Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:699

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-01-2016
Datum publicatie
29-01-2016
Zaaknummer
C-10-477828 - HA ZA 15-666
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Pomphouder en oliemaatschappij komen niet tot overeenstemming over een nieuwe exploitatieovereenkomst. Het tankstation is vervolgens wegens wanprestatie ontruimd. Door pomphouder gevorderde beëindigingsvergoeding wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/477828 / HA ZA 15-666

Vonnis van 27 januari 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SERVICE-STATION VLASVELD B.V.,

gevestigd te Dongen,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. J.P.M.M. Heijkant te Dongen,

tegen

de Europese vennootschap

BP EUROPA SE – BP NEDERLAND,

gevestigd te Capelle aan den IJssel,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. M.A. Jacobs te Rotterdam.

Partijen zullen hierna Vlasveld en BP genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 7 oktober 2015

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 26 november 2015

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

BP is eigenaar van het perceel gelegen aan de Middellaan 14 te Dongen en het daarop gebouwde tankstation met winkel (hierna: het tankstation). Dit tankstation wordt sinds 2 februari 1973 door Vlasveld geëxploiteerd. Hiertoe hebben partijen laatstelijk de exploitatieovereenkomst van 21 mei 2001 gesloten, welke op 1 mei 2002 is ondertekend (hierna: de Exploitatieovereenkomst 2001). Hierin onder meer is bepaald dat Vlasveld aan BP een exploitatievergoeding betaalt en dat zij is gehouden de te verkopen brandstof exclusief bij BP af te nemen. De Exploitatieovereenkomst 2001 was aangegaan voor een periode van vijf jaar en is daarna met vijf jaar verlengd.

2.2.

In de Exploitatieovereenkomst 2001 zijn verder onder meer de volgende bepalingen opgenomen:

“3(2) BP’s (af)levering. BP neemt op zich de desbetreffende motorbrandstoffen aan exploitant te leveren. BP is bevoegd de motorbrandstoffen in bulk af te leveren op de tijdstippen en in de hoeveelheden, welke zij in verband met de bevordering van economische exploitatie van haar vervoermiddelen gewenst zal achten. Leveringen zullen echter plaatsvinden in een redelijke relatie tot de omzetsnelheid (…).

3(4) Prijzen. BP zal aan exploitant voor de van haar afgenomen motorbrandstoffen de op de dag van levering geldende BP handelaarsprijzen in rekening brengen. De BP handelaarsprijzen zullen gelijk zijn aan de landelijk door BP voor de overeenkomstige produkten ten behoeve van de wederverkoop aan het wegverkeer voor selfservice motorbrandstofverkooppunten geadviseerde pompprijzen zoals die regelmatig door BP worden bekend gemaakt, minus de BP handelaarsmarges die bij het opmaken van deze overeenkomst voor exploitanten bedragen: (…)

5(1) Bedrijfsvoering. (…) BP zal, in een door haar te bepalen omvang, die adviezen en diensten (know how) verstrekken door middel van documentatie, richtlijnen, advertenties, bulletins, reclamemateriaal en technische begeleiding, die nodig zijn om tot een optimale exploitatie van haar stationsnetwerk te komen. (…)

5(4) Prijzen wederverkoop. Het staat exploitant vrij de van BP betrokken produkten aan te

bieden en te verkopen tegen prijzen en op condities, door hem zelf te bepalen. Onverminderd het vorenstaande zal BP regelmatig de in het algemeen door haar geadviseerde pompprijzen en (weder)verkoopprijzen bekend maken. Bovendien is BP desgevraagd bereid exploitant individueel nader - overigens geheel vrijblijvend - te adviseren, met het oog op de plaatselijke marktomstandigheden.

5(5) Kortingen op pompprijzen particulieren. Indien exploitant op grond van locale marktomstandigheden aan tankende klanten op de door BP geadviseerde algemene

pompprijzen als bedoeld in artikel 3(4) bepaalde lokale kortingen verstrekt of deze wijzigt,

kan BP aan exploitant op diens verzoek een bijdrage in deze (gewijzigde) lokale kortingen

verlenen. Zodanig verzoek zal door exploitant schriftelijk hij BP worden ingediend, tenzij anders wordt overeengekomen. Een eventuele bijdrage zal worden verstrekt conform de bij BP tot nader order in gebruik zijnde algemeen geldende schaal, welke als bijlage aan deze

overeenkomst is gehecht. Zodanige bijdrage zal altijd tot nader order worden verstrekt, ook

al wordt dit door BP niet specifiek voor iedere bijdrage aangegeven (…).”

