Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:6700

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-08-2016
Datum publicatie
30-08-2016
Zaaknummer
10/701040-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

(Pogingen tot) inbraak bij diverse bedrijven. Bewijsoverwegingen over de herkenning door agenten van de dader op camerabeelden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/701040-16

Datum uitspraak: 25 augustus 2016

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [PI],

raadsvrouw mr. Y.L. Zandbergen, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 11 augustus 2016.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. L. Visser heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Standpunt Officier van Justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten. Daartoe is aangevoerd dat het onder 1 ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard op grond van de bekentenis van de verdachte ter terechtzitting, de aangifte, de bij de verdachte aangetroffen zaken en de DNA-sporen. Het bewijs voor de overige feiten volgt uit de aangiften, de processen-verbaal van de camerabeelden en de herkenningen door verbalisanten. In aanvulling daarop heeft de officier van justitie erop gewezen dat de uiterlijke kenmerken van de inbreker op de ter terechtzitting getoonde camerabeelden van de onder 4 en 5 ten laste gelegde feiten overeenkomen met die van de verdachte: een persoon met een kale plek op het achterhoofd, inhammen in het haar aan beide zijden van het voorhoofd waardoor het lijkt alsof het haar in een punt naar voren loopt, brildragend en opvallend uitstekende oren.

4.2.

Standpunt verdediging

De verdachte heeft het onder 1 ten laste gelegde bekend. Voor de andere feiten is vrijspraak bepleit. Samengevat, en voor zover relevant, komt het verweer er op neer dat er geen betrouwbare herkenningen van de verdachte zijn, zodat wettig en overtuigend bewijs ontbreekt. In aanvulling daarop is namens de verdachte ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde aangevoerd dat aangever geen datum heeft genoemd van de eerdere inbraak waar hij de verdachte van zou herkennen, zodat er mogelijk gedoeld wordt op een eerder door de verdachte gepleegde inbraak. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde is opgemerkt dat verbalisant [verbalisant 1] verwijst naar een inbraak op 15 januari 2016, derhalve een andere datum dan die waarop het ten laste gelegde feit zou zijn gepleegd. Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde is het standpunt ingenomen dat de foto op de ID-staat van de verdachte niet gebruikt kan worden als vergelijkingsmateriaal voor een herkenning van de verdachte op de camerabeelden, omdat dit een oudere foto van de verdachte is.

4.3.

Beoordeling

Er zijn drie inbraken en twee pogingen tot inbraak ten laste gelegd. Bij de bewijswaardering speelt een rol dat de verdachte diverse malen is herkend door verbalisanten, waaronder wijkagent [verbalisant 2]. De rechtbank stelt vast dat de verdachte en wijkagent [verbalisant 2] elkaar al jaren kennen. Verdachte heeft dit op de terechtzitting bevestigd. De rechtbank hecht op grond daarvan veel waarde aan de herkenningen door deze wijkagent.

4.3.1.

Feit 1: bewezenverklaring

Het onder 1 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.3.2.

Feit 2: bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan. Wijkagent [verbalisant 2] heeft de verdachte herkend op de camerabeelden die van de inbraak bij de [slachtoffer 2] (hierna: “de Stichting”) zijn gemaakt. Ook aangever heeft verklaard dat hij de inbreker op deze beelden herkende; het zou dezelfde man zijn die een jaar geleden had ingebroken bij de Stichting. De rechtbank gaat voorbij aan het verweer dat niet blijkt dat aangever doelde op een eerder door de verdachte gepleegde inbraak, nu wijkagent [verbalisant 2] de verdachte ook heeft herkend op de beelden die zijn gemaakt van een in 2015 bij de Stichting gepleegde inbraak en de verdachte bovendien heeft bekend dat hij eerder bij de Stichting heeft ingebroken.

4.3.3.

Feit 3: bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft gepleegd.

Op de door verbalisant [verbalisant 3] uitgekeken camerabeelden is te zien dat omstreeks 05.00 uur een poging is gedaan om in te breken bij [slachtoffer 3], gevestigd aan de [adres], en dat de inbreker omstreeks 05.25 uur voor [slachtoffer 3] is aangesproken door een tweetal politieambtenaren. Deze politieambtenaren, verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 1], hebben beiden verklaard dat zij de man in kwestie hebben gevraagd of hij iets relevants had gezien in het kader van een poging tot inbraak bij [slachtoffer 3]. De verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd dat hij op de ten laste gelegde datum op de [adres] door een tweetal politieambtenaren is aangesproken die hem vroegen of hij iets relevants had gezien in het kader van een poging tot inbraak bij [slachtoffer 3]. Geconcludeerd kan dus worden dat hij de aangesproken man van 5.25 uur is en dus – gelet op de camerabeelden – ook de inbreker van 5.00 uur.

