Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:7541

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-10-2016
Datum publicatie
07-10-2016
Zaaknummer
KTN-5259930_04102016
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek ontbinding arbeidsovereenkomst primair o.g.v. artikel 7:669 lid 3 onderdeel a BW subsidiair o.g.v. artikel 7:669 lid 3 onderdeel g BW afgewezen. Bedrijfseconomische omstandigheden, verval arbeidsplaatsen, afspiegeling, herplaatsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-1116
AR 2016/2895

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 5259930 VZ VERZ 16-16579

uitspraak: 4 oktober 2016

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

De Haas Automotive Services B.V.,

gevestigd te Dordrecht,

verzoekster,

gemachtigde: mr. H.E. Meerman, advocaat te Dordrecht,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

verweerster,

gemachtigde: mr. M. Griep, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand ZLM te Goes.

Partijen worden hierna aangeduid als “De Haas” en “ [verweerster] ”.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Van de volgende processtukken is kennisgenomen:

  • -

    het verzoekschrift, met bijlagen, ontvangen op 25 juli 2016;

  • -

    het verweerschrift;

  • -

    de bij gelegenheid van de mondelinge behandeling door De Haas overgelegde pleitaantekeningen, met producties.

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2016. De Haas heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.E. Meerman, bijgestaan door [de heer J.] en

[de heer K.] , directeur/eigenaar respectievelijk financieel directeur bij De Haas. [verweerster] is verschenen, bijgestaan door mr. M. Griep.

1.3

De datum van de uitspraak van de beschikking is nader bepaald op heden.

2 De feiten

In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende feiten:

2.1

[verweerster] is geboren op [geboortedatum] . Op grond van een tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst werkt zij sinds 22 augustus 2001 bij (de rechtsvoorganger van) De Haas, nu tegen een salaris van € 2.070,21 bruto per maand, bij een werkweek van 30,4 uur (80%). [verweerster] verricht bij De Haas de functie van allround financieel administratief medewerker.

2.2

De Haas heeft een zogenoemd competentieprofiel behorend bij die functie opgemaakt, waarmee [verweerster] op 16 december 2015 akkoord is gegaan.

2.3

[G.] , geboren op [geboortedatum] , is ook bij

De Haas werkzaam als allround financieel administratief medewerker. Hij werkt er sinds

1 maart 1984 en heeft een werkweek van 34,20 uur (90%), tegen een salaris van

€ 2.645,71 bruto per maand.

2.4

Naast de functie van allround financieel administratief medewerker kent De Haas ook de functie van financieel administratief medewerker, waarvoor een op onderdelen afwijkend competentieprofiel is opgemaakt.

2.5

In de functie van financieel administratief medewerker zijn bij De Haas werkzaam

[H.] , geboren op [geboortedatum] , en [E.] , geboren op [geboortedatum]. [H.] is sinds 17 februari 1998 bij De Haas in dienst en heeft een werkweek van 31,15 uur (81,97%), tegen een salaris van

€ 1.798,18 bruto per maand. [E.] is als arbeidsgehandicapte sinds 1 mei 2008 bij De Haas in dienst en heeft een werkweek van 38 uur (100%), tegen een salaris van € 2.191,31 bruto per maand.

2.6

Op 29 maart 2016 heeft De Haas aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv) toestemming gevraagd de arbeidsovereenkomst met [verweerster] op te zeggen in verband met het vervallen van één arbeidsplaats allround financieel administratief medewerker.

2.7

Het Uwv heeft De Haas in de gelegenheid gesteld de aanvraag aan te vullen en vragen te beantwoorden. Daarvan heeft De Haas gebruik gemaakt. Daarna heeft het Uwv de aanvraag in behandeling genomen. [verweerster] heeft in die procedure verweer gevoerd. Vervolgens is over en weer nog gereageerd op elkaars standpunten.

2.8

Bij besluit van 14 juni 2016 heeft het Uwv aan De Haas toestemming geweigerd de arbeidsovereenkomst met [verweerster] op te zeggen. De weigering is als volgt gemotiveerd:

“Uw aanvraag is gebaseerd op bedrijfseconomische redenen.