2.3.

Vanaf 2012 hebben partijen naar aanleiding van een nieuwe strategie van BP onderhandeld over een nieuwe exploitatieovereenkomst. Medio 2013 hebben partijen daarover een akkoord bereikt (hierna: de Exploitatieovereenkomst 2013). De nieuwe overeenkomst was aangegaan onder de opschortende voorwaarde dat de in deze overeenkomst opgenomen afwijkende (huur)bedingen in de zin van artikel 7:291 lid 2 BW door de kantonrechter zouden worden goedgekeurd.

2.4.

Op 16 juli 2013 hebben partijen gezamenlijk een verzoek tot goedkeuring van de afwijkende bedingen (artikel 7:291 lid 3 BW) ingediend bij de kantonrechter te Zeeland-West-Brabant, locatie Tilburg. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Vlasveld het verzoek, voor zover door haar gedaan, ingetrokken en heeft verweer gevoerd tegen het resterende verzoek van BP. De kantonrechter heeft het verzoek vervolgens bij beschikking van 27 februari 2014 in zijn geheel afgewezen.

2.5.

In haar brief van 5 juni 2014 aan Vlasveld stelt BP onder meer het volgende:

“Zoals bij u bekend is wordt de exploitatie vorm op basis waarvan u thans het tankstation exploiteert door BP uitgefaseerd, zodanig dat de laatste overeenkomsten die van deze exploitatievorm uitgaan, zullen eindigen (thans nog 6 van de circa 65 tankstations, die door BP in exploitatie zijn gegeven aan derden).

In het kader van deze transformatie heeft BP besloten om op korte termijn de pompbijdrage regeling, die geldt tot nader order en wordt verstrekt ter uitsluitender beoordeling van BP (zie artikel 5(5)), af te bouwen in de komende periode voor de tankstations, die niet op basis van een franchise formule worden geëxploiteerd. Voorts zullen met ingang van 1 januari 2015 de prijsadviezen niet meer aan u worden verstrekt.

De achterliggende reden voor dit besluit is het volgende: door het niet meewerken aan de transformatie van de exploitatievorm naar franchise, ontneemt u BP de mogelijkheid haar resultaat van het station te optimaliseren. Dit brengt BP ertoe maatregelen te treffen voor de overgangsperiode, die de winstgevendheid van het station voor haar doet toenemen. Het beëindigen van de pompbijdrage regeling is een daartoe geëigend middel, omdat in ieder geval op de korte tot middellange termijn door deze maatregel de bruto marge op brandstoffen zal toenemen.

In concreto leidt het bovenstaande tot de navolgende overgangsregeling:

Met ingang van 1 juli 2014 zal BP de bijdrage, in de door haar geadviseerde pompkortingen, voor 50% intrekken. Vanaf 1 januari 2015 zal de restende 50% worden ingetrokken, zodat per laatst genoemde datum geen sprake meer is van een pompbijdrage van BP in de eventueel door u te verstrekken pompkorting. Op dit tijdstip eindigt het verstrekken van het prijsadvies eveneens.

Separaat zullen wij de noodzakelijke gerechtelijke procedure starten om de hierboven omschreven transformatie naar franchise voor het thans door u geëxploiteerde tankstation mogelijk te maken, o.a. door beëindiging van de lopende exploitatie overeenkomst.”

2.6.

In de periode van juni 2014 tot en met medio februari 2015 hebben partijen opnieuw onderhandeld over een nieuwe exploitatieovereenkomst.

2.7.

Op 6 februari 2015 heeft BP aan Vlasveld te kennen gegeven dat zij verdere brandstofleveranties zal opschorten, tot de openstaande facturen voor geleverde motorbrandstoffen door Vlasveld zouden zijn voldaan. Vanwege het staken van de levering van motorbrandstof heeft Vlasveld de pompen afgezet, maar de winkel bleef geopend.

2.8.