Uit de door [verbalisant 1] gerelateerde gang van zaken leidt de rechtbank af dat hij heeft verklaard over de ten laste gelegde poging tot inbraak, zodat de door hem genoemde datum een kennelijke vergissing moet zijn.

4.3.4.

Feit 4: vrijspraak

De rechtbank acht het onder 4 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij. Bij het bekijken van de camerabeelden ter terechtzitting heeft de rechtbank geconstateerd dat het gezicht van de inbreker niet duidelijk zichtbaar in beeld komt. Hoewel er aanwijzingen zijn dat de verdachte de inbreker is, is de rechtbank van oordeel dat de camerabeelden onvoldoende duidelijk zijn om op basis daarvan tot een betrouwbare herkenning te komen. De rechtbank zal de door verbalisant gerelateerde (enige) herkenning daarom niet gebruiken als bewijs.

4.3.5.

Feit 5: bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 5 ten laste gelegde heeft begaan. Een drietal verbalisanten, waaronder wijkagent [verbalisant 2], hebben de camerabeelden bekeken en de verdachte daarop herkend. Zoals blijkt uit het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 4] heeft hij, anders dan de verdediging heeft betoogd, de verdachte niet herkend op foto’s van slechte kwaliteit, maar op scherpe camerabeelden. De rechtbank heeft de camerabeelden ter terechtzitting, in het bijzijn van de verdachte, zijn raadsvrouw en de officier van justitie bekeken en waargenomen dat de inbreker duidelijk met zijn gezicht en achterhoofd in beeld is. De rechtbank heeft geconstateerd dat het uiterlijk van de inbreker grote gelijkenis vertoont met de man op de foto van de ID-staat van 1 februari 2016. Dat deze foto mogelijk vóór de aanhouding van de verdachte zou zijn gemaakt, acht de rechtbank niet relevant nu de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat de foto een afbeelding van hem is. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de herkenningen door verbalisanten betrouwbaar.

4.3.6.

Conclusie

De verdachte zal worden veroordeeld voor de onder 1, 2, 3 en 5 ten laste gelegde feiten. Van het onder 4 ten laste gelegde feit zal de verdachte worden vrijgesproken.

4.4.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring ten laste gelegde redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2, 3 en 5 ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

1.

hij op 01 februari 2016 te Rotterdam

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een schoolgebouw [slachtoffer 1] (gelegen aan de [adres]) heeft weggenomen een kluisje met inhoud o.a. kassabonnetjes en een ING-bankpas en een envelop met een geldsom (tussen 1000 en 1500 euro), toebehorende aan [slachtoffer 1], zulks nadat hij, verdachte, die weg te nemen goederen en geldsom onder zijn bereik had gebracht door middel van braak;

2.

hij op 28 januari 2016 te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een pand (gelegen aan de [adres]) weg te nemen geld en/of goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld en/of goed(eren) onder zijn bereik te brengen door middel van braak, naar voornoemde pand is gegaan en door de ramen naar binnen heeft gegluurd en met verdachtes elleboog tegen de deur heeft aangetikt en vervolgens met een schroevendraaier een deurstijl heeft getracht te forceren en vervolgens een raam met een steen heeft geforceerd,

terwijl de uitvoering van voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op 12 januari 2016 te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een slagerij (gelegen aan [adres]) weg te nemen geld en/of goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld en/of goed(eren) onder zijn bereik te brengen door middel van braak, naar voornoemd pand is gegaan en een voorwerp tegen een raam heeft gegooid en (vervolgens) tegen een raam van voornoemde pand heeft geschopt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

5.

hij op 10 januari 2016 te Rotterdam

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een bedrijfspand (gelegen aan de [adres]) heeft weggenomen een geldsom (ad 600,00 euro) en een laptop (merk Acer) en een gouden armband en een vleesmes en plastic tassen en een horloge (merk Calvin Klein), toebehorende aan [slachtoffer 7 en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 9] of [slachtoffer 10], zulks nadat hij, verdachte, die weg te nemen goederen en geldsom onder zijn bereik had gebracht door middel van braak;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1. en 5, telkens:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

