Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:6753

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
31-08-2016
Datum publicatie
07-09-2016
Zaaknummer
C/10/486945 / HA ZA 15-1059
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Internationale bancaire dienstverlening ter incasso van koopprijs bij internationale handel. Opdracht tot disconteren of anderszins? Zorgplicht en verzwaarde stelplicht bank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RF 2017/7

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Afdeling privaatrecht

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/486945 / HA ZA 15-1059

Vonnis van 31 augustus 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

REFRESH FRUIT B.V.,

gevestigd te Poeldijk,

eiseres,

advocaat: mr. R. Sinke te Rotterdam,

tegen

de rechtspersoon naar vreemd recht

HABIBSONS BANK LIMITED,

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk, mede kantoorhoudende te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat: eerst mr. J.G.M. Roijers, thans mr. M. Spanjaart te Rotterdam.

Partijen zullen hierna RF en HBL genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

RF heeft HBL bij exploot van 9 oktober 2015 voor deze rechtbank gedagvaard en gevorderd als nader omschreven onder De vordering. RF heeft bij dagvaarding 27 producties overgelegd.

1.2.

HBL heeft een conclusie van antwoord genomen en daarbij 23 producties overgelegd.

1.3.

De rechtbank heeft een comparitie van partijen gelast en een agenda voor die zitting aan partijen toegezonden. De comparitie is op 25 februari 2016 gehouden. Partijen hebben tevoren en ter comparitie de volgende stukken in het geding gebracht: RF een Samenvatting ten behoeve van comparitie van partijen en HBL brieven van haar advocaat van 11 en 19 februari 2016 en haar producties 26 en 27 (onder mededeling dat zij geen producties 24 en 25 in het geding heeft gebracht). Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt.

Op verzoek van partijen is de comparitie voortgezet op 30 maart 2016. Partijen hebben tevoren en ter comparitie de volgende stukken in het geding gebracht: RF brieven van haar advocaat van 15 maart 2016 met producties 28 tot en met 33 en van 23 maart 2016 met producties 28 tot en met 30, vernummerd tot 34 tot en met 36 en HBL een brief van haar advocaat van 16 maart 2016 met haar producties 27 tot en met 35. Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt.

1.4.

Partijen hebben vonnis gevraagd.

2 De vorderingen en de gronden daarvan

2.1.

RF vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis HBL zal veroordelen tot betaling van € 1.266.138,00 aan hoofdsom te vermeerderen met de wettelijke handelsrente te berekenen vanaf de dag dat HBL de facturen van RF had moeten “verdisconteren”, althans een door de rechtbank te bepalen datum, en van € 6.775,00 aan buitengerechtelijke kosten, met veroordeling van HBL in de proceskosten.

2.2.

Daartoe stelt RF – samengevat weergegeven – het volgende.

2.2.1.

Begin september 2014 heeft RF aan (het in Rotterdam gevestigde kantoor van) HBL opdracht gegeven, gelijk HBL van RF als opdracht heeft aanvaard, om de facturen van RF aan haar koper Arif Overseas Traders te Karachi, Pakistan, (hierna: Arif) betreffende de verkoop en levering van 1.000 containers met partijen aardappelen te “disconteren” of “verdisconteren” in dier voege dat

  • -

    a) RF de originele koopdocumenten, waaronder de cognossementen en facturen, aan HBL zou verschaffen,

  • -

    b) HBL de koopdocumenten zou toezenden aan de bank van Arif, NIB Bank Limited te Karachi, Pakistan, (hierna: NIB) en deze zou laten accepteren door NIB,

  • -

    c) HBL na die acceptatie door NIB de koopprijzen onvoorwaardelijk zou betalen aan RF en

  • -

    d) HBL de koopprijzen vervolgens zou incasseren bij NIB of Arif wanneer de betalingstermijnen zouden zijn verstreken.

HBL heeft die opdracht aanvaard zoals blijkt uit het openen van een bankrekening voor RF, correspondentie met HBL van onder meer 5 september 2014, de contracten die HBL op het papier van NIB Bank Limited te Karachi, Pakistan, (hierna: NIB) liet opstellen door Arif en de aanvaarding van de koopdocumenten door HBL van RF ter doorgeleiding naar NIB.

2.2.2.

In strijd met de afspraken en na RF een aantal malen extra tijd te hebben gevraagd en RF in de waan te laten dat betaling zou volgen, heeft HBL de koopprijzen niet aan RF betaald c.q. voorgeschoten toen NIB de koopdocumenten had aanvaard, maar heeft zij RF laten wachten op betaling van de koopprijzen (via NIB en HBL) door Arif. Inmiddels had RF de zendingen aardappelen al verscheept naar Pakistan, zodat RF, die de cognossementen aan HBL haf verschaft, de zendingen niet meer kon terugroepen. Arif heeft de kooprijzen niet betaald, noch via NIB of HBL, noch rechtstreeks aan RF. Zodoende is RF betaling van de koopprijzen misgelopen door de wanprestatie van HBL.