Vlasveld heeft BP op 17 april 2015 in kort geding gedagvaard voor de rechtbank Rotterdam. Vlasveld heeft in deze procedure primair gevorderd BP te gebieden te gehengen en gedogen dat Vlasveld motorbrandstoffen bij een derde afneemt. Subsidiair vorderde Vlasveld BP te veroordelen de levering van motorbrandstoffen en de verstrekking van prijsadviezen en pompbijdragen te hervatten. BP heeft in reconventie in het kort geding betaling van aan Vlasveld geleverde motorbrandstoffen en van achterstallige exploitatievergoeding gevorderd, in totaal € 111.373,52. Daarnaast vorderde BP ontruiming van het tankstation. In het vonnis van 1 mei 2015 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van Vlasveld afgewezen. In reconventie is een bedrag van € 105.737,52 toegewezen. De vordering tot ontruiming is eveneens toegewezen.

2.9.

BP heeft het vonnis van de voorzieningenrechter van 1 mei 2015 op 6 mei 2015 aan Vlasveld betekend. Vlasveld heeft het tankstation vervolgens in de maand mei 2015 ontruimd.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

Vlasveld vordert (kort weergegeven):

  • -

    te verklaren voor recht dat BP jegens Vlasveld toerekenbaar tekort is geschoten, althans onrechtmatig heeft gehandeld;

  • -

    BP te veroordelen tot het betalen van schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

  • -

    BP te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

De wanprestatie dan wel het onrechtmatig handelen van BP bestaat er volgens Vlasveld uit dat:

  • -

    BP Vlasveld buitensporig hoge handelsprijzen in rekening heeft gebracht (prijzen die niet in verhouding stonden tot de economische waarde van de geleverde goederen), terwijl Vlasveld als gevolg van het exclusieve afnamebeding de mogelijkheid ontbrak om motorbrandstoffen elders dan bij BP af te nemen;

  • -

    BP weigerde de voor een optimale exploitatie van het tankstation noodzakelijke kortingen op pompprijzen en (prijs)adviezen en diensten te verstrekken;

  • -

    BP de prijs van motorbrandstoffen verlaagde, nadat deze aan Vlasveld waren geleverd, waardoor Vlasveld de geleverde brandstof goedkoper moest verkopen om te kunnen concurreren met de onbemande BP-tankstations in de buurt. Hierdoor lag de inkoopprijs van Vlasveld hoger dan de verkoopprijs van het nabijgelegen onbemande BP‑tankstation in Oosterhout;

  • -

    BP de door klanten aan Vlasveld gedane creditcardbetalingen zelf is gaan incasseren;

  • -

    BP weigerde de nacalculatie van de exploitatievergoeding over de jaren 2013 en 2014 uit te voeren;

  • -

    BP in kort geding ontruiming van het tankstation heeft gevorderd, terwijl de betalingsachterstand niet bestond uit achterstallige exploitatievergoeding, maar uit de verschuldigde kosten voor geleverde motorbrandstoffen;

  • -

    BP heeft nagelaten Vlasveld een beëindigingsvergoeding aan te bieden, ondanks hun langdurige relatie (40 jaar) en het feit dat Vlasveld in hoge mate afhankelijk was van BP.

3.3.

BP heeft verweer gevoerd en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Vlasveld. BP betwist dat zij toerekenbaar tekort is geschoten jegens Vlasveld of onrechtmatig heeft gehandeld.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

BP vordert – samengevat – te verklaren voor recht dat de Exploitatieovereenkomst 2001 per 29 mei 2015, althans per 9 september 2015, althans per een in goede justitie te bepalen datum wordt ontbonden, met veroordeling van BP in de proceskosten.

3.6.

BP heeft ter onderbouwing van haar vordering aangevoerd dat Vlasveld reeds geruime tijd haar verplichtingen tot betaling van geleverde motorbrandstoffen en het voorschot op de exploitatievergoeding niet (tijdig) nakomt, ondanks het treffen van diverse betalingsregelingen. Ten tijde van het kort geding stond een bedrag van € 111.737,52 open. Deze tekortkoming in nakoming rechtvaardigt ontbinding van de Exploitatieovereenkomst 2001.

3.7.

