Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:7424

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-09-2016
Datum publicatie
05-10-2016
Zaaknummer
5309236
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Ontbinding arbeidsovereenkomst na weigering toestemming UWV (artikel 7:671b lid 1 aanhef en onder b BW).

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 669
Burgerlijk Wetboek Boek 7 671b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-1095
AR 2016/3175
JAR 2016/274
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 5309236 VZ VERZ 16-18210

uitspraak: 28 september 2016

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid STAR OGP Projects B.V.,

gevestigd te Moerdijk,

verzoekster,

gemachtigde: mr. S.M.B.W. Oosterbeek te Breda,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

verweerder,

gemachtigde: mr. M.A.H.H. Ceelen te Amsterdam.

Partijen worden hierna ‘Star’ en ‘ [verweerder] ’ genoemd.

1 Het verloop van de procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met producties, ontvangen op 18 augustus 2016, van het verweerschrift, ontvangen op 14 september 2016, en van de brief met aanvullende producties van Star van 19 september 2016.

Het verzoek is mondeling behandeld op 21 september 2016. Namens Star zijn bij die gele-genheid verschenen de heer [L.] en mevrouw [V.] , met de gemachtigde van Star mr. S.M.B.W. Oosterbeek. [verweerder] is eveneens verschenen, met zijn gemachtigde mr. M.A.H.H. Ceelen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen besproken is.

2 De feiten

Er wordt uitgegaan van de volgende feiten:

2.1

Star houdt zich bezig met het verlenen van service op het gebied van projectmanage-ment, consultancy en detachering binnen de ‘Oil, Gas, Power (en daaraan gerelateerde) industrieën’.

2.2

[verweerder] (geboren op [geboortedatum] ) is op 2 februari 2007 bij Star in dienst getreden als Project Engineer. In 2010 is hij Project Manager/Project Leider geworden. Het loon van [verweerder] bedraagt (thans) € 4.000,00 bruto per vier weken (exclusief vakantietoeslag).

2.3

Star heeft aan het UWV toestemming gevraagd om [verweerder] te mogen ontslaan. Dit verzoek is door het UWV op 6 juli 2016 afgewezen. Het UWV schrijft in haar beslissing, voor zover nu van belang:

Beoordeling

Uw aanvraag is gebaseerd op bedrijfseconomische omstandigheden. U geeft aan dat de werknemer sinds 2007 bij u in dienst is en dat het sinds 2012 moeilijk is om opdrachten te vinden voor werknemer. Werknemer zit langer dan gemiddeld op de bank. Nu het niet mogelijk is gebleken werknemer te plaatsen bij een opdrachtgever, bent u van mening dat u hem voor ontslag kunt voordragen. Zijn arbeidsplaats komt immers te vervallen. Wij delen uw mening echter niet. Wij zijn van mening dat u niet aannemelijk heeft gemaakt dat de arbeidsplaats van werknemer komt te vervallen. U kunt werknemer – om u moverende redenen – niet plaatsen bij opdrachtgevers. Dit betekent echter niet dat de arbeidsplaats van werknemer is komen te vervallen om bedrijfseconomische redenen.

Conform ons toetsingskader zou u moeten aantonen dat de arbeidsplaats van werknemer structureel komt te vervallen door maatregelen die om bedrijfseconomische redenen nodig zijn voor een doelmatige bedrijfsvoering. U heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de arbeidsplaats van werknemer structureel komt te vervallen. Te meer nu u ons in uw reactie op het verweer verzoekt om de wederindiensttredingsvoorwaarde niet op te nemen, omdat u dit niet passend vindt. Het kan namelijk voorkomen dat er een opdracht binnen komt waarop een werknemer kan worden geplaatst die op dat moment op de bank zit. Hiermee wekt u de schijn dat u kennelijk nieuwe opdrachten verwacht binnen een korte termijn.

2.4

Van de 55 maanden die voorafgaan aan september 2016 is [verweerder] 8 maanden op een project ingezet. [verweerder] is door Star voor de overige maanden wel aan opdrachtgevers aangeboden, maar zonder resultaat.