2.2.3.

In ieder geval heeft HBL haar informatie-, waarschuwings- en zorgverplichtingen jegens RF niet behoorlijk nageleefd, waardoor RF niet wist welke risico’s zij liep met de door HBL uitgevoerde handelswijze en daardoor een onaanvaardbaar risico van wanbetaling van de koopprijzen heeft gelopen, welk risico zich heeft verwerkelijkt.

2.2.4.

Daarom is HBL verplicht om de schade van RF, die even groot is als de onbetaald gebleven koopprijzen, aan RF te vergoeden.

2.3.

De conclusie van HBL strekt tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van RF in de proceskosten en de nakosten te vermeerderen met de wettelijke rente, bij uitvoerbaar bij voorbaat te verklaren vonnis.

3 De beoordeling

Rechtsmacht, bevoegdheid

3.1.

Deze zaak betreft een internationaal geval, al was het maar omdat RF in Nederland is gevestigd en HBL in Londen, Verenigd Koninkrijk, en de vordering aanhangig is gemaakt bij een gerecht in Nederland.

3.2.

Zoals gezegd, is de vordering ingesteld bij dagvaarding uitgebracht op 9 oktober 2015 derhalve na de inwerkingtreding van de Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), hierna: Herschikte EEX-Vo. De verweerster HBL heeft woonplaats (in de zin van de artikelen 4 en 63 Herschikte EEX-Vo) in een lidstaat van de Europese Unie. Blijkens de dagvaarding en de conclusie van antwoord gaan beide partijen ervan uit dat de eis in de hoofdzaak een burgerlijke of handelszaak is als bedoeld in artikel 1 Herschikte EEX-Vo. De vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, dan wel deze rechtbank bevoegd is om van de vordering kennis te nemen dient daarom in beginsel aan de hand van de Herschikte EEX-Vo te worden beantwoord.

3.3.

HBL is voor deze rechtbank verschenen zonder zich te beroepen op gebrek aan rechtsmacht van de Nederlandse rechter of onbevoegdheid van deze rechtbank. Derhalve is sprake van een stilzwijgende forumkeuze als bedoeld in de eerste zin van het eerste lid van artikel 26 Herschikte EEX-Vo. Daarom is deze rechtbank bevoegd om van de vordering van RF kennis te nemen.

Toepasselijk recht

3.4.

Ieder van partijen heeft (ter comparitie) verklaard dat Nederlands recht op hun rechtsverhouding van toepassing is en dat voorts de Algemene Bank Voorwaarden van toepassing zijn.

De rechtbank volgt partijen daarin. Daarbij gaat de rechtbank ervan uit dat partijen bedoelen dat de Algemene Bank Voorwaarden van 2009 (hierna: ABV 2009) van toepassing zijn (omdat die van 2014 pas per 1 oktober 2014 van kracht werden).

Opdracht

3.5.

RF stelt dat zij begin september 2014 cliënt van HBL is geworden en dat zij de onder 2.2.1 beschreven opdracht aan HBL heeft gegeven en dat HBL die opdracht heeft aanvaard, maar niet behoorlijk heeft uitgevoerd en dat HBL haar niet behoorlijk heeft geïnformeerd en gewaarschuwd over de door HBL te verlenen diensten en de daarbij spelende risico’s.

3.6.

HBL erkent dat RF begin september 2014 een cliënt van haar is geworden, maar betwist dat zij zodanige opdracht heeft aanvaard en voert aan dat zij een opdracht tot doorgeleiden van de koopdocumenten onder het beding “documents against acceptance” van RF heeft aanvaard en uitgevoerd en dat zij daaronder niet verplicht is om de koopprijzen voor te schieten, laat staan te betalen. Ter ondersteuning van haar verweer beroept HBL zich op onder meer een op het papier van HBL gesteld en door de bestuurder van RF, de heer P.J.G. Rijk (hierna: Rijk), ondertekend stuk gedateerd 5 september 2014, waarin wordt bevestigd dat de heer E.L.F. Lampen (hierna: Lampen) “is empowered to sign for trade documents on behalf of” RF en op een schrijven van Lampen op papier van diens onderneming E.L.F. International gedateerd 4 september 2014 met onder meer de getypte tekst “As per instructions of [RF], Poeldijk we enclose herewith following documents”, gevolgd door een handgeschreven tekst “on collection basis”.