De Ontslagregeling bepaalt dat werknemers volgens het afspiegelingsbeginsel voor ontslag in aanmerking moeten worden gebracht. U heeft betoogd dat u het afspiegelingsbeginsel op een juiste wijze heeft toegepast. Wij zijn echter van mening dat u onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de functies van financieel administratief medewerker en allround financieel administratief medewerker niet onderling uitwisselbaar zijn. Wij stellen vast dat uit de door u overgelegde (en zeer recentelijk opgestelde en dus zeer actuele functiebeschrijvingen) slechts een

zeer beperkt onderscheid tussen de twee voornoemde functies blijkt en dat het niet evident is dat er ook echt sprake is van een verschil in functie inhoud, de voor de functie vereiste kennis, vaardigheden en competenties. Het door u aangehaalde onderscheid tussen elementaire kennis aanwezig bij de allround financieel administratief medewerker en kennis bij de financieel medewerker geeft naar onze mening geen verschil in niveau tussen de functies weer. Voorts heeft

u het door u aangehaalde verschil in beloning tussen de functies uitsluitend gesteld en niet op enigerlei wijze aannemelijk gemaakt. Wij zijn derhalve van mening dat u het afspiegelingsbeginsel niet juist heeft toegepast.

Voorts stellen wij vast dat u uitsluitend heeft gesteld dat de heer [E.] een werknemer met een arbeidsbeperking is en dat u deze stelling niet aannemelijk heeft gemaakt door (bijvoorbeeld) overlegging van te zake relevante documenten. Hetgeen wel op uw weg had gelegen.

Nu de onjuiste toepassing van het afspiegelingsbeginsel reeds aan toekenning van de ontslagvergunning in de weg staat behoeft de bedrijfseconomische reden en de herplaatsing geen nadere bespreking.”

2.9

Op 17 juni 2016 heeft tussen De Haas en [verweerster] een gesprek plaatsgevonden waarbij is medegedeeld dat [verweerster] niet kan terugkeren in de functie van allround financieel administratief medewerker, omdat De Haas de doorgevoerde organisatiewijziging niet wil terugdraaien. [verweerster] is voorgesteld de functie van medewerker centrale verkoop-administratie (hierna: medewerker CVA) te gaan verrichten bij De Haas. Tevens is voorgesteld de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden te beëindigen.

2.10

Bij e-mailbericht van 7 juli 2016 heeft de gemachtigde van [verweerster] onder verwijzing naar het gesprek op 17 juni 2016 aan De Haas - samengevat - medegedeeld dat

[verweerster] bij e-mail van 30 juni 2016 de taakomschrijving van de medewerker CVA, met een voorstel tot bereidheid om 6,5 ADV-dagen in te ruilen voor salaris, heeft ontvangen, maar dat de andere optie met betrekking tot de beëindiging van het dienstverband via een vaststellingsovereenkomst nog niet uitgewerkt is ontvangen. Verzocht is dat alsnog spoedig te doen, zodat [verweerster] het voorstel kan overwegen. Daarbij is namens [verweerster] het recht voorbehouden om haar eigen functie op te eisen.

2.11

Bij e-mailbericht van 8 juli 2016 heeft De Haas hierop - verkort weergegeven - als volgt bericht:

“(…)Nu het Uwv van mening is dat wij niet [verweerster] hadden moeten voordragen voor ontslag is er een nieuwe situatie ontstaan temeer daar er recentelijk een passende vacature is ontstaan op de Centrale Verkoop Administratie (CVA). Het betreft hier werkzaamheden die voor het merk Nissan al onderdeel zijn geweest van het takenpakket van [verweerster] en die nu uitgebreid worden voor de andere merken die wij voeren. De afdeling CVA is gehuisvest in hetzelfde gebouw op dezelfde etage als waar mevrouw [verweerster] tot nu toe werkzaam is. Wij hebben haar deze functie aangeboden met behoud van haar huidige salaris en emolumenten, waarbij wij haar hebben verzocht om de helft van haar ADV dagen in te ruilen voor extra salaris in het kader van harmonisering van de arbeidsvoorwaarden binnen ons bedrijf. Gezien de bewezen kwaliteiten van [verweerster] kan zij deze functie prima aan en zou dit een uitstekende oplossing zijn voor de ontstane situatie. Wij zijn dan ook niet genegen om een vaststellingsvoorstel te maken. Wij verwachten [verweerster] derhalve aanstaande maandag 11 juli om 07:30 uur in Dordrecht.”