3 Het verzoek en het verweer daartegen

3.1

Star verzoekt om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] , primair we-gens bedrijfseconomische omstandigheden, subsidiair wegens ongeschiktheid van Tiele-mans tot het verrichten van de bedongen arbeid en meer subsidiair in verband met overige omstandigheden, zodanig dat van Star in redelijkheid niet gevergd kan worden de arbeids-overeenkomst te laten voortduren.

3.2

[verweerder] vraagt primair om afwijzing van het verzoek van Star, subsidiair om hem bij toewijzing van het verzoek de transitievergoeding toe te kennen.

3.3

Voor zover voor de beoordeling van belang, wordt hierna ingegaan op de stellingen van partijen.

4 De beoordeling

4.1

Star moet, als zij de arbeidsovereenkomst met [verweerder] op wil zeggen vanwege be-drijfseconomische omstandigheden, toestemming vragen aan het UWV (artikel 7:671a lid 1 BW). Weigert het UWV die toestemming, zoals het UWV in deze zaak op 6 juli 2016 heeft gedaan, dan kan de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbinden (artikel 7:671b lid 1 aanhef en onder b BW).

4.2

De kantonrechter kan het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst slechts inwilligen als er geen opzegverbod geldt (artikel 7:671b lid 2 BW). Van een opzegverbod is in deze zaak geen sprake. Een opzegverbod staat aan toewijzing van het verzoek dan ook niet in de weg.

4.3

De kantonrechter kan de arbeidsovereenkomst ontbinden als daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van (in dit geval) [verweerder] binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in rede ligt (artikel 7:671b lid 2 BW in verbinding met artikel 7:669 lid 1 BW). Een redelijke grond om de arbeidsovereenkomst te ontbinden is onder andere (artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder a BW):

Het vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van de beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming of het, over een toekomstige periode van ten minste 26 weken bezien, nood-zakelijkerwijs vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van het wegens bedrijfseconomische omstandigheden treffen van maatregelen voor een doelmatige bedrijfsvoering.

4.4

De kantonrechter is van oordeel dat, bezien over een toekomstige periode van ten minste 26 weken, de arbeidsplaats van [verweerder] noodzakelijkerwijs moet vervallen als gevolg van het wegens bedrijfseconomische omstandigheden treffen van maatregelen voor een doelma-tige bedrijfsvoering. Tot dit oordeel leidt het feit dat [verweerder] de afgelopen 55 maanden slechts 8 maanden op een project voor Star heeft gewerkt. Het is bedrijfseconomisch bezien niet verantwoord om deze situatie nog langer te laten voortduren. Het ‘bankzitten’ (de werk-nemer is niet op een project geplaatst maar moet wel doorbetaald worden) is weliswaar een risico dat een detacheerondernemer als Star loopt, maar aan dit risico zit wel een grens. Elk andersluidend oordeel zou het onaanvaardbare gevolg hebben dat een niet plaatsbare werk-nemer tot in lengte van dagen in dienst gehouden moet worden. Waar de hiervoor genoemde grens ligt wordt niet alleen bepaald door te kijken naar de tijd dat iemand ‘op de bank zit’, ook de overige omstandigheden van het specifieke geval zijn van belang.

