Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:6787

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
31-08-2016
Datum publicatie
14-10-2016
Zaaknummer
KTN-5140284_31082016
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

WWZ; welke B.V. moet als werkgever worden aangemerkt, feitelijke omstandigheden zijn van belang; nietig ontslag op staande voet want door verkeerde B.V. gegeven; loondoorbetaling tot einde dienstverband toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-1141
AR 2016/2971

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 5140284 VZ VERZ 16-13246

uitspraak: 31 augustus 2016

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [plaatsnaam],

verzoeker,

gemachtigden: mr. M.Y. van Oel, advocaat te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

W.J. Maatwerk B.V.,

gevestigd te Nieuwerkerk aan den IJssel,

verweerster,

verschenen bij [V.], directeur.

Partijen worden hierna ‘[verzoeker]’ respectievelijk ‘W.J. Maatwerk’ genoemd.

1 Het verloop van het proces

1.1.

De kantonrechter heeft kennis genomen van het op 10 juni 2016 ter griffie ingekomen verzoekschrift strekkende tot vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst ex artikel 7:681 lid 1 BW, doorbetaling van het loon ex artikel 7:628 BW en wedertewerkstelling, met producties.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 juli 2016 en is voortgezet op 10 augustus 2016. Tijdens de mondelinge behandeling op laatstgenoemde datum is het verzoek inhoudelijk behandeld in het bijzijn van partijen. [verzoeker] is in persoon verschenen met zijn gemachtigde en namens Maatwerk zijn verschenen de heer [B.] (directie-assistent) en mevrouw [Vw.] (general manager). Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht.

1.3.

De uitspraak van de beschikking is bepaald op heden.

2 De feiten

Van de volgende feiten wordt uitgegaan.

2.1.

Op 24 augustus 2015 heeft [verzoeker] een arbeidsovereenkomst getekend (hierna: de arbeidsovereenkomst). De arbeidsovereenkomst vermeldt W.J. Flex B.V. (hierna W.J. Flex) als werkgever. De arbeidsovereenkomst is afgedrukt op papier van W.J. Maatwerk B.V. De heer [V.] is directeur van beide vennootschappen.

2.2.

In de arbeidsovereenkomst is vermeld dat deze wordt aangegaan voor bepaalde tijd, van 24 augustus 2015 tot 21 maart 2016, en dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt op 24 februari 2016. Daarnaast vermeldt de arbeidsovereenkomst de functie van assistent bouwvakker op een zorgboerderij, een arbeidsduur van 32 uur per week en een uurloon van € 11,48 bruto.

2.3.

Na 24 februari 2016 heeft [verzoeker] zijn werkzaamheden voortgezet.

2.4.

Op de door [verzoeker] ontvangen loonstroken is de naam van W.J. Maatwerk vermeld.

[verzoeker] heeft tot en met de maand maart 2016 loon ontvangen.

2.5.

Op 14 april 2016 is telefonisch aan [verzoeker] bericht dat zijn dienstverband met onmiddellijke ingang is opgezegd.

2.6.

Bij brief van 15 april 2016 heeft de heer [V.] aan [verzoeker] – onder meer – het volgende bericht:

“Geachte heer [verzoeker],

Met deze brief bevestig ik het telefoongesprek van 14-04-2016 waarin u is aangezegd dat uw dienstverband met onmiddellijke ingang is opgezegd.

De reden van dit ontslag is met u besproken. Kort samengevat komt het er op neer dat u een aantal keren zonder opgaaf van reden niet op uw werk bent verschenen, hetgeen ik beschouw als werkweigering.

(…)

Gelet op de ernst van uw gedrag is er een ernstige en onherstelbare vertrouwensbreuk ontstaan en levert een dringende reden op in de zin van artikel 7:678 BW. (…)”

Deze brief is afgedrukt op briefpapier van M&D Detachering B.V. (hierna: M&D Detachering). De heer [V.] is directeur van deze vennootschap.

2.7.

