Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:6943

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-09-2016
Datum publicatie
09-09-2016
Zaaknummer
C/10/505405 / KG ZA 16-766
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering vrouw tot medewerking man aan echtscheiding naar Islamitisch recht (Sharia). Onrechtmatige daad? Vordering afgewezen, nu huwelijksvermogensrechtelijke consequenties van toewijzing niet zijn te overzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2016/136 met annotatie van mr. dr. I. Sumner
PFR-Updates.nl 2016-0240
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/505405 / KG ZA 16-766

Vonnis in kort geding van 9 september 2016

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende op een geheim adres,

eiseres,

advocaat mr. S. Kandemir te Dordrecht,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

verschenen in persoon.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de overgelegde producties

  • -

    de mondelinge behandeling op 1 september 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn op 7 februari 2009 te Mashhad, Iran, gehuwd. Uit het huwelijk is één thans nog minderjarig kind geboren, op 4 november 2012. Dit kind verblijft thans bij de vrouw.

2.2.

De rechtbank Rotterdam heeft, in een procedure op tegenspraak, bij beschikking van 29 januari 2016 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. In deze beschikking staat dat de man de Afghaanse nationaliteit heeft en de vrouw de Nederlandse nationaliteit. De echtscheidingsbeschikking is op 2 juni 2016 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. In deze beschikking is het verzoek van de vrouw om aan haar het eenhoofdig gezag over het kind toe te kennen en het verzoek van de man dat het kind hoofdverblijfplaats zal hebben bij hem, aangehouden één en ander in afwachting van rapportage door de Raad voor de Kinderbescherming. Op het punt van de verdeling is overwogen dat tussen partijen in geschil is welk recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen en dat onduidelijkheid bestaat over de nationaliteit van de vrouw ten tijde van het sluiten van het huwelijk. Ook op dit punt is de beslissing aangehouden nadat partijen hadden aangegeven te zullen onderzoeken welke nationaliteit de vrouw ten tijde van het sluiten van het huwelijk had en dat zij zouden trachten afspraken te maken over de afwikkeling van hun huwelijksvermogensregime.

3 Het geschil

3.1.

De vrouw vordert, samengevat, veroordeling van de man:

- om medewerking te verlenen aan het bewerkstelligen van een echtscheiding naar islamitisch recht, doordat de man zijn recht op Talak aan de vrouw geeft zodat de vrouw zelf de echtscheiding kan bewerkstelligen, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

- tot afgifte aan de vrouw van 12 goudstaven van ieder één kilo;

- tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 7.000,- betreffende de bruidsschat bestaande uit de pelgrimsreizen naar Mekka en naar Kerbela;

En voor wat betreft de inboedel:

- primair tot afgifte van een aantal in de dagvaarding omschreven (inboedel)goederen, waaronder goederen van de kinderkamer, kinderkleding, kleding van de vrouw, goederen uit de slaapkamer, een babywagen en overige inboedelgoederen;

- subsidiair, voor het geval de man stelt dat hij niet in het bezit is van voornoemde goederen, veroordeling van de man om aan de vrouw een bedrag van € 10.000,- te betalen.

De vrouw stelt daartoe het volgende.

3.2.

De vrouw is volgens islamitisch recht nog steeds gehuwd en de man weigert zijn medewerking te verlenen aan een echtscheiding naar islamitisch recht. Hierdoor wordt de vrouw ernstig beperkt in haar persoonlijke vrijheid. Zij kan niet met een andere man in het huwelijk treden en niet alleen naar een islamitisch land reizen, omdat zij dan als overspelige echtgenote zal worden aangemerkt, ook al heeft zij voor geen van beide concrete plannen. De vrouw beroept zich op het arrest van de Hoge Raad van 22 januari 1982, NJ 1982/489.

De vrouw vordert daarnaast afgifte van de bruidsschat zoals overeengekomen in de huwelijksakte. Deze bestaat uit 12 goudstaven van 1 kilogram per stuk en pelgrimstochten naar Mekka en Kerbala. Hoewel de procedure omtrent de verdeling van de gemeenschap nog aanhangig is bij de familiekamer wil de vrouw de inboedel vast verdelen. Zij heeft inmiddels een eigen woning toegewezen gekregen, maar geen financiële middelen om nieuwe inboedelgoederen aan te schaffen. De man heeft alle inboedel en daarnaast alle spullen van het kind, waar hij niet voor zorgt, onder zich. Dit is niet redelijk. Als de man stelt dat hij de door de vrouw verlangde goederen niet heeft, maakt de vrouw aanspraak op een bedrag van € 10.000,-. De vrouw stelt dat de aanschafwaarde van deze goederen

€ 30.000,- is.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Ter zitting is de man verschenen, zonder advocaat. De man heeft ter zitting verzocht om aanhouding van de zitting. De man heeft daartoe gesteld dat hij bijstand verlangde van een tolk omdat hij de Nederlandse taal niet voldoende machtig was en voorts bijstand van een advocaat verlangde. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek niet gehonoreerd en de zaak ter zitting behandeld. Daarbij heeft voorzieningenrechter in acht genomen dat de dagvaarding dateert van 14 juli 2016 en aan de man in persoon is betekend. Dat is ongeveer anderhalve maand voorafgaand aan de zitting. De man heeft aldus voldoende tijd gehad om zich zo nodig te voorzien van rechtsbijstand en van een tolk. Uit de omstandigheid dat de man ter zitting is verschenen kan worden geconcludeerd dat de man kennis droeg van de onderhavige procedure. Het is niet aan de voorzieningenrechter maar aan de man zelf om een tolk in te schakelen. Dit is vastgelegd in artikel 11 lid 4 van het “Procesreglement kort gedingen rechtbanken handel/familie.” Voorts is meegewogen dat de wederpartij bezwaar heeft aangetekend tegen aanhouding van de zaak.