2.12

Bij e-mailbericht van 11 juli 2016 heeft de gemachtigde van [verweerster] - verkort weergegeven - aan De Haas medegedeeld:

“(…)Hedenmorgen is cliënte verschenen ten kantore van De Haas Automotive Services B.V. om haar eigen functie uit te oefenen. Hiertoe wordt zij niet in de gelegenheid gesteld. (…) Uw standpunt dat de directie de huidige samenstelling van de financiële administratie niet meer wenst te wijzigen zal bij de rechter geen stand kunnen houden. Wanneer door u het afspiegelingsbeginsel correct was nageleefd, had cliënte immers in haar eigen functie gedurende de gehele periode haar werkzaamheden hebben kunnen verrichten en was deze discussie niet aan de orde geweest. Kortom, indien cliënte de functie van Medewerker Verkoopadministratie CVA niet wenst uit te voeren, kunt u haar hiertoe niet verplichten. Van werkweigering kan dan ook geen sprake zijn. Mocht u cliënte niet toelaten haar eigen werkzaamheden behorend bij de functie Allround Financieel Administratief medewerker uit te laten voeren, stelt zij zich hiertoe nogmaals uitdrukkelijk bereid en beschikbaar. Zij zal dan huiswaarts keren en aanspraak maken op volledige doorbetaling van haar salaris. Voorts zal ik in een gerechtelijke procedure wedertewerkstelling vorderen.”

2.13

De Haas heeft een vacature opengesteld voor de functie van medewerker CVA, met als reactietermijn 22 augustus 2016.

3 Het verzoek en de grondslag daarvan

3.1

Het verzoek strekt - zakelijke weergegeven en voor zover van belang - tot ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst. Primair op grond van artikel 7:669 lid 3, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), nu het Uwv bij het onder 2.8 vermelde besluit heeft geweigerd toestemming te verlenen op die grond de arbeidsovereen-komst op te zeggen, onder toekenning van € 26.085,00 aan transitievergoeding aan [verweerster] . Subsidiair op grond van artikel 7:669 lid 3, onderdeel g, BW omdat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding.

3.2

De Haas stelt dat het Uwv ten onrechte de gevraagde toestemming heeft geweigerd. Immers als gevolg van sluiting van vestigingen en automatisering is de hoeveelheid werk voor de financiële administratie afgenomen, hetgeen reden is geweest om één arbeidsplaats in de functie van allround financieel administratief medewerker te laten vervallen onder toepassing van het afspiegelingsbeginsel. Daarbij dienen de functies van allround financieel administratief medewerker en financieel administratief medewerker niet als onderling uitwisselbare functies te worden aangemerkt. Dat brengt met zich dat de functie van [verweerster] op grond van het anciënniteitsbeginsel komt te vervallen, want van de twee allround financieel administratief medewerkers is zij het laatst in dienst gekomen.

3.3

Ook als de functies van allround financieel administratief medewerker en financieel administratief medewerker wel als onderling uitwisselbare functies worden aangemerkt, komt de functie van [verweerster] naar de mening van De Haas te vervallen. Weliswaar geldt dan dat haar collega [E.] korter in dienst is, maar omdat [E.] arbeidsgehandicapt is, wordt zijn functie bij de afspiegeling buiten beschouwing gelaten. Daardoor komt de functie van [verweerster] ook in dit geval als eerste in aanmerking om te vervallen.

3.4

Voorts stelt De Haas dat [verweerster] ten onrechte de functie van medewerker CVA niet heeft geaccepteerd, althans dat zij zich niet heeft uitgelaten over de vraag of zij bereid is deze functie te accepteren, met een beroep op de ten onrechte geweigerde toestemming door het Uwv. Met de invulling van de vacature voor deze functie kan De Haas echter niet wachten totdat er een onherroepelijke beslissing in deze procedure is gegeven, zodat zij de functie heeft opengesteld. Er zijn geschikte kandidaten gevonden, waarvan er één in dienst zal worden genomen.