Bij brief van 20 april 2016 heeft de gemachtigde van [verzoeker] – kort gezegd – aan M&D Detachering bericht dat er geen arbeidsrelatie tussen [verzoeker] en M&D Detachering bestaat en dat ontslag alleen mogelijk is wanneer er een arbeidsrelatie tussen beide partijen bestaat.

2.8.

Bij brief van 20 april 2016 heeft de gemachtigde van [verzoeker] W.J. Maatwerk – kort gezegd – gesommeerd om [verzoeker] weer tewerk te stellen, waarbij is aangegeven dat [verzoeker] zich beschikbaar houdt de bedongen arbeid te verrichten en dat [verzoeker] aanspraak maakt op loondoorbetaling.

3 Het verzoek en de grondslag daarvan

3.1.

[verzoeker] heeft, na wijziging van zijn verzoek, verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

a. a) vernietiging van de opzegging wegens een dringende reden;

b) toelating tot de werkplaats ten einde de bedongen werkzaamheden te verrichten;

c)

1. doorbetaling van het verschuldigde salaris ad € 1.596,67 bruto per maand vermeerderd met alle emolumenten, waaronder vakantietoeslag, vanaf 1 april 2016 tot de dag dat de dienstbetrekking rechtsgeldig geëindigd zal zijn;

2. verstrekking van de salarisspecificaties vanaf 16 april 2016, waarin de betaling van sub 1 zijn verwerkt, op straffe van een dwangsom ter hoogte van € 100,- per dag, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen dwangsom per dag, met een maximum van € 10.000,- voor elke dag na twee dagen na de datum van de beschikking dat W.J. Maatwerk niet voldoet aan de beschikking;

3. betaling van de maximale wettelijke verhoging wegens vertraging over het aan [verzoeker] toekomende salaris ex artikel 7:625 BW;

4. betaling van de buitengerechtelijke incassokosten conform de staffel WIK;

5. betaling van de wettelijke rente over de hierboven genoemde punten onder 1, 2, 3 en 4 genoemde kosten vanaf het opeisbaar worden van die bedragen tot de dag der algehele voldoening;

Subsidiair:

a. a) betaling van een billijke vergoeding conform artikel 7:681 BW;

b) betaling van een bedrag gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren, dan wel van rechtswege zou zijn geëindigd, conform artikel 7:677 lid 2 BW e.v.;

Primair en subsidiair:

W.J. Maatwerk te veroordelen in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na dagtekening van de in deze te wijzen beschikking.

3.2.

Aan zijn verzoek heeft [verzoeker] – kort en zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd.

De arbeidsovereenkomst is gesloten met W.J. Maatwerk. Na afloop van de arbeidsovereenkomst op 24 februari 2016 is een nieuwe arbeidsovereenkomst voor zes maanden ontstaan die eindigt op 24 augustus 2016. Met M&D Detachering bestaat geen enkele juridische relatie, zodat de opzegging van de arbeidsovereenkomst door M&D Detachering primair nietig is en subsidiair vernietigbaar is.

Tot slot betwist [verzoeker] dat sprake is van een dringende reden voor de opzegging van de arbeidsovereenkomst.

4 Het verweer

Namens W.J. Maatwerk is – kort en zakelijk weergegeven – het volgende verweer gevoerd.

4.1.

[verzoeker] heeft een arbeidscontract met W.J. Flex en niet met W.J. Maatwerk.

W.J. Flex was destijds pas opgericht in het kader van een dagbestedingsproject voor jongeren met een reclasseringsmaatregel en beschikte toen nog niet over eigen inkomsten en briefpapier. Om die reden is het arbeidscontract van [verzoeker] afgedrukt op briefpapier van

W.J. Maatwerk en is het salaris van [verzoeker] ook door Maatwerk betaald.

De heer [V.] geeft aanwijzingen aan de werknemers van al zijn vennootschappen.

4.2.

