Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:6949

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-08-2016
Datum publicatie
08-09-2016
Zaaknummer
10/701120-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beschikking ex art 34 Sv. Rechter-commissaris beslist dat aan verdediging alsnog verzochte afschriften van auditieve opnamen van verhoren worden verstrekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2016/211

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

BESCHIKKING EX ARTIKEL 34 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

parketnummer: 10/701120-16

De rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Rotterdam heeft een bezwaarschrift ontvangen in de strafzaak tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

domicilie kiezend ten kantore van zijn raadsman aan de Koninginnegracht 19 te (2514AB) ’s-Gravenhage.

Procesgang

De raadsman van verdachte, mr. S. van der Eijk, heeft op 22 juli 2016 een bezwaarschrift ingediend op voet van artikel 30, lid 4 juncto artikel 32, lid 4 van het Wetboek van Strafvordering (Sv).

De raadsman heeft verzocht gehoord te worden op zijn bezwaar. Ten kabinette heeft hij op 22 augustus 2016 het bezwaarschrift nader toegelicht en onderbouwd. Daaraan voorafgaand heeft hij kennis genomen van het laatste bericht van de officier van justitie d.d. 15 augustus 2106. De officier van justitie had vooraf aangegeven verhinderd te zijn.

De officier van justitie is in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken. De officier van justitie heeft gereageerd op een nadere vraag om informatie van de rechter-commissaris.

Standpunten

Standpunt van de raadsman:

Op de gronden zoals verwoord in het bezwaarschrift van 22 juli 2016 (bijlage 01) heeft de verdediging de rechter-commissaris verzocht de officier van justitie op te dragen aan de verdediging alsnog de verzochte afschriften te verstrekken van de auditieve opnamen van de navolgende verhoren:

• het verhoor van getuige/verdachte [X] van 19 april 2016;

• het verhoor van aangever [Y] van 16 februari 2016, alsmede

• het verhoor van getuige [Z] van 17 februari 2016.

Aanvullend op het bezwaarschrift heeft de raadsman een e-mailbericht toegezonden d.d. 29 juli 2016 (bijlage 02).

Ten kabinette heeft de raadsman op 22 augustus 2016 aanvullend aangevoerd dat de kern van het bezwaar is gelegen in een verschillende interpretatie van artikel 32, 1e lid Sv. Nu kennisneming van de stukken door de officier van justitie is toegestaan op voet van artikel 34 Sv, dient hij afschrift daarvan te verstrekken op voet van artikel 32 Sv. Voorts zijn de gevolgen van de uitleg van de officier van justitie dat de mogelijkheden van de verdediging te zeer worden beperkt. Wanneer de kennisneming beperkt wordt tot het op het politiebureau uitluisteren van de opnames van de drie verhoren, is sprake van schending van het beginsel van ‘equality of arms’. Het gaat in totaliteit om drie uur en zes minuten en het zal niet zo zijn dat die verhoren in één keer worden uitgeluisterd. Er zal geregeld teruggespoeld moeten worden om te controleren wat er gehoord wordt. Dat brengt mee dat er meerdere dagdelen doorgebracht moeten worden op het politiebureau. Desgevraagd komt de raadsman terug op zijn stelling dat hij de verdachte niet voldoende kan informeren aangezien het inderdaad mogelijk is dat de verdachte met hem van de opnames kennis neemt op het politiebureau. Maar het maken van de afspraken daarvoor is (te) zeer bewerkelijk.

Er zijn namens de verdediging nog twee verzoeken gedaan, waarop de officier van justitie nog moet beslissen en één van die verzoeken ziet op het uitluisteren van de opnames die getuige [X] zelf gemaakt heeft. Dat bij dit verzoek optellend, komt de verdediging in een welhaast onmogelijke situatie terecht om alles op het politiebureau uit te luisteren. Het bezwaar richt zich evenwel alleen tegen de beslissing van de officier van justitie ten aanzien van de drie in het bezwaarschrift genoemde verhoren.

Aan het door de officier van justitie opgeworpen punt van de bescherming van de privacy van betrokkenen wil de raadsman tegemoet komen door de toezegging dat hij geen (kopieën van de) bestanden aan iemand zal verstrekken, ook niet aan zijn eigen cliënt.

Standpunt van de officier van justitie:

De officier van justitie heeft in zijn bericht d.d. 4 augustus 2016 (bijlage 03) zijn standpunt gegeven over het bezwaarschrift. De officier van justitie heeft in zijn bericht van 15 augustus 2016 (bijlage 04) verzocht mede acht te slaan op een uitspraak van (de rechter-commissaris in) de rechtbank Gelderland van 17 juni 2016 (ECLI:NL:RBGEL:2016:3333).

Beoordeling

Overwegingen met betrekking tot de ontvankelijkheid, tevens preluderende overwegingen met betrekking tot de toepasselijke regeling

De raadsman heeft ter zake de ontvankelijkheid zich primair op het standpunt gesteld dat er geen sprake zou zijn van een overschrijding van de termijn waarbinnen bezwaar tegen de beslissing tot het niet verstrekken van afschrift van stukken waarvan de verdachte de kennisneming is toegestaan. Het bezwaarschrift d.d. 22 juli 2016 is immers gericht tegen de beslissing van de officier van justitie van 8 juli 2016 op het verzoek van de raadsman van 30 juni 2016. Dat verzoek moet worden aangemerkt als een nieuw verzoek waarin primair wordt verzocht om afschriften en subsidiair om kennisneming.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat er tijdig bezwaar is gemaakt tegen het voortduren van de onthouding van stukken.

Zijdens het Openbaar Ministerie is geen beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van de verdachte.

Alvorens de rechter-commissaris zich kan uitlaten over een punt van algemene orde als de ontvankelijkheid, moet hij zich uitlaten over welke regeling van toepassing is en welke beslissingen daarin al dan niet genomen zijn.

Uit de correspondentie van de raadsman en de officier van justitie (bijlage 05) wordt duidelijk dat de raadsman op 1 juni 2016 heeft bevestigd dat hij “de audiotapes in bovenstaande zaak” wil kunnen beluisteren. Daarnaast heeft hij in dat bericht verzocht om de drie afschriften – dan nog genoemd “kopieën” – van de onderwerpelijke drie verhoren.

Op 3 juni 2016 heeft de officier van justitie bericht dat in zijn visie de opnames van de verhoren geen processtukken zijn als bedoeld in artikel 32 Sv, zodat “van afschriftverstrekking (…) dan ook geen sprake (kan) zijn.” De officier van justitie heeft aangegeven dat de opnamen van de verhoren andere stukken zijn, zoals bedoeld in artikel 34, tweede lid, Sv, waarvan kennis genomen kan worden op het politiebureau. Hij heeft aangegeven bereid te zijn de politie op te dragen de raadsman daartoe in de gelegenheid te stellen.

De raadsman heeft in zijn bericht van 10 juni 2016 gepersisteerd in zijn standpunt dat hij op voet van artikel 32 Sv recht heeft op een afschrift en geeft de officier van justitie tot 15 juni 2016 om zijn beslissing – die hij in de ogen van de raadsman dus kennelijk genomen heeft – te herzien, alvorens de raadsman bezwaar zal maken bij de rechter-commissaris. De officier van justitie heeft die dag per kerende mail aangegeven het niet eens te zijn met de uitleg die in de door de raadsman aangevoerde beslissing van de rechter-commissaris in het kabinet in de rechtbank Gelderland is gegeven aan artikel 32 Sv. Dit bericht kan niet anders worden opgevat dan dat de officier van justitie daarmee in zijn beslissing volhardde.

Toch heeft de raadsman op 30 juni 2016 nogmaals herhaald dat aan hem een afschrift van de verhoren verstrekt moet worden en dat hem dat klaarblijkelijk geweigerd wordt. Daartegen heeft hij aanvullende bezwaren aangevoerd en de officier van justitie verzocht – andermaal – zijn beslissing te herzien. Als de officier van justitie daartoe niet bereid zou zijn, dan zag de raadsman dat graag verwoord in een kennisgeving onthouding. En wederom heeft de raadsman verzocht – subsidiair – om kennisneming van de verhoren. Op 6 juli heeft de raadsman – naar aanleiding van een ander bericht in deze zaak van de officier van justitie d.d. 3 juli 2016 (niet ter beschikking van de rechter-commissaris) – gevraagd om een reactie op zijn mail van 30 juni 2016. Hierop heeft de officier van justitie aangegeven dat de inhoud van de mail van 30 juni geen aanleiding was om terug te komen op zijn standpunt zoals verwoord in zijn e-mail van 3 juni.

De rechter-commissaris is van oordeel dat als er in deze procedure sprake is van een beslissing op voet van artikel 32 Sv, te weten dat de officier van justitie heeft bepaald dat van bepaalde stukken of gedeelten daarvan geen afschrift wordt verstrekt, dat dan in de hiervoor weergegeven correspondentie het bericht van de officier van 3 juni 2016 bezwaarlijk anders kan worden opgevat als de schriftelijke mededeling dat van bepaalde stukken geen afschrift wordt verstrekt. Tegen die beslissing had de verdachte en/of de raadsman moeten opkomen binnen 14 dagen. Die termijn is van openbare orde en verstreken.

Het inhoudelijk gelijkluidende verzoek van 30 juni 2016 is geen op zichzelf staand verzoek waarop de officier van justitie in zijn bericht van 8 juli 2016 een voor bezwaar openstaande beslissing heeft gegeven.

Van onthouding van kennisneming van stukken, als bedoeld in artikel 30 Sv, is geen sprake. Van meet af aan heeft de officier van justitie kenbaar gemaakt dat er van de opnamen van de verhoren kennisgenomen kan worden. Sterker nog, de raadsman heeft aangeven dat hij daarmee al een aanvang heeft genomen, maar dat hij tegen praktische bezwaren oploopt. Ook aldus wordt niet het overschrijden van de termijn voor het instellen van bezwaar gesauveerd, als had de raadsman bezwaar gemaakt tegen het voortduren van onthouding.

De rechter-commissaris volgt evenwel de officier van justitie in zijn betoog dat er hier geen sprake is van ‘processtukken’ als bedoeld in artikel 32 Sv, maar van ‘andere stukken’, als bedoeld in artikel 34 Sv ( i.e. “specifiek omschreven stukken die (de verdachte) van belang acht voor de beoordeling van de zaak”) en dat die twee regelingen niet op dezelfde stukken zien. Onderbouwing van dat standpunt volgt hierna. Over de wijze waarop en de termijn waarbinnen bezwaar gemaakt moet worden tegen een beslissing van de officier van justitie op voet van artikel 34 Sv geeft de regeling zelf geen uitsluitsel. Die omstandigheid werkt in het voordeel van de verdachte, want van niet-ontvankelijkheid op grond van termijnoverschrijding kan dan ook geen sprake zijn. En dat er tegen een beslissing van de officier van justitie omtrent kennisneming een bezwaarschriftprocedure openstaat bij de rechter-commissaris, moet volgen uit de systematiek van de wet.

De verdachte is ontvankelijk in zijn bezwaar tegen de beslissing van de officier van justitie om in het kader van kennisneming van stukken als bedoeld in artikel 34 Sv geen afschrift te verstrekken van de stukken waarvan kennisneming is toegestaan.

Overwegingen met betrekking tot de toepasselijke regeling

De verschil in de standpunten van de raadsman en de officier van justitie ziet uiteindelijk op de vraag of stukken als bedoeld in artikel 34 waarvan de officier van justitie de kennisneming toestaat óók stukken zijn als bedoeld in artikel 32 Sv en de vraag of daarmee dan ook gegeven dat er een recht bestaat op afschriftverstrekking van die stukken. De raadsman verzet zich tegen de weigering van de officier

Allereerst is van belang wat de wetgever (mogelijk) voor ogen heeft gestaan.

Met de invoering van de wet Herziening regels betreffende de processtukken in strafzaken (KST-32468) op 1 januari 2013 is artikel 34 Sv van kracht geworden in de thans geldende vorm. Uit de memorie van toelichting bij die wet (32 468 nr. 3) volgt dat de wetgever het volgende voor ogen stond: “wetswijzigingen die tot uiteindelijk doel hebben te komen tot een volledige herstructurering van het vooronderzoek. Uitgangspunt is daarbij dat het wetboek uitdrukking moet geven aan een juiste afweging van de verschillende belangen van procesdeelnemers als de verdachte, getuigen, deskundigen en slachtoffers, zonder dat daardoor het belang van het onderzoek en dat van de waarheidsvinding in het gedrang komen. Daartoe moet steeds een nieuwe afweging van die belangen worden gemaakt.” (pag. 3) Met betrekking tot de processtukken wordt het volgen opgemerkt: “Het wetsvoorstel beoogt ook niet een verdere versterking van het recht van de verdachte op de processtukken. Het uitgangspunt van het wetboek is thans reeds dat de verdachte in beginsel recht heeft op inzage in alle processtukken. Onderhavig wetsvoorstel wil het beperkt aantal uitzonderingen op deze algemene regel, die in loop der tijd jurisprudentieel zijn aanvaard, nader normeren en voorzien van waarborgen die ook de positie van de verdediging verstevigen als zich een dergelijk uitzonderingsgeval voordoet.” (pag. 4)

Ten aanzien van de regeling in artikel 34 Sv is het volgende te lezen: “De inhoud van het procesdossier is voor de verdachte van groot belang. Niet alleen omdat hij zich op basis daarvan een beeld kan vormen van de belastende en ontlastende informatie die te zijnen aanzien bestaat. Het stelt hem ook in de gelegenheid zijn verdediging daarnaar in te richten en invloed uit te oefenen op de loop van het onderzoek. In dat kader kan de verdachte er baat bij hebben dat bepaalde informatie aan het dossier wordt toegevoegd. Voorgesteld wordt om de mogelijkheid van een actieve betrokkenheid van de verdediging bij de samenstelling van de processtukken nader in de wet te expliciteren. Daartoe wordt een bevoegdheid geïntroduceerd op grond waarvan de verdachte kan verzoeken om bepaalde stukken bij de processtukken te voegen.” (pag. 7) In § 5.4 wordt de betekenis van de voorziening (als gegeven in artikel 34 Sv, toevoeging rechter-commissaris) nader uiteengezet.

De wetgever geeft zich rekenschap van het belang en de invloed van de uitspraken van het EHRM en merkt op dat uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) kan worden afgeleid dat dit Hof van oordeel is dat het recht op kennisneming van de processtukken ook overigens rechtstreeks voortvloeit uit het recht op een «fair trial» en het daarmee samenhangende recht op «equality of arms». In relatie tot de zeggenschap over de samenstelling van de processtukken wordt verwezen naar de zaak Edwards, waarin het Hof bepaalde dat de vervolgende autoriteiten alle relevante informatie, zowel de belastende als ontlastende, aan de verdediging ter beschikking moeten stellen, maar dat dit evenwel niet betekent dat de verdediging een onbeperkt recht op stukken heeft, zoals het Hof bijvoorbeeld oordeelde in de zaak Jasper. (pag. 11 en 12)

In § 5.2 wordt vervolgens ingegaan op het recht op kennisneming van processtukken en de wijze waarop dat geregeld is in artikel 30 Sv. Er wordt voor wat betreft de termijnstelling – opdracht aan de officier van justitie om binnen een bepaalde termijn aan een op hem rustende verplichting te voldoen – een parallel getrokken met de procedure van artikel 34 Sv. Nota bene, hier wordt niet gesteld dat dit gelijke bepalingen zijn, maar dat voor wat betreft de termijnstelling en de rol van de rechter-commissaris daarin de bepalingen gelijkvormig geacht moeten worden te zijn. Opgemerkt dient overigens ook te worden dat aan het ontbreken van een bezwaarprocedure in artikel 34 Sv geen woord gewijd wordt.

Dan wordt aan het einde van § 5.3 (handelend over tijdelijke geheimhouding van stukken) de aanzet gegeven voor het onderhavige onderwerp, te weten in hoeverre en de wijze de kennisneming van stukken die niet bij de processtukken zijn gevoegd, nadere wettelijke regeling behoeft. Onder verwijzing naar het arrest van de HR van 7 mei 1996 (HR 7 mei 1996, NJ 1996, 687 m.nt. Sch) wordt onderschreven dat de beginselen van een behoorlijke procesorde meebrengen dat de verdediging in beginsel de kennisneming van voor de beoordeling van die vragen van belang zijnde, (nog) niet tot de processtukken behorende, documenten niet mag worden onthouden, maar dat van de verdediging verlangd mag worden dat zij aangeeft op welke stukken zij het oog heeft (HR 17 oktober 1995, NJ 1996, 147). “Dat kan onder omstandigheden een lastige opgave vormen. De verdediging is immers doorgaans niet op de hoogte van de mogelijk relevante stukken die buiten het procesdossier worden bewaard (vgl. ook HR 16 november 1999, NJ 2000, 214, m.nt. JR). Dat pleit ervoor om de verdachte op dit punt meer handvatten te bieden.” (pag.26) De daarvoor benodigde wettelijke voorzieningen is uitgewerkt in § 5.4.

In dezen is het volgende van belang: “De verdediging wordt een algemene bevoegdheid toegekend tot het doen van een verzoek tot voeging van nader door hem aangeduide stukken bij de processtukken (artikel 34 Sv). Deze bevoegdheid staat naast het recht op kennisneming van de (bestaande) processtukken. De officier van justitie toetst ingeval van een dergelijk verzoek het materiaal aan het relevantie-criterium en beslist aan de hand daarvan over het voegen.” (pag. 27)

Nadrukkelijk wordt aangegeven dat artikel 34 Sv ook betrekking heeft op stukken die in het bezit zijn van de officier van justitie. Over de vraag hoe er kennis genomen kan worden, laat de wetgever zich op die plek niet uit. In de artikelsgewijze toelichting, te weten in de toelichting op artikel 137 Sv, handelend over de kennisneming van processtukken, wordt gewag gemaakt van een voornemen om te komen tot een nadere regeling van het verstrekken van afschriften bij algemene maatregel van bestuur.

Zoals ook de rechter-commissaris in de rechtbank Gelderland in zijn beschikking van 17 juni 2016 heeft overwogen (ECLI:NL:RBGEL:2016:3333) kan in de invulling van het Besluit processtukken in strafzaken (Besluit van 15 december 2011, Stb. 2011, 602) richting gevonden worden voor het antwoord op de vraag hoe de wetgever de wijze van kennisneming van ‘artikel 34-stukken’ ziet én bevestiging voor de gedachte dat de wetgever ‘artikel 34-stukken’, zijnde “specifiek omschreven stukken die hij (de verdachte) van belang acht voor de beoordeling van de zaak” beschouwt als andere stukken dan ‘artikel 32-stukken’, “stukken waarvan hem (de verdachte) de kennisneming is toegestaan”. In § 3 van het Besluit processtukken in strafzaken, getiteld “Kennisneming van stukken” wordt immers expliciet onderscheid gemaakt in “de processtukken dan wel van de stukken, bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de wet” In artikel 4 en 5 wordt beschreven hoe van die stukken kennis genomen kan worden. De daaropvolgende paragraaf §4, getiteld “Afschrift van processtukken”, rept alleen over “processtukken”. Artikel 32 Sv beoogt aldus bezien niet te zien op stukken waarvan de kennisneming is toegestaan, als bedoeld in artikel 34 Sv. En artikel 32 Sv biedt dus ook geen grondslag voor de stelling dat de officier van justitie daartoe wettelijk verplicht zou zijn.

De vraag die vervolgens aan de rechter-commissaris voorligt, is de beslissing van de officier van justitie om geen afschrift van de ‘artikel 34-stukken’ te willen verstrekken, in redelijkheid door hem genomen had kunnen worden.

De officier van justitie stelt van wel en heeft ter adstructie verwezen naar de volgende uitspraken:

• Rechtbank Rotterdam, 05-12-2014, ECLI:NL:RBROT:2014:10794

• Rechtbank Gelderland, 17-06-2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:3333

en een ongepubliceerde uitspraak van de wrakingskamer in de rechtbank Rotterdam.

De raadsman stelt van niet en heeft verwezen naar de volgende uitspraken:

• Rechtbank ’s-Gravenhage, 26-06-2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BX8823

• Rechtbank Gelderland, 29-03-2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:2610

Over de motivering van de officier van justitie moet allereerst het volgende worden opgemerkt. Welbeschouwd is de enige expliciete onderbouwing van de weigering de verwijzing naar het niet bestaan van een recht op afschrift zoals gegeven in artikel 32 Sv. Dat is een gemankeerde, want omgekeerde redenering. De omstandigheid dat geen recht op afschrift bestaat, onderbouwt op zichzelf bezien niet het standpunt dat de officier van justitie het verstrekken van afschrift mag weigeren. Gesteld noch juist is dat het ontbreken van een wettelijk recht op afschrift aan het verstrekken van afschrift in de weg staat. In dit verband verdient opmerking dat het nog niet in werking getreden Besluit processtukken in strafzaken als richtinggevend gezien kan worden voor de bedoelingen van de wetgever, maar – gelet op de status van dit AMVB – zeker niet als maatgevend of solide sluitstuk voor deze redenering van de officier van justitie.

De vraag is vervolgens of er andere gronden gegeven of evident aan de orde zijn om het verstrekken van afschrift te weigeren. Het antwoord daarop is ontkennend.

Het gaat in strafzaken gemeenlijk om stukken waarbij het belang van de bescherming van persoonsgegevens al snel aan de orde is. De grondgedachte dat die stukken niet zo maar verstrekt moet worden, is daarom geen onredelijke. Maar evenzeer moet voor ogen gehouden worden dat het uitgangspunt moet en kan zijn dat dat belang door alle procespartijen in voldoende mate wordt onderkend en dat er prudent met stukken – al dan niet ‘proces’stukken – wordt omgegaan. En voorts moet dit belang worden afgewogen tegen de andere belangen die spelen in een strafzaak, waaronder een toegang tot het procesdossier die tegemoet komt aan het beginsel van ‘equality of arms’ en het fair trial-beginsel. Ook in de hiervoor aangehaalde wetsgeschiedenis wordt hiervan uitgegaan.

Het ligt derhalve telkens aan de aard van de stukken en de omstandigheden van de zaak of het opwerpen van een belemmering in de vrije toegang tot stukken toegelaten is.

De officier van justitie heeft in de voorafgaande correspondentie zijn beslissing om het verstrekken van afschrift te weigeren onderbouwd door te verwijzen naar de mogelijkheden die de verdediging geboden worden om kennis te nemen. Met zijn verwijzing naar jurisprudentie lijkt hij te willen wijzen op het belang van de bescherming van persoonsgegevens, maar dat standpunt wordt niet nader toegelicht.

In dit geval is er sprake van een verzoek van de verdediging om kennis te nemen van de geluidsopnamen van 3 uur en 6 minuten verhoor van drie getuigen en/of aangevers. De praktijk van het uitluisteren van verhoren brengt met zich mee dat de raadsman en de verdachte daar ten minste twee dagdelen aan kwijt zullen zijn. Want een opname laat zich niet in één keer integraal uitluisteren en er komt heen en weer reistijd bij. Een en ander wordt nog gecompliceerd door de moeite die de verdediging en de verdachte zich moeten getroosten om hun agenda’s te plooien naar een gezamenlijk moment om dat te doen óf de verdachte moet over de band van zijn advocaat indirect kennisnemen. Dit zijn ontegenzeggelijk belemmeringen. Waarom zou de verdediging die moeten accepteren?

De persoonsgegevens van deze drie personen zijn inderdaad aan de orde, maar daarbij moet worden opgemerkt dat van die drie personen twee personen in meer of minder mate ervoor hebben gekozen om met de politie in gesprek te gaan. En er is het belang van de verbalisanten, maar van hun mag als professioneel betrokkenen verwacht worden dat zij met de verspreiding van geluidsopnamen aan een advocaat rekening hebben gehouden. Het gaat voorts om geluidsopnamen van verklaringen die in geschreven vorm deel uitmaken van het procesdossier. Voor zover er in zijn algemeenheid sprake is van de noodzaak om dit soort persoonsgegevens te beschermen, dan is die noodzaak minder zwaarwegend dan de belemmering die wordt opgeworpen. Als er andere gevaren voor de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen concreet te vrezen zijn, dan had het op de weg van de officier van justitie gelegen die te duiden.

Beslissing

De rechter-commissaris komt tot de slotsom dat de beslissing van de officier van justitie om geen afschrift te verstrekken van de gevraagde geluidsopnames in redelijkheid niet aldus genomen had mogen worden en beslist dat aan de verdediging alsnog de verzochte afschriften worden verstrekt van de auditieve opnamen van de navolgende verhoren:

• het verhoor van getuige/verdachte [X] van 19 april 2016;

• het verhoor van aangever [Y] van 16 februari 2016, alsmede

• het verhoor van getuige [Z] van 17 februari 2016

Aldus gedaan te Rotterdam op 29 augustus 2016

mr. M. van Kuilenburg

rechter-commissaris

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.