Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:7011

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-09-2016
Datum publicatie
12-09-2016
Zaaknummer
4309398 CV EXPL 15-31928
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Effectenlease, stuiting verjaring vernietigingsbevoegdheid echtgenoten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zaaknummer: 4309398 CV EXPL 15-31928

Uitspraak: 2 september 2016

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

1 [eiser], en

2. [eiseres],

beiden wonen te Rotterdam,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

gemachtigde: mr. G. van Dijk te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

eiseres in reconventie,

gemachtigde: mr. T.R. van Ginkel te Amsterdam,

Partijen worden hierna ‘[eiser]’ en ‘[eiseres]’ respectievelijk ‘Dexia’ genoemd. [eiser] en [eiseres] worden hierna gezamenlijk aangeduid met ‘[eisers].’.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het procesverloop volgt uit de volgende processtukken:

  • -

    de dagvaarding van 13 juli 2015, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende conclusie van eis in reconventie, met producties;

  • -

    de conclusie van repliek in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende een vermeerdering van eis, met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie tevens houdende conclusie van repliek in reconventie tevens houdende akte wijziging eis in reconventie, met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek in reconventie, met producties;

  • -

    de akte uitlating van Dexia.

1.2

De datum van de uitspraak van dit vonnis is nader bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten, nu deze enerzijds zijn gesteld dan wel uit de overgelegde stukken blijken en anderzijds zijn erkend dan wel niet althans onvoldoende gemotiveerd zijn bestreden:

2.1

[eiseres] is de echtgenote van wijlen de heer [H.] (hierna ook: ‘Contractant’) en [eiser] is hun zoon.

2.2

Contractant heeft de volgende leaseovereenkomsten ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorganger van) Dexia:

Contractnr.

Datum

Naam overeenkomst

Looptijd

Leasesom

1

59180779

16-9-1999

Korting Kado

120 mnd.

€ 24.586,68

2

13000062

11-11-1999

Legio I.B.* Plan

60 mnd.

€ 5.008,94

3

51781158

22-6-2000

Triple Effect Maandbetaling

36 mnd.

€ 14.293,68

4

27144661

28-11-2001

TroefPlan

60 mnd.

€ 6.762,76

5

74103804

13-11-1998

WinstVerDriedubbelaar

36 mnd.

€ 10.260,50

6

72007572

29-11-1996

WinstVerDriedubbelaar

60 mnd.

€ 5.079,82

2.3

Bij brief van 16 maart 2003 heeft [eiseres] Dexia onder meer het volgende geschreven:

“Geachte heer/mevrouw,

In de afgelopen jaren zijn tussen mijn echtgenoot (…) en uw bank (c,q. uw rechtsvoorgangers) een aantal effectenleasecontracten tot stand gekomen. Het gaat daarbij - voorzover ik kan nagaan - om de volgende contracten:

27144661 59180779

51781158 10003171

29487165 29487165

De door mijn echtgenoot (…) getekende contracten zijn zonder mijn toestemming gesloten, hoewel zij op grond van artikel 1:88 BW mijn toestemming behoefden.

Nu mijn toestemming ontbreekt beroep ik mij op de vernietigingsgrond als opgenomen in artikel 1:89 BW, hetgeen tot gevolg heeft dat alle zonder mijn toestemming gesloten

overeenkomsten met terugwerkende kracht geacht moeten worden niet tot stand te zijn gekomen.

(…)”.

2.4

Bij brief van 20 maart 2003 heeft Dexia hierop geantwoord dat zij het door [eiseres] gedane beroep op vernietiging niet aanvaardt.

2.5

Bij brief van 25 april 2007 heeft Leaseproces namens Contractant een opt-out verklaring uitgebracht aan Dexia.

2.6

Op 24 januari 2010 is Contractant overleden.

3 Het geschil

3.1

[eisers]. hebben in conventie, na eiswijziging, gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. te verklaren voor recht dat de leaseovereenkomsten met nummers 59180779 (1), 13000062 (2), 51781158 (3), 27144661 (4) en 74103804 (5) rechtsgeldig zijn vernietigd,

  2. Dexia te veroordelen om al hetgeen door Contractant krachtens die overeenkomsten aan Dexia is betaald, aan [eisers]. terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, primair vanaf de dag der door Contractant gedane betalingen, subsidiair vanaf twee weken na in verzuimstelling en meer subsidiair vanaf een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening, en

  3. Dexia te veroordelen tot betaling van de buitenrechtelijke kosten zoals gevorderd in de dagvaarding en/of voor recht te verklaren dat Dexia de buitengerechtelijke kosten zoals gevorderd in de dagvaarding aan [eisers]. dienen te voldoen,

met veroordeling van Dexia in de kosten van het geding.

3.2

Dexia heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de door [eisers]. ingestelde vorderingen. Ook heeft zij een tegenvordering ingesteld. Zij heeft in reconventie, na eiswijziging, gevorderd:

primair: te verklaren voor recht dat Dexia ten aanzien van de tussen haar en Contractant gesloten overeenkomsten van effectenlease met nummers 59180779 (1), 13000062 (2) 51781158 (3), 27144661 (4), 74103804 (5) en 72007572 (6) aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [eisers]. verschuldigd is, dan wel

subsidiair: te verklaren voor recht (i) dat Contractant met het sluiten van genoemde overeenkomsten niet werd blootgesteld aan het risico op een onaanvaardbaar zware financiële last, alsmede (ii) dat de winst die Contractant heeft geboekt op overeenkomst 6 ad € 2.595,12 bij de berekening van enige schadevergoedingsplicht van Dexia in verband met de overeenkomst 2 in mindering komt op de restschuld ad € 1.252,15, zodat Dexia ter zake van die restschuld geen vergoeding verschuldigd is, en (iii) dat de vernietigingsverklaring die [eiseres] bij brief d.d. 16 maart 2003 heeft afgelegd, geen rechtsgevolgen heeft gehad voor overeenkomsten 1, 2 en 5 omdat overeenkomsten 2 en 5 niet worden genoemd in de vernietigingsbrief en voorts de mogelijkheid om overeenkomsten 1, 2 en 5 te vernietigen toen reeds was verjaard, en

zowel primair als subsidiair: [eisers]. in de kosten van het geding te veroordelen.

3.3

Op hetgeen partijen over en weer ter onderbouwing van de eigen vordering dan wel ter afwerking van die van de ander hebben aangevoerd, wordt hierna, voor zover althans van belang voor de uitkomst van de procedure, teruggekomen.

4 De beoordeling

in conventie

ontvankelijkheid

4.1

Dexia heeft aangevoerd dat [eiser] en [eiseres] niet ontvankelijk zijn in hun vorderingen, [eiser] niet omdat er geen verklaring van erfrecht is overgelegd waaruit blijkt dat hij als erfgenaam van de Contractant heeft te gelden, en [eiseres] niet omdat er geen volmacht is overgelegd waaruit blijkt dat Leaseproces gemachtigd is de onderhavige procedure namens haar te voeren.

4.2

In reactie hierop hebben [eisers]. bij repliek in conventie de door Dexia bedoelde volmacht overgelegd en bij hun laatste conclusie de door Dexia bedoelde verklaring van erfrecht. Gezien die stukken kan aan het (niet-)ontvankelijkheidsverweer van Dexia, als zijde ongegrond, worden voorbijgegaan.

Geen toestemming

4.3

Partijen hebben geen verschil van mening over het feit dat Contractant de onderhavige overeenkomsten heeft gesloten zonder toestemming van zijn echtgenote, [eiseres]. Dat geen toestemming is verleend, staat daarom tussen partijen vast. Het ontbreken van haar toestemming levert voor [eiseres] een grond op om de overeenkomsten te vernietigen, dit op grond van artikel 1:88 lid 1, aanhef en onder d BW en artikel 1:89 BW.

Verjaring

4.4

[eisers]. hebben gesteld dat [eiseres] overeenkomsten 1 tot en met 5 heeft vernietigd door middel van haar brief van 16 maart 2003. Daarbij heeft zij toegelicht dat dit voor wat betreft overeenkomsten 3 en 4 binnen drie jaar na het afsluiten daarvan was en voor wat betreft overeenkomsten 1, 2 en 5 binnen drie jaar nadat zij bekend werd met het bestaan van de overeenkomsten, zodat deze overeenkomsten volgens hen tijdig zijn vernietigd. Juist is dat in de brief overeenkomsten 2 en 5 niet concreet met nummer zijn genoemd maar ook voor die overeenkomsten heeft die vernietigingsbrief volgens [eisers]. werking, dit gezien de daarin gekozen bewoordingen ‘alle zonder mijn toestemming gesloten overeenkomsten’.

4.5

Dexia heeft de juistheid van dit door [eisers]. betrokken standpunt bestreden. Zij merkt op dat met genoemde brief overeenkomsten 3 en 4 (inderdaad) tijdig vernietigd werden nu de vernietiging heeft plaatsgevonden binnen drie jaar na het afsluiten van die overeenkomsten. Volgens Dexia is dat echter niet het geval voor overeenkomsten 2 en 5, nu haar uit de brief van 16 maart 2003 niet voldoende duidelijk was dat [eiseres] ook die wenste te vernietigen. Voor het eerst in deze procedure is Dexia duidelijk geworden dat [eiseres] zich op de vernietiging van ook die overeenkomsten beriep. Voor wat betreft overeenkomsten 1, 2 en 5 beroept Dexia zich er (derhalve) op dat de bevoegdheid van [eiseres] de vernietiging van die overeenkomsten in te roepen, reeds was verjaard op het moment dat zij dat deed, dit ook gelet het op het moment waarop zij met die overeenkomsten bekend was althans bekend mocht worden geacht.

4.6

Voor de beoordeling van dit onderdeel geldt het volgende als algemene uitgangspunten. De bevoegdheid tot (buitengerechtelijke) vernietiging verjaart drie jaar gerekend vanaf het moment waarop degene aan wie de bevoegdheid tot vernietiging toekomt ([eiseres] dus) daadwerkelijk bekend is geworden met de overeenkomst (art. 3:52 lid 1 sub d en lid 2 BW in samenhang met HR 10 juli 2015 ECLI:NL:HR:2015:1866).

Een verjaringstermijn kan echter, nadat deze is gaan lopen en voordat deze is verstreken, worden gestuit, d.w.z. worden afgebroken, door bepaalde gebeurtenissen. De Hoge Raad heeft op 9 oktober 2015 uitspraak gedaan over de stuiting van de bevoegdheid tot (buitengerechtelijke) vernietiging van effectenlease-overeenkomsten (ECLI:NL:HR:2015:3018). Kort gezegd heeft de Hoge Raad het volgende overwogen en bepaald:

- op 13 maart 2003 is door onder meer de stichting Eegalease een collectieve actie gestart over vragen betreffende de vernietiging van effectenlease-overeenkomsten wegens het ontbreken van toestemming van de andere echtgenoot. De start van die procedure heeft stuitende werking ten aanzien van de verjaring van een op die collectieve actie aansluitende vordering tot vernietiging van rechtshandelingen en leidt ertoe dat ook de verjaring van de bevoegdheid tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging wordt gestuit. Simpel gezegd: door het instellen van die collectieve actie is een op 13 maart 2003 nog lopende verjaringstermijn gestuit;

- die stuitende werking vervalt echter, als de belanghebbende niet tijdig een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring heeft afgelegd of een nieuwe eis heeft ingesteld. Tijdig is, aldus de Hoge Raad, binnen zes maanden nadat de collectieve actie is geëindigd.

4.7

De collectieve actie heeft op 23 juni 2005 geleid tot een schikking die is neergelegd in de zogenoemde Hoofdovereenkomst. In de Hoofdovereenkomst was voorzien dat de bij de collectieve actie en de Hoofdovereenkomst betrokken partijen een overeenkomst sloten zoals bedoeld in art. 7:907 lid 1 BW (de WCAM-overeenkomst). Dat is gebeurd en deze overeenkomst is door het gerechtshof Amsterdam op 25 januari 2007 verbindend verklaard (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033). Het geheel van deze afspraken wordt aangeduid als de Duisenberg-regeling.

4.8

In het arrest van de Hoge Raad is niet bepaald op welk moment de collectieve actie is geëindigd en de termijn van zes maanden is aangevangen.

Naar het oordeel van de kantonrechter moet de verbindend verklaring bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam op 25 januari 2007 als begin van de zes maanden termijn gelden. De reden daarvoor is dat pas door die beschikking definitief is komen vast te staan wat de uitkomst is geweest van de collectieve actie, en dat een belanghebbende pas op dat moment wist waar hij aan toe was. Door dit als aanvangsmoment van de zes maanden termijn te nemen is de met de collectieve actie beoogde effectieve en efficiënte rechtsbescherming het meest gediend. Dit betekent dat een belanghebbende uiterlijk op 25 juli 2007 een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring moet hebben uitgebracht. Als dat niet is gebeurd is de stuitende werking van de collectieve actie vervallen.

4.9

De conclusie van het vorengaande is dat effectenlease-overeenkomsten op grond van artikel 1:89 BW zijn vernietigd mits uiterlijk op 25 juli 2007 een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring is uitgebracht, en tenzij de bevoegdheid tot bedoelde vernietiging op 13 maart 2003 al was verjaard.

4.10

Dexia voert evenwel aan dat deze conclusie niet kan worden getrokken uit het arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 2015. Zij stelt daartoe dat:

  1. de vernietiging van [eisers]. ten aanzien van overeenkomsten 1, 2 en 5 niet aansluit op de vorderingen die in de collectieve actie aan de orde waren, en

  2. eisers in de collectieve actie naderhand afstand hebben gedaan van alle in de dagvaarding gepretendeerde rechten en vorderingen.

Deze verweren worden verworpen op grond van het volgende.

Niet aansluitend (ad a)

4.11

De aanleiding voor de collectieve actie was dat Dexia destijds het standpunt innam dat haar effectenlease-overeenkomsten niet kwalificeren als koop op afbetaling en dat daarom artikelen 1:88 en 1:89 BW op haar overeenkomsten niet van toepassing zijn. Eén van de vorderingen in de collectieve actie was daarom een verklaring voor recht inhoudende dat artikel 1:88 en 1:89 BW wel van toepassing zijn op de (89 in de dagvaarding genoemde soorten) effectenlease-overeenkomsten die met Dexia zijn gesloten. De vordering van [eisers]. sluit hier bij aan, nu zij een verklaring voor recht vragen inhoudende dat de hier aan de orde zijnde effectenlease-overeenkomsten met Dexia op de voet van artikel 1:88 en 1:89 BW zijn vernietigd. De omstandigheid dat de overeenkomsten zijn gesloten met een rechtsvoorganger van Dexia, doet aan dit oordeel niet af en datzelfde geldt voor de enkele omstandigheid dat de overeenkomsten 1, 2 en 5 eerder zijn aangegaan (namelijk in de periode van november 1998 tot november 1999) dan die waarop de collectieve vordering betrekking had (de periode van 29 januari 2000 tot en met 1 mei 2002).

