Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:7225

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-08-2016
Datum publicatie
20-09-2016
Zaaknummer
C/10/507365 / FT EA 16/1883
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WSNP-verzoek niet ontvankelijk, omdat schuldhulpverlening geen minnelijk aanbod heeft gedaan vanwege een mogelijke regresvordering.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 285, geldigheid: 2008-01-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

verzoek toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk

rekestnummer: [nummer]

uitspraakdatum: 22 augustus 2016

[naam] ,

wonende te [adres]

[woonplaats] ,

verzoekster.

1 De procedure

Verzoekster heeft op 20 juli 2016 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De uitspraak is bepaald op heden.

2 De beoordeling

In het verzoekschrift moet worden opgenomen een met redenen omklede verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen, aldus artikel 285, eerste lid, Faillissementswet. Naar het oordeel van de rechtbank is de zich in het dossier bevindende verklaring van PLANgroep onvoldoende met redenen omkleed. Daartoe wordt het volgende overwogen.

In de verklaring van de PLANgroep van 16 juni 2016 staat dat geen aanbod is gedaan, “omdat er sprake is van een regresvordering”. In de zich in het dossier bevindende brief van PLANgroep van 16 juni 2016 staat ter zake het volgende:

“In januari 2016 heeft er een intake plaatsgevonden. In februari 2016 is er gestart met een minnelijke regeling. Helaas hebben wij geconstateerd dat er sprake is van een regres vordering, het betreft de vordering bij de SNS bank. Op 14 juni 2016 hebben wij cliënte uitgenodigd om deze kwestie te bespreken. Tijdens het gesprek gaf cliënte aan dat haar ex-partner een gedeelte van de vordering van de SNS bank betaald heeft. Wij hebben cliënte een vrijwaringscontract meegegeven, met als doel dit te laten tekenen door de ex-partner. Cliënte heeft al eerder aangegeven geen contact meer te hebben met haar ex-partner, echter zij heeft het vrijwaringscontract toegezonden aan haar ex-partner. De ex-partner van de cliënte heeft mondeling toegezegd het vrijwaringscontract niet te tekenen.

Volgens de cliënte heeft de ex-partner ook aangegeven, indien er een geslaagde regeling is, de vordering te gaan verhalen na het minnelijke schuldhulpverleningstraject.

Mocht een minnelijke schuldhulpverleningstraject slagen, kunnen wij i.v.m. de regres vordering de cliënte niet garanderen schuldenvrij te zijn. Om deze reden hebben wij de cliënte geadviseerd een beroep te doen op de Wet schuldsanering natuurlijke personen.”

Verzoekster heeft volgens haar crediteurenlijst twee preferente schuldeisers en zes concurrente schuldeisers. Op de lijst staat een vordering van de SNS bank van € 118.471,04. De andere schuldeisers zijn de Belastingdienst, de Gemeente Hellevoetsluis, KPN, Eneco, Laser Services, CJIB en Zilveren Kruis Achmea. De rechtbank leidt hieruit af dat de ex-partner van verzoekster nog geen (regres-)vordering op verzoekster heeft.

Nu de bestaande schuldenlast bekend is, kan er een aanbod worden gedaan aan de schuldeisers. De enkele omstandigheid dat mogelijkerwijs in de toekomst een nieuwe schuld zal ontstaan, staat daar op dit moment niet aan in de weg.

De rechtbank gunt verzoekster geen termijn als bedoeld in artikel 287, tweede lid, Faillissementswet om de ontbrekende gegevens te verstrekken aangezien een termijn van één maand niet toereikend is om een minnelijk traject af te wikkelen.

Verzoekster wordt op grond van het voorgaande niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

3 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Kalmthout, rechter, en in aanwezigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 augustus 2016.1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.