3.5

Door de weigering om de functie van medewerker CVA te accepteren, althans het zich niet uitlaten hierover, is de arbeidsverhouding zodanig verstoord dat van De Haas niet kan worden gevergd het dienstverband te laten voortduren.

4 Het verweer

4.1

Het verweer strekt tot afwijzing van het verzoek, met veroordeling van De Haas in de proceskosten.

5 De beoordeling

ten aanzien van de primaire grondslag voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst

wettelijk kader

5.1

Op grond van artikel 7:669 lid 1 BW kan de werkgever de arbeidsovereenkomst opzeggen indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt.

5.2

Ingevolge artikel 7:669 lid 3, aanhef en onder a, BW wordt onder een redelijke grond als bedoeld in lid 1 verstaan het vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van de beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming of het, over een toekomstige periode van ten minste 26 weken bezien, noodzakelijkerwijs vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van het wegens bedrijfseconomische omstandigheden treffen van maatregelen voor een doelmatige bedrijfsvoering.

5.3

De werkgever die voornemens is de arbeidsovereenkomst op te zeggen op grond van artikel 7:669 lid 3, onderdeel a, verzoekt hiervoor schriftelijk toestemming aan het Uwv, zo volgt uit artikel 7:671a lid 1 BW. De beoordeling van het verzoek om toestemming geschiedt aan de hand van de Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015, 2015-0000102290, tot vaststelling van regels met betrekking tot ontslag en de transitievergoeding (hierna: de Ontslagregeling).

5.4

Ingevolge artikel 7:671b lid 1, aanhef en onder b, BW kan de kantonrechter op verzoek van de werkgever de arbeidsovereenkomst ontbinden op grond van artikel 7:669 lid 3 onderdeel a, indien de toestemming bedoeld in artikel 7:671a is geweigerd. De beoordeling die de kantonrechter verricht ter vaststelling of zich een situatie als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 onderdeel a, BW voordoet, geschiedt eveneens aan de hand van de Ontslagregeling, met inachtneming van het onderstaande. In grote lijn komt dat neer op beoordeling van de bedrijfseconomische omstandigheden die leiden tot het vervallen van arbeidsplaatsen, beoordeling van de volgorde van ontslag bij het vervallen van arbeidsplaatsen en beoordeling van de mogelijkheid tot herplaatsing binnen een redelijke termijn.

ten aanzien van de bedrijfseconomische omstandigheden en het verval van arbeidsplaatsen

5.5

Het Uwv heeft in deze zaak blijkens het onder 2.8 vermelde besluit een beoordeling van de bedrijfseconomische omstandigheden achterwege gelaten, klaarblijkelijk tot onvrede van De Haas.

5.6

Vooropgesteld wordt dat een werkgever de vrijheid heeft met betrekking tot de bedrijfsvoering en de inrichting van zijn onderneming, ook als dat leidt tot reorganisatie met verlies van arbeidsplaatsen. Die (keuze)vrijheid maakt het onder meer mogelijk het voortbestaan van de onderneming te verzekeren. Dat is niet alleen in het belang van de werkgever maar kan ook in het belang zijn van de werkgelegenheid. Bij deze beoordeling past daarom terughoudendheid, waarbij de rechter de afwegingen van de werkgever niet overdoet. In een zaak als de onderhavige betekent dit dat slechts dan geen sprake is van een redelijke grond voor opzegging van de arbeidsovereenkomst, indien de vanwege bedrijfseconomische omstandigheden te treffen of getroffen maatregelen vanuit het oogpunt van goed ondernemerschap en rekening houdend met het belang van de werknemer bij behoud van werk in redelijkheid niet getroffen kunnen of konden worden. Dat andere maatregelen (wellicht beter) genomen kunnen worden, is daarbij niet relevant. Het gaat erom of de te nemen maatregel apert onredelijk is. Met name kan dat aan de orde zijn als gesteld wordt dat de arbeidsplaats vervalt, terwijl dezelfde werkzaamheden door een flexwerker worden verricht en nog gedurende enige tijd verricht zullen worden, maar die situatie doet zich hier niet voor.

5.7

In dit geval is er volgens De Haas na het sluiten van drie van de vijftien vestigingen en door efficiencymaatregelen een afname in de werkbelasting bij de financiële administratie ontstaan, met een overbezetting aan personeel. Mede gelet op de te verrichten werkzaamheden bij de financiële administratie heeft dit De Haas doen besluiten om met één allround financieel administratief medewerker minder verder te gaan. Het verweer hiertegen komt er in de kern op neer dat één van de vestigingen al in 2014 is gesloten, dat digitalisering en automatisering reeds jarenlang worden doorgevoerd en dat het vorenstaande niet heeft geleid tot minder werk voor [verweerster] . Dat maakt de keuze van De Haas om de financiële administratie met één kracht te laten krimpen echter nog niet onredelijk, temeer daar De Haas heeft ervaren dat de werkzaamheden ook bij een bezetting van drie medewerkers kunnen worden verricht. Daarom wordt de bedrijfseconomische noodzaak aanwezig geacht voor het met het oog op een doelmatige bedrijfsvoering laten vervallen van één arbeidsplaats bij de financiële administratie.

ten aanzien van de volgorde van ontslag bij het vervallen van arbeidsplaatsen

5.8

Het Uwv heeft geconcludeerd dat de gevraagde toestemming om de arbeidsovereenkomst met [verweerster] te mogen opzeggen gebaseerd is op een onjuiste toepassing van het afspiegelingsbeginsel. Daartoe heeft zij redengevend geacht dat

onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de functies van financieel administratief medewerker en allround financieel administratief medewerker niet onderling uitwisselbaar zijn alsmede dat niet aannemelijk is gemaakt het gestelde verschil in beloning tussen die functies.

5.9

Van onderlinge uitwisselbaarheid van functies is sprake indien de werkzaamheden die in de ene functie worden verricht, ook in de andere functie worden verricht en vice versa.

5.10

In deze procedure heeft De Haas de verschillen tussen de beide functies nader toegelicht. Daarnaast zijn salarisspecificaties in het geding gebracht en heeft De Haas de verschillen tussen de salarissen van de allround financieel administratief medewerkers en de salarissen van de financieel administratief medewerkers inzichtelijk gemaakt.

5.11

Onderkend wordt dat De Haas tot medio december 2015 alleen de functie van financieel administratief medewerker kende. Vanaf toen is De Haas binnen de financiële administratie onderscheid gaan maken tussen de functies van allround financieel administratief medewerker en financieel administratief medewerker. Hoogstwaarschijnlijk is de voorgenomen reorganisatie daartoe de aanleiding geweest, maar dat staat er niet aan in de weg dat De Haas dit onderscheid kan maken, mits de feitelijke werkzaamheden van de medewerkers binnen de financiële administratie het onderscheid kunnen rechtvaardigen.

5.12

Niet is in geschil dat de medewerkers op de financiële administratie voor een groot deel dezelfde werkzaamheden verrichten. Er zijn echter ook verschillen. De Haas heeft gemotiveerd gesteld dat bij [verweerster] en [G.] taken met grotere belangen zijn neergelegd, zoals het uitzoeken en administreren van autovoorraden, waarvoor een hoger werk- en denkniveau nodig is. Dat dit taken betreft die door [H.] en [E.] niet worden verricht, heeft [verweerster] niet weersproken. In het competentieprofiel behorend bij de functie van allround financieel administratief medewerker, waarvoor [verweerster] heeft getekend, is bij kerntaak 3 vermeld:

“3.2 Zorgt ervoor dat extracomptabele gegevens aansluiten met de grootboekrekening saldi.

3.3

Zorgt ervoor dat saldi van grootboekrekeningen maandelijks worden gespecificeerd.