Afstand van recht (ad b)

4.12

Het is juist, zoals Dexia aanvoert, dat de organisaties die de collectieve actie instelden in de Hoofdovereenkomst afstand hebben gedaan van alle rechten. Individuele belanghebbenden die niet aan de schikking gebonden wilden zijn, konden naderhand gebruik maken van de mogelijkheid -waarin de wet voorziet (artikel 7:908 BW)- een opt-out verklaring uit te brengen. Degenen die een opt-out verklaring hebben uitgebracht, zoals Contractant (zie 2.5), raakten niet door de verbindendverklaring gebonden aan de schikking. Zij hielden de vrijheid om hun vordering aan de rechter voor te leggen. Individuele belanghebbenden konden logischerwijs pas ná de totstandkoming van de schikking beoordelen of zij daaraan gebonden wilden zijn, of niet. De individuele belanghebbenden mochten daarvoor de onderhandelingen afwachten. Hiermee strookt niet om de afstand van recht van de organisaties in de Hoofdovereenkomst achteraf tegen te werpen aan individuele belanghebbenden door hen de stuitende werking van de collectieve actie te ontzeggen. Voor een andersluidend oordeel biedt het arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 ook geen ruimte. Een andersluidend oordeel zou voorts ook afbreuk doen aan het met de collectieve actie beoogde doel van een effectieve en efficiënte rechtsbescherming.

4.13

Toepassing van de hiervoor onder 4.9 genoemde uitgangspunten leidt tot het volgende.

ad overeenkomsten 3 en 4

4.14

Dexia heeft erkend dat [eiseres] de overeenkomsten 3 en 4 tijdig heeft vernietigd. Op de gevolgen daarvan wordt in een later stadium teruggekomen.

ad overeenkomsten 1, 2 en 5

4.15

Vast staat dat [eiseres] door middel van haar brief van 16 maart 2003, derhalve (ruim) voor 25 juli 2007, de vernietigingsverklaring ten aanzien van overeenkomst 1 heeft uitgebracht. Die overeenkomst is gesloten op 16 september 1999. Dat is meer dan drie jaar voordat de collectieve actie startte op 13 maart 2003. Als de bevoegdheid tot vernietiging toen al was verjaard, heeft de vernietigingsverklaring geen gevolg en is deze overeenkomst dus niet vernietigd.

4.16

Overeenkomsten 2 en 5 worden, zo heeft Dexia terecht opgemerkt, echter niet concreet (dat wil zeggen: met nummer) genoemd in de brief van [eiseres]. Anders dan door Dexia gesteld valt echter niet in te zien waarom voor Dexia met de daarin vervatte zinsnede ‘alle zonder mijn toestemming gesloten overeenkomsten’ niet (voldoende) duidelijk was dat de door [eiseres] uitgebrachte vernietigingsverklaring ook op deze twee overeenkomsten gericht was. Naar het oordeel van de kantonrechter laat die zinsnede immers niets aan duidelijkheid te wensen over en was in de gegeven omstandigheden voor de vernietiging van deze overeenkomsten niet vereist dat deze ook concreet met nummer in de brief werden genoemd. Opmerking verdient nog dat hoewel Dexia (onder punt 8 bij dupliek in conventie) dat wel heeft gesteld, [eiseres] haar beroep op vernietiging niet heeft beperkt ‘tot alle verlieslatende overeenkomsten’. Dat staat simpelweg niet in die brief.

4.17

Overeenkomsten 2 en 5 zijn gesloten op respectievelijk 11 november 1999 en 29 november 1996. Dat is, gelijk overeenkomst 1, meer dan drie jaar voordat de collectieve actie startte op 13 maart 2003 en ook voor die overeenkomsten geldt dus dat als toen de bevoegdheid tot vernietiging al was verjaard, de vernietigingsverklaring geen gevolg heeft en deze overeenkomsten dus niet zijn vernietigd.