2 en 3, telkens:

poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich, binnen een periode van een maand, schuldig gemaakt aan twee inbraken (bij een school en een pizzeria) en twee pogingen tot inbraak (bij een sociaal cultureel centrum en een kipcentrum). Elke keer is schade toegebracht aan het pand. Bij de inbraken heeft de verdachte ook daadwerkelijk zaken weggenomen. De verdachte heeft met zijn handelen geen enkel respect getoond voor andermans eigendom en heeft uitsluitend geldelijk gewin voor ogen gehad. Bovengenoemde feiten zijn niet alleen ergerlijk, maar veroorzaken ook gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. Daar komt bij dat niet alleen de ondernemers worden gedupeerd, maar uiteindelijk ook de consument. Kosten voor beveiligingsmaatregelen, zoals camera’s en alarmsystemen, worden immers veelal doorberekend aan de consument.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 20 juli 2016, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 7 juli 2016. Dit rapport houdt het volgende in.

Op basis van de eerdere veroordelingen en de mate waarop dat destijds samenhing met diverse problemen ten aanzien van de leefgebieden, zijn er ernstige zorgen. Met name de verslavingsproblematiek van betrokkene werkt door op alle gebieden. Betrokkene heeft schulden, geen dagbesteding en lijkt nauwelijks in staat zich zelfstandig te kunnen redden. Er zijn op dit moment weinig beschermende factoren in het leven van betrokkene.

Betrokkene vertelt tijdens het adviesgesprek dat hij "niet meer zoveel cocaïne gebruikt als vroeger". Hij zou daar ongeveer twintig euro per week aan uitgeven en één twee keer per week gebruiken. Daarnaast blowt hij elke dag, meerdere malen hasj. Betrokkene benadrukt dat hij met softdrugs sowieso niet wil stoppen.

In de eerdere rapportage (d.d. 2-1-2015) staat hierover:

Ondanks meerdere klinische en ambulante behandelingen is hij er niet in geslaagd zijn middelenprobleem de baas te worden. Hij krijgt telkens een terugval in drugsgebruik of hij loopt weg van behandeling. Betrokkene pleegt vermogensdelicten om zijn harddrugverslaving te kunnen bekostigen. Zijn harddrugsverslaving is hardnekkig en daarmee blijft het recidiverisico ook hoog.

Uit dossierinformatie komt naar voren dat betrokkene in 2006 tot 2008 de ISD-maatregel heeft doorlopen. In oktober 2009 werd hij in het kader van toezicht aangemeld voor een behandeling bij Tactus verslavingszorg. Hij werd daar naar zijn zeggen weggestuurd omdat hij een terugval kreeg. Betrokkene was in september 2010 opgenomen in de dubbeldiagnose kliniek Iriszorg te Wolfsheze voor een behandeling van zijn verslavingsproblemen. Gedurende deze opname kreeg hij verschillende terugvallen in drugsgebruik en werden gebruikersartikelen op zijn verblijf gevonden. Om de diagnostiek af te kunnen maken werd hij niet terug in de P.I. geplaatst. De behandeling werd toen niet voortgezet. Betrokkene heeft zich in 2012 vrijwillig aangemeld bij het SOV (Palier GGZ) maar ging daar naar zijn zeggen weg omdat de behandeling niet bij hem paste. Het was te vrijblijvend naar zijn zeggen.

In april 2015 werd betrokkene vanuit detentie vanwege zijn verslavingsproblematiek klinisch geplaatst bij De Wier in Den Dolder, in het kader van de bijzondere voorwaarden van een eerdere veroordeling. Na drie dagen verliet hij op eigen initiatief de kliniek. Hij zou tegen zijn toezichthouder hebben gezegd dat hij nog niet klaar was voor zijn opname en dat hij liever in zijn eigen regio geplaatst wil worden, dicht bij zijn familie. Vervolgens werd betrokkene eind 2015 geplaatst in De Kijvelanden in Poortugaal, waar hij één dag is gebleven en vervolgens wederom tegen het advies van het personeel in is weggegaan. Hij voelde zich daar niet thuis en onjuist bejegend door het personeel, zo zou hij tegen de toezichthouder hebben verteld.

Tijdens het adviesgesprek bevestigt betrokkene dat hij zich niet prettig voelde in de klinieken. Dat zou met name te maken hebben gehad met het feit dat het volgens hem niet echt gericht was op zijn verslaving, maar meer op psychische problemen.

