Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:7596

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-10-2016
Datum publicatie
06-10-2016
Zaaknummer
10/660086-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Diefstal elektriciteit ten behoeve van een hennepkwekerij. Vrijspraak van witwassen. Verbeurdverklaring van in beslag genomen bitcoins en computerapparatuur waarmee de bitcoins zijn gedolven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/660086-14

Datum uitspraak: 5 oktober 2016

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] ,

Raadsman mr. R.A.L.F. Frijns advocaat te Rotterdam.

Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 21 september 2016.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. J.M. Bonnes heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1, 2 3 en 4 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van voorarrest;

  • -

    verbeurdverklaring van 126,7986 bitcoins en de overige goederen op de beslaglijst.

Waardering van het bewijs

Vrijspraak feit 4 (witwassen)

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie wijst op contante stortingen van in totaal € 102.000 op bankrekeningen van de verdachte en op de onder de verdachte in beslag genomen waardevolle computerapparatuur waarmee bitcoins zijn gedolven (waarde € 64.000). Verder wijst de officier erop dat de verdachte bij de belastingdienst over de jaren 2009 tot en met 2014 niet of nauwelijks inkomsten heeft opgegeven, en zelf toegeeft betrokken te zijn bij hennepteelt. Deze omstandigheden doen vermoeden dat de contante stortingen illegale opbrengsten van hennepteelt zijn en dat de apparatuur daarmee is betaald.

Aan de verklaring van de verdachte dat de contante stortingen een legale herkomst hebben en de apparatuur met eerlijk geld is gefinancierd moet volgens de officier van justitie worden voorbijgegaan omdat deze verklaring niet concreet, niet verifieerbaar en geheel onwaarschijnlijk is. Er is dan ook sprake van witwassen.

Beoordeling

De verdachte was betrokken bij hennepteelt, had geen fiscaal inkomen en beschikte over omvangrijke geldbedragen en dure apparatuur. Op grond van deze feiten en omstandigheden rijst een weerlegbaar vermoeden dat de verdachte beschikte over het in de tenlastelegging genoemde bedrag en de aldaar genoemde computerapparatuur terwijl deze zaken (middellijk of onmiddellijk) afkomstig zijn uit misdrijf.

Aan de verdachte is de gelegenheid geboden om dit vermoeden te ontzenuwen. Hij heeft daartoe aangevoerd - en met documenten onderbouwd - dat hij van het openbaar ministerie een eerder in beslag genomen geldbedrag van ongeveer € 36.000 heeft teruggekregen en dat hij van een familielid in China een bedrag van € 100.000 heeft geleend. Verder is aangevoerd dat de contante stortingen op een bankrekening een contra-indicatie vormen voor witwassen, omdat op die manier het geld open en bloot - zichtbaar voor banken en belastingdienst - voorhanden wordt gehouden.

Toegegeven kan worden dat de verklaring van de verdachte vragen oproept. Vastgesteld kan echter worden dat de officier van justitie die vragen bij het voorbereidend onderzoek en/of ter terechtzitting niet aan de verdachte heeft gesteld en ook overigens geen nader onderzoek naar het waarheidsgehalte van de verklaring heeft gedaan. De rechtbank acht de verklaring van de verdachte, mede gezien de cultuurverschillen tussen de Nederlands-Chinese gemeenschap waartoe de verdachte behoort en de Hollandse, niet zo ongeloofwaardig dat zij zonder meer als ongeloofwaardig terzijde kan worden gesteld. Evenmin kan worden gezegd dat de verklaring niet concreet en niet verifieerbaar is. Dat verificatie wordt bemoeilijkt omdat daarvoor informatie uit China nodig is, verandert daaraan niets. De verdachte kan er zelf immers niets aan doen dat hij familieleden heeft die in China wonen. Naar het oordeel van de rechtbank lag het op de weg van de officier van justitie om nader onderzoek te doen naar de gestelde legale herkomst en nu dit niet is gedaan, is niet buiten twijfel dat het vermogen van de verdachte (middellijk of onmiddellijk) afkomstig was uit misdrijf. Het onder 4 ten laste gelegde witwassen is niet wettig en overtuigend bewezen en de verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij in de periode van 1 oktober 2013 tot en met 18 februari 2014 te Rotterdam opzettelijk heeft geteeld en bewerkt en verwerkt, in een pand aan de [adres] een hoeveelheid van ongeveer 151 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

2.

hij op 18 februari 2011 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 5912 gram zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

3.

in de periode van 1 oktober 2013 tot en met 18 februari 2014 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen elektriciteit, toebehorende aan [bedrijf]

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

Feit 1:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Feit 2:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Feit 3:

Diefstal.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het telen van hennep in een woning. In diezelfde woning heeft de verdachte ook een grote hoeveelheid hennep voorhanden gehad. Hennepteelt moet in het belang van de volksgezondheid en ter voorkoming van de bijkomende criminaliteit worden bestreden. Daar komt bij dat de hennepteelt in woningen overlast, verloedering en brandgevaarlijke situaties in woonwijken veroorzaakt. Ook in deze woning was sprake van een brandgevaarlijke situatie doordat daar stroom werd weggenomen (gestolen) buiten de verbruiksmeter om.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 5 januari 2016, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Gezien de ernst van de feiten zou hierop moeten worden gereageerd met een gevangenisstraf. De rechtbank zal echter geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen vanwege de ouderdom van de zaak en gelet op het feit dat de verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen en hij zijn leven op orde lijkt te hebben. In plaats daarvan wordt een taakstraf opgelegd en een voorwaardelijke gevangenisstraf. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

In beslag genomen voorwerpen

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen computers, USB sticks, en 126,7986 bitcoins, verbeurd te verklaren.

Beoordeling

Een verbeurdverklaring is een bijkomende straf. Vatbaar voor verbeurdverklaring zijn voorwerpen die aan de veroordeelde toebehoren en die geheel of grotendeels door middel van het strafbare feit zijn verkregen, of met behulp van welke het feit is begaan.

De verdachte heeft 126,7986 bitcoins gedolven (vervaardigd) op aan hem toebehorende computers. Het delven van bitcoins vraagt bijzonder veel rekencapaciteit van computers en kost dan ook bijzonder veel energie. De computers van de verdachte draaiden op elektriciteit die buiten de meter om werd weggenomen. Ter zake van deze diefstal is de verdachte veroordeeld. Een en ander leidt tot de slotsom dat de op de beslaglijst vermelde bitcoins en computerapparatuur voorwerpen zijn die aan de veroordeelde toebehoren en door middel van het strafbare feit zijn verkregen c.q. met behulp van welke het feit is begaan. De rechtbank zal de 126,7986 bitcoins en de computerapparatuur dan ook verbeurd verklaren.

Onder de verdachte zijn 712,77135588 bitcoins in beslag genomen. Deze bitcoins zijn tegen de toentertijd geldende koers omgezet in euro’s. Dat leverde € 191.352,02 op. De verbeurdverklaring ziet op (126,7986 / 712.77135588 * € 191.352,02 =) € 34.040,61.

Ten aanzien van de tegenwaarde van de overige onder de verdachte in beslag genomen bitcoins (€ 191.352,02 -/- € 34.040,61 = € 157.311,41) zal de rechtbank een last tot teruggave achterwege laten, omdat daarom op 1 april 2015 conservatoir beslag is gelegd.

Ten aanzien van de USB sticks zal de rechtbank teruggave gelasten aan degene bij wie de voorwerpen in beslag zijn genomen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Behalve op de reeds genoemde artikelen, is gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 57 en 310 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 11 van de Opiumwet.

Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 4 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (een) maand;

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarden overtreedt:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van120 (honderdtwintig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf zal bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:

  • -

    verklaart verbeurd (G4566490) 4. Computers; (G4566487) 1 computer (zwart) reeds gedemonteerd; de tegenwaarde van (G477324) 126,7986 bitcoins, groot € 34.040,61;

  • -

    gelast teruggave aan degene bij wie zij in beslag zijn genomen van (G4566486) 35 USB sticks.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J. Snitker, voorzitter,

en mrs. J. Holleman en M. Bakhuis, rechters,

in tegenwoordigheid van J.P. van der Wijden, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 01 oktober 2013 tot en met 18 februari 2014 te Rotterdam

opzettelijk

heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres] )

een hoeveelheid van ongeveer 151, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep,

zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

(art. 3 aanhef en onder B van de Opiumwet);

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 11 lid 2 Opiumwet

2.

hij op of omstreeks 18 februari 2011 te Rotterdam

opzettelijk aanwezig heeft gehad

ongeveer 5912 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(art. 3 aanhef en onder C van de Opiumwet);

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub I Wetboek van Strafrecht

art 11 lid 2 Opiumwet

3.

in of omstreeks de periode van 01 oktober 2013 tot en met 18 februari 2014 te Rotterdam

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

(art. 310 Wetboek van Strafrecht);

art 310 Wetboek van Strafrecht

4.

hij in op of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 18 februari 2014, te Rotterdam en/of te Almere, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans een maal (telkens)

een of meer voorwerpen, te weten computerapparatuur en/of bitcoinminers en/of een of meer geldbedragen (totaal EUR 102.740,- of daaromtrent) en/of vorderingen (bankrekeningen bij de [bedrijf] ),

heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een of meer voorwerpen, te weten computerapparatuur en/of bitcoin-miners en/of een of meer geldbedragen (totaal EUR 102.740,- of daaromtrent) en/of vorderingen (bankrekeningen bij de [bedrijf] ), gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerpen onmiddellijk of middellijk -

afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

(art, 420bis, 1id 1, aanhef en onder b van het Wetboek van Strafrecht);