4.18

Dexia voert aan dat de bevoegdheid tot vernietiging op 13 maart 2003 al was verjaard. Zoals hierboven is overwogen, verjaart die bevoegdheid drie jaar gerekend vanaf het moment waarop [eiseres] daadwerkelijk bekend is geworden met de overeenkomst. De stelplicht en bewijslast rust op Dexia. Het is aan haar feiten en omstandigheden te stellen, zo nodig te bewijzen, die de conclusie rechtvaardigen dat [eiseres] langer dan drie jaar voor 13 maart 2003, dus eerder dan 13 maart 2000, daadwerkelijk bekend is geworden met de overeenkomsten.

4.19

Dexia heeft ter invulling van haar standpunt dat [eiseres] eerder dan 13 maart 2000 bekend moet zijn geweest met deze overeenkomsten aangevoerd:

 dat er diverse keren telefonisch contact is geweest tussen Contractant en Dexia (althans haar rechtsvoorganger) en dat onaannemelijk is dat [eiseres] dat veelvuldige contact niet heeft opgemerkt,

 dat overeenkomst 3 via een tussenpersoon, die in de regel meerdere malen bij de afnemer thuis kwam, tot stand is gekomen, dat zeer aannemelijk is dat [eiseres] naar aanleiding van die bezoeken vragen heeft gesteld aan Contractant en dat zij gevolg van één en ander toen ook op de hoogte is geraakt van de toen al bestaande overeenkomsten 1 en 2,

 dat, aangenomen dat de aan Dexia betaalde bedragen werden afgeschreven van een door Contractant en [eiseres] gehouden en/of rekening en daarvan ook huishoudelijke uitgaven werden gedaan, [eiseres] bekend mag worden geacht met de overeenkomsten vanaf de datum van ontvangst van de (aan hen beiden gerichte) rekeningafschriften,

 dat er in 2001 en 2002 positieve resultaten zijn behaald, en ook op de (kennelijke) en/of-rekening van Contractant en [eiseres] zijn uitgekeerd, op overeenkomsten 1, 5 en 6, zodat ook daarom aannemelijk is dat [eiseres], vanaf het moment van ontvangst van de betrokken bankafschriften, bekend was met de na overeenkomst 1 nog aangegane overeenkomsten,

 dat Contractant zowel op eerdere overeenkomsten als op overeenkomst 1 (in 1999), overeenkomst 2 (ook in 1999), overeenkomst 4 (in 2001), overeenkomst 5 (in 1998) en overeenkomst 6 (in 1996) substantiële (vooruit)betalingen heeft gedaan, van een omvang dat Dexia ervan uitgaat dat Contractant die met [eiseres] heeft besproken, althans dat haar die zijn opgevallen, zodat aannemelijk is dat [eiseres] vanaf toen wetenschap had omtrent de overeenkomsten,

 dat onaannemelijk is dat de poststukken die (de rechtsvoorganger van) Dexia aan het huisadres van Contractant heeft gestuurd, [eiseres] niet zouden zijn opgevallen,

 dat, aangenomen dat Contractant en [eiseres] gezamenlijk belastingaangifte hebben gedaan, haar uit de aangiftes 1999 en 2000 duidelijk had kunnen zijn de rente van de overeenkomsten werd afgetrokken, en

 dat Contractant in 2000 namens zijn broer Dexia heeft gebeld omdat ook die broer een overeenkomst met Dexia wilde aangaan en Contractant gedurende bepaalde tijd de belangen van die broer, omdat deze in het buitenland verbleef, waargenomen heeft, hetgeen erop duidt dat de overeenkomsten een familieaangelegenheid waren en dus ook bij familieaangelegenheden zijn besproken, zodat niet aannemelijk is dat overeenkomsten 1, 2 en 5 [eiseres] destijds niet ter ore zijn gekomen.