Vlasveld heeft verweer gevoerd en concludeert tot afwijzing van de ontruimingsvordering van BP, voor zover daar niet de voorwaarde aan wordt verbonden dat BP een billijke vergoeding aan Vlasveld dient te voldoen.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

Beoordeeld moet worden of (a) BP toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar contractuele verplichtingen jegens Vlasveld, en/of (b) BP jegens Vlasveld onrechtmatig heeft gehandeld.

4.2.

Partijen zijn de Exploitatieovereenkomst 2013 is aangegaan onder de opschortende voorwaarde dat voor enkele bedingen uit deze overeenkomst goedkeuring van de kantonrechter ex artikel 7:291 lid 2 BW zou worden verkregen. Nu het verzoek ter verkrijging van deze toestemming is afgewezen, heeft de Exploitatieovereenkomst 2013 geen werking gekregen. Tussen partijen is niet in geschil dat als gevolg daarvan de Exploitatieovereenkomst 2001 haar werking heeft behouden. De beoordeling van de door Vlasveld gestelde toerekenbare tekortkoming in de nakoming zal daarom getoetst worden aan de in de Exploitatieovereenkomst 2001 opgenomen bepalingen en subsidiair aan de norm van artikel 6:2 lid 1 BW.

4.3.

Ter onderbouwing van de door haar gestelde onrechtmatige daad heeft Vlasveld aangevoerd dat BP dat in strijd heeft gehandeld met de jegens Vlasveld in acht te nemen zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt, waarbij zij onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van Vlasveld en Vlasveld heeft geschaad.

4.4.

Van het door Vlasveld gestelde handelen van BP zal hieronder per gedraging worden beoordeeld of deze gedraging een toerekenbare tekortkoming dan wel onrechtmatig handelen oplevert.

Prijsbeleid van BP

4.5.

Vlasveld stelt dat BP zodanig hoge handelsprijzen in rekening heeft gebracht, dat deze niet in verhouding stonden tot de economische waarde van de geleverde brandstof. Het is echter niet gesteld of gebleken dat de prijzen niet aan de hand van de landelijk geadviseerde pompprijzen waren berekend, zoals in artikel 3(4) van de Exploitatieovereenkomst 2001 is omschreven. Hierdoor staat niet vast dat BP hogere prijzen aan Vlasveld heeft berekend dat op grond van de Exploitatieovereenkomst 2001 was toegestaan. Dat uit de in artikel 3(4) van de Exploitatieovereenkomst 2001 genoemde berekeningswijze volgt dat er een (aanzienlijk) verschil kon ontstaan tussen de pompprijzen die Vlasveld hanteerde en de prijzen bij het nabijgelegen onbemande BP-tankstation in Oosterhout, maakt niet dat deze bepaling onredelijk is. Op beide stations was immers een verschillend ondernemingsmodel met een verschillend prijsregime van toepassing. Dat Vlasveld meer diende te betalen voor brandstof die door dezelfde tankwagen aan beide tankstations werd geleverd is het gevolg van het verschil in prijsregimes: het is niet gebleken dat Vlasveld is benadeeld door de wijze of volgorde van levering door BP of dat anderszins sprake van schending artikel 3(2) van der Exploitatieovereenkomst 2001. Met betrekking tot de gestelde oneerlijke concurrentie tussen beide tankstations geldt verder dat het BP-station in Oosterhout niet de enige of de meest nabijgelegen concurrent van Vlasveld was. Voorts kon Vlasveld zich van dit onbemande station onderscheiden door service en de aanwezigheid van een winkel.

4.6.

Daarbij geldt dat Vlasveld, om in de lokale omstandigheden concurrerend te zijn, haar pompprijzen kon verlagen en BP kon verzoeken om een bijdrage in de toegepaste korting, zoals omschreven in artikel 5(5) van de Exploitatieovereenkomst 2001. Volgens Vlasveld heeft BP in strijd met dit artikel geweigerd de kortingen op pompprijzen te verlenen. Vlasveld heeft dit standpunt echter slechts onderbouwd met de brief van 5 juni 2014 (zie 2.5), waarin BP heeft laten weten maatregelen te zullen treffen. Door BP is echter gemotiveerd weersproken dat zij het in de brief van 5 juni 2014 aangekondigde voornemen niet heeft uitgevoerd. Door Vlasveld is niet weersproken dat partijen na de afwijzende beschikking van de kantonrechter opnieuw in onderhandeling getreden en volgens BP heeft zij gedurende deze periode het verstrekken van kortingen gecontinueerd. Dit standpunt wordt ondersteund door de als productie 11 bij conclusie van antwoord overgelegde correspondentie. Dat BP de korting op grond van artikel 5(5) heeft geweigerd, staat derhalve niet vast.

