is van een onvoorwaardelijke en ondubbelzinnige toezegging van een daartoe bevoegd persoon. Daarvan is niet gebleken.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, voorzitter, en mr. T. Boesman en mr. A.M.E.A. Neuwahl, leden, in aanwezigheid van mr. H. van der Waal – de Vries, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.