4.5

Tot die overige hiervoor genoemde omstandigheden behoort in dit geval onder andere het feit dat Star [verweerder] tientallen keren heeft aangeboden bij potentiële opdrachtgevers, dat een consultant van Star een keer met [verweerder] mee is geweest naar een mogelijke op-drachtgever (om te beoordelen of het eventueel schort aan de manier waarop [verweerder] zich presenteert) en dat Star met [verweerder] heeft gesproken over het geschikt maken van zijn CV ten behoeve van het plaatsen daarvan op jobboards ( [verweerder] is overigens sceptisch over het plaatsen van zijn CV op jobboards). Anders dan [verweerder] stelt heeft Star zich in de af-gelopen jaren dus zich wel degelijk ingespannen om [verweerder] aan het werk te helpen. Star heeft daar ook alle belang bij: zij verdient immers haar geld met het detacheren van haar personeel bij opdrachtgevers. Het is Star echter niet gelukt om [verweerder] steeds te plaatsen bij een opdrachtgever. In dit verband kan niet onvermeld blijven dat het [verweerder] ook zelf de afgelopen jaren niet is gelukt om aan het werk te komen. Naar eigen zeggen is een hem aangeboden baan de afgelopen jaren ongeveer tien keer afgeketst op het feit dat bedrijven afhaken als [verweerder] tijd vraagt om met Star een terugkeermodel te bespreken, maar als dit waar is, Star zegt hier niet van te weten, is de werkloosheid van [verweerder] ook enigszins aan hemzelf te wijten. Het te veel willen van Star (een allesomvattende schriftelijke terug-keerregeling op papier waar bijvoorbeeld een e-mail met een terugkeertoezegging volstaat) schrok potentiële werkgevers kennelijk af door de tijd die dit zou kosten. Dit stond aan een nieuwe baan voor [verweerder] in de weg.

4.6

De verwachting dat [verweerder] in de toekomstige periode van 26 weken wel geplaatst zou kunnen worden is niet reëel. [verweerder] heeft niets aangevoerd waardoor dat tot oordeel gekomen zou moeten worden. Als plaatsing al niet goed lukt, is herplaatsing ook geen reële optie. [verweerder] voert in dit verband nog aan dat Star gehouden is hem in staat te stellen zijn functioneren te verbeteren, aan de hand van een concreet verbetertraject, bijscholing en begeleiding. Wat dit betreft moet echter bedacht worden dat de vakinhoudelijke kwaliteit van [verweerder] niet ter discussie staat, er komt ‘slechts’ geen match tot stand tussen hem en potentiële opdrachtgevers. De door [verweerder] genoemde vaardigheden ‘pro-activiteit, ent-housiasme en uitstraling’, als het daar aan schort, zijn uiteraard te trainen, maar het is niet primair de verantwoordelijk van Star om iets te doen aan de persoonlijke kwaliteiten van [verweerder] , te meer niet nu nergens uit blijkt dat [verweerder] open staat voor een dergelijke training. Bij het voorgaande komt dat gelet op de leeftijd van [verweerder] bij bijscholing de vraag gesteld moet worden of de kosten daarvan nog opwegen tegen het profijt dat Star als werkgever daar uit kan halen. Als het om een opleiding van twee jaar gaat, dit is een optie die ter sprake is geweest, moet tot het oordeel gekomen worden dat de kosten niet meer op-wegen tegen de baten.

4.7

Een en ander leidt ertoe dat het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van Star toewijsbaar is en wel per, bepaald aan de hand van hetgeen artikel 7:671b lid 8 aanhef en onder a BW daarover bepaalt, 1 november 2016. Nu het verzoek van Star op de primaire grond wordt toegewezen, hoeven de subsidiaire grond en de meer subsidiaire grond niet be-sproken te worden.

4.8

De arbeidsovereenkomst heeft ten minste 24 maanden geduurd en wordt ontbonden op initiatief van Star. [verweerder] heeft daarom recht op een transitievergoeding (artikel 7:673 lid 1 BW). De transitievergoeding bedraagt € 14.818,86 bruto en Star wordt ertoe veroor-deeld dit bedrag aan [verweerder] te betalen.

4.9

De kantonrechter ziet in de aard van de relatie tussen partijen aanleiding te bepalen dat ieder van de partijen de eigen kosten van deze procedure draagt.

5 De beslissing

De kantonrechter:

ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst per 1 november 2016;

veroordeelt Star tot betaling van een transitievergoeding van € 14.818,86 bruto;

bepaalt dat elk van de partijen de eigen kosten van deze procedure draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. L.J. van Die en uitgesproken ter openbare terecht-zitting.

686