4.7.

Tijdens de comparitie van partijen heeft Vlasveld gesteld dat BP geweigerd heeft haar voldoende kortingen te verstrekken, als gevolg waarvan zij onvoldoende marge op de verkoop van motorbrandstoffen kon halen. Uit deze stelling volgt dat er door BP wel degelijk kortingen zijn verleend, maar dat deze naar de mening van Vlasveld kennelijk te laag waren. Het is niet echter gesteld of gebleken dat de door BP verstrekte kortingen niet overeenkomstig de in artikel 5(5) van de Exploitatieovereenkomst 2001 genoemde schaal waren vastgesteld. Ook ten aanzien van het geven van kortingen op pompprijzen kan derhalve – voor zover dit geen discretionaire bevoegdheid betreft – geen tekortkoming van BP worden vastgesteld.

4.8.

Dat de door BP opgelegde prijzen (ondanks eventueel verstrekte pompkortingen) voor Vlasveld in een zodanig ongunstige verhouding stonden tot de waarde van de geleverde motorbrandstof in het economisch verkeer dat het door BP rekenen van deze prijzen – gelet op het exclusieve afnamebeding – naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was, is niet vast komen te staan. In de eerste plaats is door Vlasveld niet betwist dat het afnamebeding niet nietig is op grond van 6 lid 1 Mededingingswet. Daarbij vloeit dit beding voort uit aard van de overeenkomst: BP is immers eigenaar van zowel het tankstation als van het merk. Dat BP misbruik zou maken van een economische machtspositie, is gelet op het voorgaande dan ook niet vast komen te staan en kan op grond van de beschikbare gegevens ook verder niet worden getoetst. Vlasveld doet een beroep op het feit dat zij het tankstation al 40 jaar voor BP exploiteert, maar dat doet niet af aan het feit dat de markt voor motorbrandstoffen verandert, als gevolg waarvan aanpassingen in de oude exploitatieformule (mogelijk) noodzakelijk zijn. Vlasveld en BP zijn daar in de (langdurige) onderhandelingen echter niet uitgekomen. Een en ander maakt echter niet dat BP onrechtmatig of in strijd met de Exploitatieovereenkomst 2001 heeft gehandeld.

Niet verstrekken van adviezen en verlenen van diensten

4.9.

Vlasveld heeft gesteld dat BP in strijd met artikel 5(1) en 5(4) van de Exploitatieovereenkomst 2001 heeft geweigerd (prijs)adviezen te verstrekken en het verlenen van ondersteunende diensten heeft gestaakt. Evenals met betrekking tot de kortingen op de pompprijzen heeft Vlasveld dit standpunt slechts onderbouwd met de brief van 5 juni 2014 (zie 2.5). In overweging 4.6 is reeds is vastgesteld dat BP geen gevolg heeft gegeven aan de in deze brief geformuleerde maatregelen. Uit de als productie 10 bij conclusie van antwoord in het geding gebrachte correspondentie blijkt dat BP pas sinds eind februari/begin maart 2015 de adviserende en ondersteunende zaken heeft gestaakt. Dit was blijkens deze correspondentie echter niet zozeer naar aanleiding van het door Vlasveld weigeren van medewerking aan de wijziging van exploitatievorm van het tankstation (zoals in de brief van 5 juni 2014 was vermeld), maar naar aanleiding van de ontstane – en door Vlasveld niet betwiste – betalingsachterstand, als gevolg waarvan BP eerder al de levering van motorbrandstoffen had opgeschort. Gelet op de omvang van de betalingsachterstand was BP bevoegd haar verplichtingen op grond van artikel 5(1) en 5(4) van de Exploitatieovereenkomst 2001 – voor zover deze niet een discretionaire bevoegdheid van BP bevatten – op te schorten, waardoor niet vast is komen te staan dat BP jegens Vlasveld tekort is geschoten in de nakoming van deze bepalingen.