In het competentieprofiel behorend bij de functie van financieel administratief medewerker komen deze omschrijvingen niet voor. Uit hetgeen onder 5 van de onderscheiden compe-tentieprofielen is vermeld kan verder worden opgemaakt dat de vakkennis en -vaardigheden bij de functie van allround financieel administratief medewerker op een hoger niveau liggen dan bij de functie financieel administratief medewerker. Dat het hierbij niet gaat om een theoretisch onderscheid vindt steun in de omstandigheid dat [verweerster] en [G.] een aanzienlijk hoger salaris verdienen dan [H.] en [E.] . Herleid tot fulltime dienstverbanden gaat het om maandsalarissen van € 2.587,76 en € 2.939,68 bruto voor de twee eerstgenoemden tegenover € 2.193,71 bruto voor ieder van de twee laatstgenoemden. [verweerster] verdient dus 18% meer dan [H.] en [E.] . Een verklaring daarvoor kan niet worden gevonden in de duur van de dienstverbanden, want [H.] is langer bij De Haas in dienst dan [verweerster] . Kortom, op grond van het vorenstaande staat naar het oordeel van de kantonrechter voldoende vast dat [verweerster] in haar functie van allround financieel administratief medewerker werkzaamheden verricht die [H.] en [E.] in hun functie van financieel administratief medewerker niet verrichten. Dat maakt dat die functies bij de toepassing van het afspiegelingsbeginsel niet als uitwisselbare functies worden aangemerkt.

De financieel administratief medewerkers blijven als niet uitwisselbaar met de allround financieel administratief medewerkers bij de afspiegeling buiten beschouwing. Om die reden behoeft de positie van [E.] als arbeidsgehandicapte geen verdere bespreking.

5.13

Het voorgaande leidt ertoe dat bij de afspiegeling alleen de allround financieel administratief medewerkers worden betrokken. Binnen die functie vallen [verweerster] en [G.] beiden in de leeftijdsgroep van 55 jaar en ouder, maar omdat laatstgenoemde een langer dienstverband heeft, komt [verweerster] onder toepassing van het anciënniteitsbeginsel het eerst voor ontslag in aanmerking.

ten aanzien van de mogelijkheid tot herplaatsing binnen een redelijke termijn

5.14

Op de voet van artikel 7:669 lid 1 BW dient de werkgever in het geval dat de arbeidsplaats van de werknemer komt te vervallen tevens te bezien of herplaatsing mogelijk is. Pas als dat niet zo is of herplaatsing niet in de rede ligt, is er reden de arbeidsovereenkomst te beëindigen.

5.15

Uit de mondelinge behandeling en de daarbij gegeven toelichtingen komt het beeld naar voren dat zich niet zozeer de situatie voordoet dat herplaatsing niet mogelijk is, maar dat De Haas de mening is toegedaan dat herplaatsing niet in de rede ligt, omdat [verweerster] de aan haar aangeboden functie van medewerker CVA heeft geweigerd, althans omdat zij zich onterecht niet heeft uitgelaten over de vraag of zij bereid was deze functie te accepteren als de ten onrechte geweigerde toestemming door het Uwv zou worden rechtgezet.

5.16

Na de geweigerde toestemming door het Uwv op 14 juni 2016 hebben partijen met elkaar overleg gevoerd over de ontstane situatie, waarbij naast het aanbod om in de functie van medewerker CVA aan het werk te gaan ook de mogelijkheid tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst door middel van een vaststellingsovereenkomst aan de orde is gekomen. [verweerster] heeft te kennen gegeven die voorstellen in overweging te willen nemen. Blijkens de onder 2.11 vermelde e-mail van 8 juli 2016 heeft De Haas toen duidelijk gemaakt dat zij niet (langer) de arbeidsovereenkomst wilde beëindigen via een vaststellingsovereenkomst, maar dat er een passende functie was voor [verweerster] : de functie van medewerker CVA.

5.17

Dat [verweerster] die functie heeft geweigerd, is door haar betwist en staat dus niet vast. Bovendien, als dit al zou komen vast te staan, dan kan de weigering van [verweerster] niet los worden gezien van het onder 2.8 vermelde beluit van het Uwv, waarbij De Haas toestemming is onthouden de arbeidsovereenkomst op te zeggen. [verweerster] heeft kunnen en mogen uitgaan van de juistheid van dat besluit van het Uwv en op basis daarvan heeft [verweerster] op goede gronden het standpunt kunnen innemen dat zij het recht had om te worden tewerkgesteld in de functie van allround financieel administratief medewerker. [verweerster] hoefde de aangeboden functie van medewerker CVA om die reden niet te accepteren.
Haar arbeidsovereenkomst is immers niet beëindigd. De wens haar eigen werkzaamheden te verrichten, kan onder de gegeven omstandigheden dan ook bezwaarlijk als een ondubbelzinnige weigering van de aangeboden functie van medewerker CVA worden beschouwd, die thans tot gevolg zou moeten hebben dat herplaatsing niet in de rede ligt.