Omdat [verzoeker] tweemaal onaangekondigd van zijn werk is weggebleven, is zijn arbeidscontract opgezegd. Op 21 maart 2016 heeft M&D Detachering [verzoeker] een contract aangeboden, omdat zijn contract met W.J. Flex per die datum van rechtswege was geëindigd, maar dat heeft [verzoeker] geweigerd. Op het moment van de opzegging wegens een dringende reden had [verzoeker] met geen van de vennootschappen van de heer Vrede een contract en daarom heeft M&D Detachering [verzoeker] ontslagen.

5 De beoordeling

Termijn indiening verzoek

5.1.

Het verzoek is - gelet op het bepaalde in artikel 7:686a lid 4 aanhef en sub a jo. artikel 7:681 lid 1 BW - tijdig ingediend.

Werkgever

5.2.

Allereerst staat tussen partijen ter discussie met welke vennootschap [verzoeker] op 24 augustus 2015 de arbeidsovereenkomst heeft gesloten en welke vennootschap dus als werkgever van [verzoeker] moet worden aangemerkt.

5.3.

Volgens artikel 7:610 lid 1 BW is sprake van een arbeidsovereenkomst als de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. In dit geval is het salaris van [verzoeker] steeds betaald door W.J. Maatwerk. Daarnaast bestaat er een gezagsverhouding tussen [verzoeker] en W.J. Maatwerk, nu [verzoeker] voor het verrichten van zijn werkzaamheden opdrachten heeft gekregen van de directeur van W.J. Maatwerk, de heer [V.]. Daarnaast heeft [verzoeker] tijdens de mondelinge behandeling onweersproken verklaard dat gedurende zijn dienstverband nooit melding is gemaakt van een andere vennootschap dan W.J. Maatwerk, ook niet in de correspondentie. Hoewel in de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] is vermeld dat W.J. Flex de werkgever is, moet W.J. Maatwerk gelet op voornoemde feitelijke omstandigheden worden gezien als de werkgever van [verzoeker].

Ontslag op staande voet

5.4.

Nu is vastgesteld dat W.J. Maatwerk de werkgever van [verzoeker] is, is het door M&D Detachering aan [verzoeker] op 14 april 2016 gegeven ontslag op staande voet nietig. Tussen [verzoeker] en M&D Detachering bestaat immers geen enkele rechtsverhouding, zodat het ontslag op staande voet wordt geacht nooit aan [verzoeker] te zijn gegeven. Dit betekent dat de door [verzoeker] gevorderde vernietiging van de opzegging wegens een dringende reden (sub a onder 1 van het primair verzochte), in welk geval het ontslag wordt geacht te zijn gegeven en pas vernietigbaar is wanneer daar een beroep op wordt gedaan, niet toewijsbaar is.

Tewerkstelling

5.5.

Tussen partijen staat vast dat [verzoeker] na 24 februari 2016 zijn werkzaamheden is blijven verrichten, waardoor de arbeidsovereenkomst geacht wordt te zijn verlengd voor een periode van opnieuw zes maanden tot 24 augustus 2016. Partijen zijn het er tevens over eens dat er voor de periode na 24 augustus 2016 geen nieuwe arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen en dat de arbeidsovereenkomst op 24 augustus 2016 eindigt. Nu deze beschikking is gedateerd op 31 augustus 2016, dus na het einde van de arbeidsovereenkomst, is de verzochte tewerkstelling (sub b onder 1 van het primair verzochte) niet toewijsbaar.

Betaling salaris + salarisspecificaties

5.6.

Nu het op 14 april gegeven ontslag op staande voet nietig is en de arbeidsovereenkomst op 24 augustus 2016 is beëindigd, is W.J. Maatwerk gehouden het salaris tot 24 augustus 2016 aan [verzoeker] te betalen. Nu W.J. Maatwerk het salaris tot en met de maand maart 2016 aan [verzoeker] heeft betaald en het door [verzoeker] verzochte salaris van € 1.596,67 bruto per maand vermeerderd met 8% vakantietoeslag en overige emolumenten niet is weersproken, is de door [verzoeker] verzochte betaling van zijn salaris vanaf 1 april 2016 tot de dag dat de dienstbetrekking rechtsgeldig is geëindigd (sub c onder 1 van het primair verzochte), te weten op 24 augustus 2016, toewijsbaar.