Incasseren creditcardbetalingen

4.10.

Vlasveld heeft gesteld dat BP in het kader van de op 5 juni 2014 aangekondigde maatregelen op enig moment de door klanten aan Vlasveld gedane creditcardbetalingen (‘routex-/travel-/multicard’) zelf is gaan incasseren (dagvaarding, randnummer 8). Door Vlasveld is echter niet onderbouwd waarom dit handelen onrechtmatig zou zijn dan wel een toerekenbare tekortkoming zou opleveren. Evenmin is duidelijk of dit handelen tot schade voor Vlasveld zou hebben geleid. Dit onderdeel van de vordering is dan ook onvoldoende onderbouwd, waardoor wanprestatie dan wel onrechtmatig handelen van BP met betrekking tot de creditcardbetalingen niet vast is komen te staan.

Weigeren nacalculatie exploitatievergoeding

4.11.

Uit de Exploitatieovereenkomst 2001 blijkt dat Vlasveld BP maandelijks een voorschot op de jaarlijks te berekenen exploitatievergoeding betaalde. Volgens Vlasveld is

BP in gebreke gebleven de exploitatievergoeding over de jaren 2013 en 2014 te berekenen en met het door Vlasveld betaalde voorschot te verrekenen. Door BP is niet weersproken dat Vlasveld recht heeft op de betreffende nacalculatie. Uit het debat tussen partijen is echter onvoldoende duidelijk geworden of BP ten aanzien van deze nacalculatie in verzuim is, nu onder meer niet helder is in hoeverre zij de beschikking heeft gekregen over de voor de berekening van hoogte van de exploitatievergoeding benodigde gegevens. Een tekortkoming van BP kan op dit onderdeel dan ook niet worden vastgesteld.

Bewerkstelligen ontruiming tankstation

4.12.

Uit de stellingen van Vlasveld maakt de rechtbank op dat naar de mening van Vlasveld geen grond was voor de door BP in kort geding gevorderde ontruiming van het tankstation, welke in kort geding met toepassing van het arrest van de Hoge Raad Bakaryildiz/BP (ECLI:NL:HR:1989:AC1687), is toegewezen. Door Vlasveld is echter erkend dat er een betalingsachterstand van € 105.737,52 was ontstaan vooral als gevolg van niet betaalde, maar wel door BP geleverde motorbrandstoffen. Tevens staat vast dat deze motorbrandstoffen door Vlasveld zijn doorverkocht, maar dat van de opbrengst andere crediteuren dan BP zijn betaald. Hierdoor is sprake van een tekortkoming die ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt. Dat de betalingsachterstand slechts voor een relatief gering deel bestond uit achterstallige exploitatievergoeding doet daar niet aan af: de exclusieve afnameverplichting blijft immers een belangrijk onderdeel van de tegenprestatie van Vlasveld aan BP voor het gebruik van het tankstation, zoals bepaald in het hierboven aangehaalde arrest. Dat de achterstallige exploitatievergoeding tijden het kort geding zou zijn ingelopen, maakt eveneens geen verschil. De latere nakoming maakt de tekortkoming in het verleden immers niet ongedaan (ECLI:NL:HR:2002:AD4925).

4.13.

Voor zover de stellingen van Vlasveld (onder randnummer 16 van de dagvaarding) aldus begrepen moeten worden dat Vlasveld van mening is dat BP jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld door in kort geding ontruiming te vorderen dan wel zich in deze procedure op het genoemde arrest van de Hoge Raad te beroepen, overweegt de rechtbank als volgt. Het bepleiten van een standpunt bij de rechter is een fundamenteel recht, waarvan de uitoefening slechts bij hoge uitzondering onrechtmatig zal zijn. Deze processuele bevoegdheid wordt immers slechts begrensd door artikel 3:13 BW. Het enkele feit dat Vlasveld een andere juridische interpretatie heeft van de betekenis van het arrest betekent in ieder geval niet dat sprake is van onrechtmatigheid door misbruik van bevoegdheid.

Weigeren beëindigingsvergoeding

4.14.

Vlasveld heeft gesteld dat BP haar gelet op de eisen van redelijkheid en billijkheid een beëindigingsvergoeding had behoren aan te bieden bij het staken van de exploitatie van het tankstation. Volgens Vlasveld was een dergelijke vergoeding op zijn plaats op grond van de langdurige relatie tussen partijen (40 jaar) en het feit dat Vlasveld in hoge mate afhankelijk was van BP. Tijdens de comparitie van partijen heeft Vlasveld gesteld dat BP een vergoeding op grond van artikel 7:308 BW verschuldigd is.

4.15.

De in artikel 7:308 BW genoemde vergoeding is niet op de onderhavige zaak van toepassing, nu de verhuurder deze slechts verschuldigd kan worden bij opzegging door de verhuurder en dus niet bij een vordering tot ontruiming, vooruitlopend op de ontbinding van de huurovereenkomst. Daarbij geldt dat bovendien dat onvoldoende is onderbouwd dat er sprake was van goodwill: de locatie en het merk waren immers al eigendom van BP. Voor een andere, op redelijkheid en billijkheid gebaseerde vergoeding is evenmin plaats. De toegewezen ontruiming en thans gevorderde ontbinding van de Exploitatieovereenkomst 2001 waren immers het gevolg van een tekortkoming van Vlasveld. Het uitblijven van een voor Vlasveld aanvaardbaar onderhandelingsresultaat vormt, gelet op de in overweging 4.5 tot en met 4.8 omschreven veranderde marktomstandigheden, evenmin aanleiding tot een vergoeding.

Conclusie

4.16.

Uit het voorgaande volgt dat het handelen van BP geen toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de Exploitatieovereenkomst 2001 dan wel een onrechtmatig daad oplevert. De vorderingen tot het afgeven van verklaring voor recht en het toekennen van schadevergoeding zullen daarom worden afgewezen.

4.17.

Vlasveld zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van BP worden begroot op:

- griffierecht € 613,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.517,00

4.18.

Voor een zelfstandige veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten (€ 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Vlasveld niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak) een executoriale titel oplevert.

in reconventie

4.19.

Beoordeeld moet worden of de Exploitatieovereenkomst 2001 ontbonden dient te worden. Tussen partijen staat vast dat deze overeenkomst tussen hen is blijven gelden, nu de opschortende voorwaarde in de Exploitatieovereenkomst 2013 niet in vervulling is gegaan (zie overweging 4.2).

4.20.

BP heeft gesteld dat de ontbinding van de Exploitatieovereenkomst 2001 gerechtvaardigd is, omdat Vlasveld jegens BP in de nakoming van haar verplichtingen op grond van deze overeenkomst tekort is geschoten. De ontruiming van het tankstation heeft reeds plaatsgevonden naar aanleiding van het vonnis van de voorzieningenrechter van 1 mei 2015.

4.21.

Bij de beoordeling van het geschil in conventie is reeds vastgesteld dat Vlasveld toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de Exploitatieovereenkomst 2001. Deze tekortkoming rechtvaardigt ontbinding van de overeenkomst, zie overweging 4.12. Voor de door Vlasveld genoemde beëindigingsvergoeding is geen plaats, zie overweging 4.15. De ontbinding van de Exploitatieovereenkomst zal daarom worden toegewezen, zonder toekenning van een vergoeding aan Vlasveld. Nu de ontbinding van een huurovereenkomst slechts door de rechter kan worden uitgesproken, geldt deze vanaf de datum van deze uitspraak.

4.22.

Vlasveld zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van BP worden begroot op € 452,00 aan salaris voor de advocaat (2,0 punten × factor 0,5 × tarief € 452,00).

4.23.

Voor een zelfstandige veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten (€ 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Vlasveld niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak) een executoriale titel oplevert.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt Vlasveld in de proceskosten, aan de zijde van BP tot op heden begroot op € 1.517,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 14 dagen na uitspraak van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

5.4.

ontbindt de Exploitatieovereenkomst 2001 tussen Vlasveld en BP,

5.5.

veroordeelt Vlasveld in de proceskosten, aan de zijde van BP tot op heden begroot op € 452,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 14 dagen na uitspraak van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.6.

verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. van den Bergh en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2016.

2711/2504