5.18

Daarbij wordt tevens overwogen dat De Haas kort voor of na het indienen van het verzoekschrift een vacature heeft opengesteld voor de functie van medewerker CVA met als reactietermijn 22 augustus 2016. Niet is in geschil dat dit een passende functie is voor [verweerster] . Bij de mondelinge behandeling van de zaak heeft De Haas gesteld dat in de betreffende functie inmiddels is voorzien. Dat is gemotiveerd betwist door [verweerster] onder verwijzing naar de reactietermijn die ten tijde van de zitting nog maar net was verstreken. Zelfs als het zo zou zijn dat er al een geschikte kandidaat is gevonden voor de functie van medewerker CVA, ontslaat dat De Haas niet van de op haar rustende verplichting om te bezien of herplaatsing van [verweerster] in deze of een andere passende functie toch mogelijk is, want tot dusver is daaraan niet genoegzaam voldaan.

5.19

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het verzoek tot ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:669 lid 1 in samenhang met lid 3, onderdeel a, BW moet worden afgewezen.

ten aanzien van de subsidiaire grondslag voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst

wettelijk kader

5.20

Op de voet van artikel 7:671b lid 1, aanhef en onder a, BW kan de kantonrechter op verzoek van de werkgever de arbeidsovereenkomst ontbinden op grond van artikel 7:669 lid 3 onderdeel g, BW.

5.21

Ingevolge artikel 7:669 lid 3, aanhef en onder g, BW wordt onder een redelijke grond als bedoeld in lid 1 verstaan een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

ten aanzien van de verstoorde arbeidsrelatie

5.22

De Haas heeft bij de mondelinge behandeling gesteld dat er ook nog een subsidiaire grondslag bestaat voor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Volgens De Haas is door de weigering van [verweerster] de functie van medewerker CVA te accepteren, althans het zich niet uitlaten hierover, de arbeidsverhouding met haar zodanig verstoord dat van De Haas niet kan worden gevergd het dienstverband te laten voortduren. De Haas verwijt [verweerster] dat bij haar sprake is geweest van een volledig gebrek aan souplesse mee te denken over een voor beide partijen acceptabele oplossing.

5.23

Onder verwijzing naar hetgeen hierboven onder 5.17 en 5.18 is overwogen, zijn deze verwijten aan het adres van [verweerster] niet terecht. De ontstane situatie is vooral het gevolg van de uitkomst van de procedure bij het Uwv, waarvan [verweerster] geen verwijt kan worden gemaakt, want het was haar goed recht verweer te voeren in die procedure. De positie die [verweerster] daarna heeft ingenomen, is wellicht reden geweest voor frustratie en ergernis bij
De Haas, maar kan [verweerster] niet kwalijk worden genomen. Het is begrijpelijk dat [verweerster] gestreefd heeft naar een voor haar acceptabele uitkomst. Daarbij heeft [verweerster] wel degelijk enige souplesse getoond, zij heeft zich zelfs bereid getoond in overweging te nemen haar arbeidsovereenkomst met De Haas te beëindigen, maar heeft op goede gronden vastgehouden aan haar functie zolang er voor haar geen bevredigende andere oplossing was.

5.24

De kantonrechter volgt De Haas daarom niet in haar standpunt dat sprake is van een verstoring van de arbeidsverhouding zodanig dat van De Haas in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. In dit verband is van betekenis dat De Haas tot voor kort nog bereid was [verweerster] bij haar te laten werken, zij het in een andere functie.

5.25

Het verzoek tot ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:669 lid 1 in samenhang met lid 3, onderdeel g, BW wordt eveneens afgewezen.

proceskosten

5.26

De Haas wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten veroordeeld, aan de zijde van [verweerster] vastgesteld op € 600,00 aan salaris voor de gemachtigde.

6 De beslissing

De kantonrechter:

wijst het verzoek af;

veroordeelt in De Haas in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] vastgesteld op € 600,00 aan salaris voor de gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. van de Ven en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

465