4.2.

Voor zover de vrouw een spoedeisend belang heeft bij haar vordering inzake de echtscheiding naar islamitisch recht – daartegen pleit dat de vrouw zelf stelt dat zij geen concrete plannen heeft om af te reizen naar een islamitisch land of een nieuw huwelijk aan te gaan maar daarvoor pleit dat zij zonder echtscheiding naar islamitisch recht ernstig in haar persoonlijke vrijheid wordt beperkt – kan haar dat niet baten. De desbetreffende vordering zal worden afgewezen.

De voorzieningenrechter heeft aan de vrouw, en aan haar advocaat, ter zitting voorgehouden dat zij aanneemt dat naar op het huwelijk van partijen toepasselijke islamitisch recht, verschillende vormen van beëindiging mogelijk zijn: verstoting van de vrouw door de man (talak) en daarnaast de khul. De verschillen tussen beide vormen houden verband met de vraag wie het initiatief voor de beëindiging neemt – bij de talak is dat de man en bij de khul de vrouw – en daarnaast is er een verschil in financiële gevolgen in die zin dat bij de khul de vrouw afstand doet (of pleegt te doen) van de financiële aanspraken die zij bij huwelijksontbinding heeft of de man financieel compenseert.

Het heeft derhalve (huwelijks-)vermogensrechtelijke consequenties al naar gelang de echtscheiding plaatsvindt door talak dan wel door khul. Desgevraagd stelden de vrouw en haar raadsman dat zij bekend zijn met deze verschillende vormen van beëindiging van een islamitisch huwelijk. Hoewel zij daarbij stelden dat een en ander ten aanzien van het huwelijk van partijen anders zou liggen, konden zij niet aangeven welke huwelijksvermogensrechtelijke consequenties, en consequenties voor eventuele verplichtingen ten aanzien van de bruidsschat, de beëindiging van het huwelijk van partijen door een talak dan wel door een khul zal hebben. In aanmerking nemende dat in de bodemprocedure nog onderzoek plaatsvindt naar het recht dat van toepassing is op het huwelijksregime van partijen betekent dit dat niet uitgesloten is dat het voor de vermogensrechtelijke positie van partijen kan uitmaken welke vorm van ontbinding van het huwelijk zal plaatsvinden. Dat brengt met zich dat de (vermogensrechtelijke) gevolgen van de toewijzing van de gevorderde (overdracht van de) talak en de afgifte van de bruidsschat niet te overzien zijn. Hierin vindt de voorzieningenrechter aanleiding om de daarmee samenhangende vorderingen af te wijzen.

4.3.

Over de vordering tot afgifte van goederen wordt als volgt geoordeeld. Zoals hiervoor aangegeven is de afwikkeling van de huwelijksvermogensrechtelijke gevolgen van de (burgerlijke) echtscheiding van partijen nog aanhangig bij de familiekamer. Nog niet vastgesteld is welk recht daarop van toepassing is. Daar komt bij dat de vrouw niets heeft gesteld aan de hand waarvan kan worden beoordeeld welk huwelijksvermogensrecht toepasselijk is tussen partijen, onder de werking van het hier toepasselijke Haagse Huwelijksvermogensverdrag 1978. Onder de werking van dit verdrag is mogelijk dat de eventuele gemeenschappelijke nationaliteit van partijen ten tijde van de huwelijksvoltrekking bepalend is voor het toepasselijke huwelijksvermogensrecht. Ook is mogelijk dat het recht van het land van de eerste gemeenschappelijke domicilie na huwelijksvoltrekking hiervoor bepalend is. De vrouw stelt nog wel dat sprake is van een huwelijksgemeenschap, maar de voorzieningenrechter kan niet op voorhand uitsluiten dat partijen buiten iedere gemeenschap van goederen zijn getrouwd. Nu niet kan worden vastgesteld welk huwelijksvermogensrecht toepasselijk is, voert het - grotendeels - te ver om de gevorderde voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft dit aan de partijen voorgehouden ter zitting. De vrouw heeft daarop geantwoord dat zij zelf ook wel begrijpt dat binnen de beperkte kaders van een kort gedingprocedure weinig ruimte is om tot een volledige afwikkeling van de huwelijks-vermogensrechtelijke gevolgen van een echtscheiding te komen.

4.4.

Wel zal worden toegewezen, bij wijze van ordemaatregel, dat de man aan de vrouw moet afgeven de goederen van de kinderkamer, de kinderkleding en de kleding van de vrouw. Het kind verblijft thans, in afwachting van het oordeel van de familiekamer over de hoofdverblijfplaats daarvan, feitelijk bij de vrouw. De voorzieningenrechter gaat er van uit dat de door de vrouw gevorderde goederen hoe dan ook aan de vrouw, respectievelijk aan het kind toebehoren. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat zij niet of nauwelijks financiële middelen heeft om zelf deze goederen te kopen. De in dit verband gevorderde dwangsom zal worden gematigd en beperkt op na te melden wijze. Aan de man zal een termijn worden geboden om aan deze veroordeling te kunnen voldoen.

4.5.

De proceskosten tussen partijen (ex-echtelieden naar Nederlands materieel recht) zullen worden gecompenseerd.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt de man tot afgifte aan de vrouw van de navolgende goederen binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis:

-uit de kinderkamer: een bed, kast, de kinderkleding en het kinderspeelgoed,

- de persoonlijke spullen van de vrouw bestaande uit kleding, drie leren jassen, schoenen

(Timberlands) en twee bontmutsen,

een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 3.000,- dat de man niet, of niet volledig, aan deze veroordeling voldoet;

5.2.

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

bepaalt dat ieder der partijen de eigen proceskosten draagt;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2016.

2517/2009