5.7.

Gelet op het gewijzigde verzoek ten aanzien van de salarisbetaling vanaf 1 april 2016 en de daarmee samenhangende verplichting van de werkgever om salarisspecificaties te verstrekken, wordt de verstrekking van de salarisspecificaties ook toegewezen vanaf 1 april 2016, versterkt met een dwangsom zoals in het dictum opgenomen.

Wettelijke verhoging

5.8.

De verzochte wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW wordt toegewezen over het salaris, op de wijze zoals hierna vermeld. Gelet op de handelwijze van de directeur van

W.J. Maatwerk jegens [verzoeker] ten aanzien van het nietige ontslag op staande voet en de gestopte salarisbetaling, wordt voor matiging van de wettelijke verhoging geen aanleiding gezien.

Buitengerechtelijke incassokosten

5.9.

[verzoeker] maakt aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Nu geen sprake is van een geschil tussen consumenten, is het toetsingskader voor de buitengerechtelijke kosten Rapport Voorwerk II.

5.10.

Onvoldoende is gebleken dat de werkzaamheden die door de gemachtigde van [verzoeker] zijn verricht, meer hebben omvat dan het versturen van een enkele (eventueel herhaalde) sommatie of het enkel doen van een niet aanvaard schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De daarop betrekking hebbende kosten moeten, nu een procedure is gevolgd, worden aangemerkt als betrekking hebbende op verrichtingen waarvoor de in artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten. Daarnaast heeft [verzoeker] in zijn verzoek geen concreet bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeld. Een en ander leidt tot de conclusie dat de verzochte betaling van buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen.

Wettelijke rente

5.11.

De wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over het salaris is toewijsbaar, op de wijze zoals hierna vermeld. Over de hierboven genoemde wettelijke verhoging is de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW verschuldigd telkens vanaf het opeisbaar worden van het salaris.

Proceskosten

5.12.

W.J. Maatwerk wordt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. Deze kosten bestaan tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verzoeker] uit het griffierecht van € 79,- en uit het gemachtigdensalaris van € 400,-, vermeerderd met de verzochte wettelijke rente over deze bedragen.

Subsidiair verzoek

5.13.

Gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van het primaire verzoek is overwogen over onder meer de nietigheid van het ontslag op staande voet en het einde van de arbeidsovereenkomst, behoeft het subsidiaire verzoek van [verzoeker] geen bespreking meer.

6 De beslissing

De kantonrechter,

veroordeelt W.J. Maatwerk:

  • -

    om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [verzoeker] te betalen het verschuldigde salaris ten bedrage van € 1.596,67 bruto per maand, vermeerderd met 8% vakantietoeslag en overige emolumenten, vanaf 1 april 2016 tot 24 augustus 2016, met de wettelijke verhoging ad 50% ex artikel 7:625 BW, en met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over de aldus verhoogde bedragen telkens vanaf de datum van opeisbaarheid van het salaris tot aan de dag van algehele voldoening;

  • -

    om aan [verzoeker] de salarisspecificaties vanaf 1 april 2016 te verstrekken, waarin de voornoemde salarisbetalingen vanaf 1 april 2016 tot 24 augustus 2016 zijn verwerkt, op straffe van verbeurte van een dwangsom ter hoogte van € 100,- per dag met een maximum van € 2.000,- voor elke dag na 14 dagen na de betekening van deze beschikking dat W.J. Maatwerk niet voldoet aan deze beschikking;

veroordeelt W.J. Maatwerk in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verzoeker] vastgesteld op € 79,- aan griffierecht en € 400,- aan salaris voor de gemachtigde, met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over deze bedragen vanaf 14 dagen na de uitspraak van deze beschikking tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. K.L. van Zetten en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

879