3.7.

Klaarblijkelijk bestaat onduidelijkheid over hetgeen partijen zijn overeengekomen ten aanzien van het verkrijgen van betaling van de koopprijzen van of via HBL en ten aanzien van welke verbintenissen HBL op zich heeft genomen.

3.8.

Als gesteld en onvoldoende bestreden staat het volgende vast. HBL heeft begin september 2014 RF als haar cliënt aanvaard. HBL heeft bevestigingen van de koopovereenkomsten tussen RF en Arif op het papier van NIB laten opstellen. HBL heeft diverse originele koopdocumenten, waaronder facturen en cognossementen, van RF (daarbij vertegenwoordigd door Lampen) in ontvangst genomen en deze doorgezonden naar NIB.

Gesteld noch gebleken is dat HBL specifiek en schriftelijk aan RF heeft bevestigd welke opdracht zij aanvaardde, dan wel onder welke voorwaarden zij de betreffende koopdocumenten van RF in ontvangst nam. Wel ligt e-mailcorrespondentie tussen partijen voor waaruit blijkt dat HBL enige opdracht van RF heeft aanvaard en dat HBL trachtte betaling van de koopprijzen van NIB te verkrijgen.

3.9.

Op een op de Nederlandse financiële markten actieve financiële onderneming, zoals (het Rotterdamse filiaal van) HBL, rust een bijzondere zorgplicht jegens haar cliënten. De inhoud van die zorgplicht van HBL jegens haar cliënt RF wordt mede bepaald door artikel 2 lid 1 ABV 2009 en de normen van de Wet op het financieel toezicht (Wft) zoals die luidde van 1 augustus 2014 tot en met 31 december 2014.

Gesteld noch gebleken is dat ten tijde van het aangaan en uitvoeren van de overeenkomst tussen partijen aan HBL vrijstelling was verleend ten aanzien van haar in de Wft neergelegde zorgplichten jegens haar cliënten. Ingevolge de normen van de (artikelen 4:19 tot en met 4:22) Wft diende HBL begin september 2014 informatie aan haar cliënt RF te verschaffen en ervoor zorg te dragen dat de door haar verstrekte informatie over de door haar ten behoeve van haar cliënt RF te verlenen financiële dienst correct, duidelijk en niet misleidend zou zijn. Bovendien diende HBL haar cliënt RF te wijzen op de mogelijke risico’s die aan de opdracht c.q. de financiële dienstverlening verbonden zouden zijn, althans diende HBL zich ervan te vergewissen dat die risico’s bij RF bekend waren. Die normen zijn ingevolge de bijzondere zorgplicht van financiële ondernemingen zoals HBL en artikel 2 lid 1 ABV 2009 ook van toepassing op de rechtsverhouding tussen partijen.

Deze normen strekken ter bescherming van de belangen van RF als cliënt van HBL.

Daarom rust op HBL een verzwaarde stelplicht (verweerplicht) inhoudende dat zij gespecificeerd en onderbouwd dient te stellen dat en op welke wijze zij zich ten tijde van het aangaan van de overeenkomst met RF begin september 2014 heeft gekweten van haar desbetreffende informatie- en waarschuwingsverplichtingen jegens RF. Ten aanzien van het verweer van HBL dat (niet de door RF gestelde overeenkomst, maar) een overeenkomst met een andere inhoud met minder verbintenissen voor HBL tussen partijen tot stand is gekomen, geldt hetzelfde. Voor zover HBL betoogt dat zij aan de met RF gesloten overeenkomst een andere invulling heeft gegeven in haar contacten met Lampen, geldt hetzelfde, met dien verstande dat HBL in dat geval tevens zal moeten stellen dat en waarom Lampen bevoegd was om de inhoud van de overeenkomst tussen RF en HBL te wijzigen.

3.10.

HBL heeft aan die verzwaarde stelplicht nog niet voldaan. Nu HBL daaraan nog niet heeft voldaan en partijen over het al dan niet voldaan hebben aan die verzwaarde stelplicht nog niet hebben gedebatteerd, zal de rechtbank de zaak naar de rol verwijzen voor het nemen van een akte door HBL waarin HBL alsnog aan haar verzwaarde stelplicht kan voldoen. RF kan daarop bij akte reageren.

3.11.

De rechtbank zal alle overige onderwerpen laten rusten hangende deze aktewisseling.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

verwijst de zaak naar de rol van 28 september 2016 voor het nemen van aktes, om te beginnen door HBL, als bedoeld in rov. 3.10;

4.2.

houdt alle overige beslissingen aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.P. Sprenger en uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2016.

1928