4.20

[eiseres] heeft de juistheid van dit door Dexia betrokken standpunt bestreden. Zij stelt dat Contractant haar aanvankelijk niet heeft verteld over de door hem met (de rechtsvoorganger van) Dexia afgesloten overeenkomsten en dat zij daarvan dan ook niet op de hoogte was. Daarbij heeft zij er, onder verwijzing naar het door haar overgelegde rekeningafschrift (productie 7 bij dagvaarding), op gewezen dat de betalingen door Contracten niet werden gedaan vanaf een en/of-rekening maar van de eigen rekening van Contractant, dat zij niet op de hoogte was van een winst in 2001, dat zij nimmer voor Contractant bestemde post heeft opengemaakt en dat haar nimmer post van Dexia is opgevallen. Voorts heeft zij gesteld dat zij een eigen inkomen had dat op haar eigen rekening werd gestort, dat zij en Contractant apart aangifte deden en dat zij geen inzicht had in de aangifte van Contractant. Zij heeft ook niets meegekregen van de door Dexia gestelde telefoongesprekken, in verband waarmee [eiseres] erop heeft gewezen dat Contractant een eigen kamer had waar hij de administratie deed en telefoongesprekken voerde. Ook heeft [eiseres] betwist wetenschap te hebben gehad omtrent een tussenpersoon die bij haar (man) thuis zou zijn gekomen en zijn de door Dexia gestelde vooruitbetalingen haar niet opgevallen noch door Contractant met haar besproken. [eiseres] stelt eerst korte tijd voor het sturen van de vernietigingsbrief met de overeenkomsten bekend te zijn geworden toen Contractant haar enige tijd daarvoor vertelde dat er een restschuld was ontstaan, dat hij daarover klachten aan Dexia had gestuurd en dat hij niet tevreden was met de reactie daarop.

4.21

Geoordeeld wordt dat, gelet op de gemotiveerde betwisting van [eiseres], de juistheid van het door Dexia hier betrokken standpunt, althans zonder verder bewijs, niet vast staat. Als gezegd is het hier aan Dexia de juistheid van haar standpunt te bewijzen. Zij heeft ook een uitdrukkelijk bewijsaanbod gedaan en wordt hierna dan ook toegelaten tot het bewijs (van feiten of omstandigheden waaruit blijkt) dat [eiseres] eerder dan 13 maart 2000 daadwerkelijk bekend is geworden met de overeenkomsten 1, 2 en 5, als hierna gemeld.

4.22

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

in reconventie

4.23

Omdat de uitkomst van voormelde bewijsopdracht van invloed is op de uitkomst van de procedure in reconventie, wordt ook in reconventie iedere beslissing aangehouden.

5
5. De beslissing

De kantonrechter:

in conventie :

 laat Dexia toe tot het leveren van het bewijs (van feiten of omstandigheden waaruit blijkt) dat [eiseres] eerder dan 13 maart 2000 daadwerkelijk bekend is geworden met de overeenkomsten 1, 2 en 5;

 bepaalt dat:

 Dexia ter rolzitting van donderdag 13 oktober 2016 te 15.30 uur schriftelijk moet laten weten of, en zo ja op welke wijze, zij dit bewijs wil leveren;

 als zij dat wil doen door schriftelijke bewijsstukken, zij die dan dadelijk bij die akte in het geding moet brengen;

 als zij getuigen wil laten horen door de kantonrechter, zij tijdens de hierboven genoemde rolzitting schriftelijk opgave moet doen van de naam en woonplaats van de door haar voor te brengen getuigen en van de verhinderdata van beide partijen en de getuigen voor de eerstkomende vier maanden; Dexia zal te zijner tijd zelf moeten zorgen voor behoorlijke oproeping van de getuigen;

 bepaalt voorts dat de door Dexia te nemen akte uiterlijk de dag vóór genoemde rolzitting om 12 uur ter griffie ontvangen moet zijn; ook is het mogelijk de akte op genoemd tijdstip op de rolzitting zelf in te dienen; in dat geval dient wel rekening te worden gehouden met een wachttijd;

voorts in conventie en in reconventie :

 houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Langeler en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

402/654