Op basis van het delictverleden en de risicofactoren wordt het recidiverisico ingeschat op hoog/gemiddeld. Ingeschat wordt dat er een hoog risico is op onttrekken aan voorwaarden. Betrokkene heeft zich tijdens eerdere voorwaardelijke sancties aan de bijzondere voorwaarden onttrokken. Er is, met name gezien de verslavingsproblematiek, sprake van een hoge mate van onmacht. Indien verdachte schuldig wordt bevonden, wordt geadviseerd een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een verplichting tot ambulante behandeling, alsmede een verplichting tot klinische behandeling.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Hoewel de reclassering een gedeeltelijk voorwaardelijke straf adviseert, ziet de rechtbank daarvoor geen aanleiding. Uit de rapportage van de reclassering blijkt niet alleen dat de verdachte zich afgelopen jaar aan een opgelegde voorwaarde van klinische behandeling heeft onttrokken, maar ook dat de kans dat de verdachte zich wederom aan de voorwaarden zal onttrekken groot is. De rechtbank constateert dat de verdachte slechts onder door hem te stellen voorwaarden bereid is mee te werken aan een klinische behandeling en overweegt dat dit niet past binnen het kader van een voorwaardelijke veroordeling.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

8 Vordering benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [slachtoffer 2] ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 627,73 aan materiële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie acht de vordering van de benadeelde partij toewijsbaar en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks materiële schade is toegebracht en deze schade door de verdachte niet (voldoende gemotiveerd) is weersproken, zal de vordering worden toegewezen.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 28 januari 2016.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil,

en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.3.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 627,73.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 43a, 45, 57, 63, 311 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 4 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 5 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], te betalen een bedrag van € 627,73 (zegge: zeshonderdzevenentwintig euro en drieënzeventig eurocent) aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 28 januari 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 627,73 (hoofdsom, zegge: zeshonderdzevenentwintig euro en drieënzeventig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 627,73 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 12 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. N. Doorduijn, voorzitter,

en mrs. C.M.A.T. van der Geest en A.A.T. Werner, rechters,

in tegenwoordigheid van A. Gaal, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 01 februari 2016 te Rotterdam

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een schoolgebouw [slachtoffer 1] (gelegen aan de [adres]) heeft weggenomen een kluisje met inhoud o.a. één of meer kassabonntjes en/of een ING-bankpas en/of een envelop met een geldsom (tussen 1000 en 1500 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, zulks nadat hij, verdachte, die weg te nemen goed(eren) en/of geldsom(men) onder zijn bereik had gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

art. 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 28 januari 2016 te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een pand (gelegen aan de [adres]) weg te nemen geld en/of goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld en/of goed(eren) onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, naar voornoemde pand is gegaan en/of door de ramen naar binnen heeft gegluurd en/of met verdachtes elleboog tegen de deur heeft aangetikt en/of vervolgens met een schroevendraaier, althans een hard en/of scherp voorwerp, een deurstijl heeft getracht te forceren en/of vervolgens een raam met een steen, althans een hard en/of zwaar voorwerp, heeft geforceerd,

terwijl de uitvoering van voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 45 1id 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 12 januari 2016 te Rotterdam

ter uitvoering van het verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een slagerij (gelegen aan [adres]) weg te nemen geld en/of goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld en/of goed(eren) onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, naar voornoemd pand is gegaan en/of (met kracht) een hard en/of zwaar voorwerp op/tegen een/de ra(a)m(en) heeft gegooid en/of geworpen en/of (vervolgens) één of meermalen op/tegen een/de ra(a)m(en) van voornoemde pand heeft geschopt en/of getrapt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 28 januari 2016 te Rotterdam

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een winkelpand (gelegen aan [adres]) heeft weggenomen een kassalade met inhoud, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, zulks nadat hij, verdachte, die weg te nemen goed(eren) en/of geldsom(men) onder zijn bereik had gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op of omstreeks 10 januari 2016 te Rotterdam

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een bedrijfspand (gelegen aan de [adres]) heeft weggenomen een geldsom (ad 600,00 euro) en/of een laptop (merk Acer) en/of een (gouden) armband en/of een vleesmes en/of één of meer plastic tassen en/of een horloge (merk Calvin Klein), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 9] en/of [slachtoffer 10], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, zulks nadat hij, verdachte, die weg te nemen goed(eren) en/of geldsom onder zijn bereik had gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht