Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:6678

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-08-2016
Datum publicatie
29-08-2016
Zaaknummer
10/960208-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte meegekomen met vluchtelingenstroom uit Syrië/Turkije en ontmaskert in AZC. Vormfout in deskundigenrapport door verdachte niet te horen. Daarmede onbruikbaar. Rechtbank passeert opvatting opvolgend deskundige terzake pathologisch liegen nu uit gesprekken en berichten verdachtes serieuze en zakelijke inslag blijkt waar het gaat om zaken aangaande de strijd in Syrië. Aldus lidmaatschap Al Qaida aangenomen, maar exacte rol moeilijk definieerbaar. 10 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EeR 2016, afl. 5, p. 238

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/960208-15

Datum uitspraak: 29 augustus 2016

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Syrië) op [geboortedatum] 1997,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de penitentiaire inrichting [penitentiaire inrichting] ,

raadsman mr. P.T. Verweijen, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 28 juli 2016.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. F. van Veghel heeft, nu hij het tenlastegelegde wel wettig maar niet wettig én overtuigend bewezen acht, vrijspraak van het tenlastegelegde gevorderd.

4 Geldigheid dagvaarding

Standpunt van de verdediging

De dagvaarding dient partieel nietig te worden verklaard en wel wat betreft de zinsnede ‘althans een terroristische Jihadistische strijdgroep’. Immers, niet duidelijk is op welke specifieke terroristische jihadistische strijdgroep wordt gedoeld. Er zijn tientallen terroristische jihadistische strijdgroepen actief in Syrië. In het dossier wordt de verdachte met geen andere terroristische organisatie in verband gebracht dan Al Qaida en/of Islamitische Staat. Gelet hierop is de dagvaarding wat betreft dat specifiek tenlastegelegde deel onvoldoende feitelijk en wordt niet voldaan aan het, in artikel 6, derde lid, onder a, van het EVRM neergelegde, recht op informatie.

Oordeel van de rechtbank

Het verweer wordt verworpen. Het tenlastegelegde, ook de door de raadsman bedoelde zinsnede, is, in combinatie met het onderliggend dossier, voldoende duidelijk voor de verdachte om te kunnen begrijpen wat hem wordt verweten. Uit hetgeen door en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, blijkt dat zulks in casu ook het geval was.

Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die zouden moeten leiden tot nietigverklaring van de dagvaarding, is de dagvaarding geldig.

5 Artikel 5 EVRM

Standpunt van de verdediging

Ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting zit de verachte al bijna acht maanden gedetineerd in het strengst mogelijke detentieregime dat Nederland kent.

Hoewel door de verdediging verzocht, heeft noch de rechter-commissaris, noch de raadkamer gevangenhouding van deze rechtbank, noch de raadkamer gevangenhouding van het gerechtshof te Den Haag en evenmin de rechtbank bij gelegenheid van twee pro formazittingen een letter motivering gewijd aan hoe de ernstige bezwaren concreet werden ingevuld in deze zaak. Nu dit op geen enkel moment is gemotiveerd, is gehandeld in strijd met het Europeesrechtelijke vereiste, dat beslissingen betreffende de voorlopige hechtenis dienen te worden gemotiveerd en concreet dienen te worden getoetst. Het directe gevolg daarvan is schending van artikel 5 van het EVRM.

Oordeel van de rechtbank

Het verweer wordt verworpen. Ofschoon artikel 5 van het EVRM met name in het vizier komt in situaties waarin niet tot bewezenverklaring wordt gekomen, is de rechtbank van oordeel dat zij, c.q. de raadkamer van zowel deze rechtbank als die van het gerechtshof te Den Haag, c.q. de rechter-commissaris steeds in redelijkheid tot oplegging van de voorlopige hechtenis kon komen en dat deze beslissingen, onder verwijzing van gronden en bezwaren die steeds waren op te maken uit de destijds ter beschikking staande dossiers

– die weliswaar gedurende de procedure zijn toegenomen maar waarbij ook de kennis van de verdediging steeds toenam – voldoende gemotiveerd zijn.

6 Waardering van het bewijs

Het waarheidsgehalte van de inhoud van gesprekken door en mededelingen en verklaringen van de verdachte

In de zaak tegen de verdachte zijn meerdere deskundigenrapporten uitgebracht.

Door de deskundigen dr. G. Wolters en dr. F. Poletiek is op 22 maart 2016 een rapport betreffende een onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van de verdachte uitgebracht. Wolter en Poletiek hebben echter verzuimd de verdachte te interviewen ten behoeve van hun rapportage. Daarnaast hebben zij, zonder daartoe opdracht te hebben verkregen, de bewijs- en de kwalificatievraag beantwoord. Dat laatste lag en ligt niet op hun weg en zij zijn daarmee buiten hun onderzoeksopdracht getreden. Het eerste verzuim, het nalaten van het interviewen van de verdachte, beschouwt de rechtbank als een zodanig ernstige vormfout in het onderzoek, dat het rapport van Wolters en Poletiek onbruikbaar is.

Namens Recuper Expertise is door de deskundigen drs. E.J.F.L. Olivier en drs. T.C. van Caspel, op 12 juli 2016 een onderzoeksrapport omtrent de verdachte uitgebracht. Olivier en Van Caspel opperen in dit rapport de alternatieve mogelijkheid dat de verdachte lijdt aan ‘pseudologia fantastica’ (pathologisch liegen) en lijken hier gaandeweg het rapport zelf steeds meer in te geloven. Zij concluderen onder meer dat hoewel verdachte beseft dat hij zichzelf door zijn verklaringen ernstig benadeelt, hij de drang deze verklaringen te doen niet kan weerstaan.

De rechtbank hecht echter meer waarde aan de conclusies in het NIFP-rapport betreffende de verdachte, van 10 juni 2016 door de deskundigen A.E. Grochowska en R. Haveman, respectievelijk psychiater en gz-psycholoog. Gelet op de inhoud en conclusies van laatstgenoemd rapport, acht de rechtbank het zeer wel aannemelijk dat bij de verdachte, als gevolg van het verlies van zijn twee broers, sprake is van een pathologische rouwreactie die als posttraumatische rouwreactie kan worden geclassificeerd en dat er tevens sprake is van een aanpassingsstoornis met emotionele en gedragsmatige kenmerken. De psychiater concludeert ook dat er enige aanwijzingen zijn voor compensatiegedrag: opschepperij, stoerdoenerij en roekeloosheid. Gelet hierop acht de rechtbank het dan ook reëel dat de verdachte zijn eigen rol en capaciteiten meer dan eens heeft overdreven in plaats van dat hij zijn uitlatingen deed vanwege een onweerstaanbare drang hiertoe. Zo heeft de verdachte ter terechtzitting ook verklaard dat hij zijn verklaringen tegen zijn medebewoners van het AZC, niet vertelde vanuit een drang dat te moeten doen, maar om op te scheppen. Echter, de rechtbank is van oordeel dat niet alles dat in het onderhavige dossier aan de verdachte wordt toegeschreven kan worden afgedaan als opschepperij. In dit verband kan onder meer worden gewezen op hetgeen hierna wordt overwogen omtrent het WhatsApp-gesprek 109, maar bijvoorbeeld ook op zijn geuite ‘blijdschap’ over de gebeurtenissen in Parijs en de foto’s op zijn mobiele telefoon.

WhatsApp-gesprek 109

De verdachte werd op 30 november 2015, op bevel van de officier van justitie, buiten heterdaad aangehouden op verdenking van overtreding van artikel 140a van het Wetboek van Strafrecht. Hierbij werd bij de verdachte een mobiele telefoon aangetroffen, met het mobiele telefoonnummer [nummer]1, die aan de verdachte toebehoorde.2 De data-inhoud van de inbeslaggenomen telefoon werd vervolgens veiliggesteld en aan het onderzoeksteam ter beschikking gesteld.3

In de mobiele telefoon stonden diverse WhatsApp-gesprekken opgeslagen, in totaal 136 sessies.4 In één van die sessies, gesprek 109, wordt door de verdachte bemiddeld bij het deserteren uit ‘het leger’ van een militair die zich op dat moment in Aleppo bevindt.

In tegenstelling tot hetgeen de raadsman heeft bepleit, kort gezegd dat de inhoud van onder meer de WhatsApp-gesprekken van de verdachte beoordeeld moet worden in het licht van opschepperij en leugenachtigheid, is de rechtbank van oordeel dat WhatsApp-gesprek 109, ook aan de zijde van de verdachte, serieus en zakelijk bedoeld is en om die reden niet kan worden gezien, zoals de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard, als een verhaal dat hij maar vertelde om het gesprek af te kappen. Zowel de verdachte als zijn gesprekspartner kennen elkaar en nemen elkaar in dit gesprek zeer serieus en spreken op zakelijke wijze in een sfeer van het creëren van een onderhandelingspositie. Er wordt op zakelijke wijze informatie uitgewisseld over hoe een persoon te laten deserteren, informatie waarvan de ander niet opkijkt; daar is niets ‘opschepperigs’ aan. Hierin wordt dan ook de sleutel gezien hoe de verdachte en de inhoud van de zich in het dossier bevindende gesprekken, berichtenuitwisselingen en foto’s te taxeren.

Het voorgaande maakt dat de rechtbank, in tegenstelling tot de officier van justitie, wel tot wettig én overtuigend bewijs van het tenlastegelegde komt en de opvatting van Recuper Expertise over de waarde en daarmede bruikbaarheid van de verklaringen van de verdachte passeert en buiten beschouwing laat.

De bewezenverklaarde periode

Ofschoon, zoals hierna blijkt, een ruime periode bewezen wordt verklaard, gaat de rechtbank uit van een kortere periode van actief lidmaatschap van de verdachte van Al Qaida in Syrië gelet op zijn vertrek naar Turkije. Wanneer dit vertrek exact heeft plaatsgevonden kan niet worden vastgesteld, maar dit was, zoals de verdachte zelf ook aangeeft, kennelijk in 2014. De rechtbank is evenwel van oordeel dat nadien voorvallende gebeurtenissen, feiten en getuigenverklaringen mede tot bewijs van dat lidmaatschap in Syrië kunnen strekken.

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij in de periode van 01 mrt 2013 tot en met 01 okt 2015 te Syrië

heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten Al Qaida , welke organisatie

tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven, namelijk

A. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar

lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit

feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van

Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in

artikel 176a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

B. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in

artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

C. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel

289 jo 83 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

D. het opzettelijk en wederrechtelijk doen zinken en/of stranden en/of

verongelukken en/of vernielen en/of onbruikbaar maken en/of beschadigen van

een vaartuig en/of voertuig en/of luchtvaartuig, terwijl daarvan levensgevaar

voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft

(zoals bedoeld in artikel 168 Wetboek van Strafrecht) (te) begaan met een

terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het Wetboek van

Strafrecht) en/of

E. de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot

eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176b en/of 289a en/of 96

lid 2) en/of

F. het voorhanden hebben van een of meer wapens en/of van munitie van de

categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet Wapens

en Munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk

om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals

bedoeld in artikel 55 lid 1 en/of lid 5 van de Wet Wapens en Munitie).

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

7 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

8 Strafbaarheid verdachte

Met verwijzing naar hetgeen hiervoor is besproken met betrekking tot de diverse deskundigenrapporten omtrent de verdachte, is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. In voornoemd NIFP rapport concluderen de deskundigen dat zij geen aanwijzingen hebben gevonden dat de persoonlijkheidsproblematiek een relatie heeft met het tenlastegelegde.

De verdachte is dus strafbaar.

9 Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan deelneming aan een terroristische organisatie, te weten Al Qaida in Syrië. Het deelnemen van de verdachte heeft hierin bestaan dat de verdachte, gedurende de thans bewezen verklaarde periode, een meer of minder betrokken rol heeft vervuld bij de diverse terroristische misdrijven zoals tenlastegelegd en thans bewezenverklaard.

De exacte rol van de verdachte in het geheel van het bewezenverklaarde is slecht definieerbaar. Uit de zich in het onderliggend dossier bevindende foto’s is af te leiden dat de verdachte kennelijk gewapend lid was van Al Qaida. Hoewel niet valt vast te stellen dat de verdachte daadwerkelijk gevechtshandelingen heeft verricht, blijkt het oogmerk van de verdachte, tot deelneming aan een terroristische organisatie en daarmee tot het plegen van de daarmee samenhangende terroristische misdrijven zoals bewezenverklaard, afdoende uit de inhoud van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen.

Aldus heeft de verdachte bijdragen geleverd dan wel beoogd te leveren aan de gewelddadige jihadstrijd in Syrië. Immers, het handelen van de verdachte was gericht op voortduring van die strijd, een strijd waarin dagelijks velen op gruwelijke wijze om het leven komen. Het is een feit van algemene bekendheid dat jihadistische groeperingen in Syrië, waaronder Al Qaida, zich op grote schaal schuldig maken aan grove mensenrechtenschendingen.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

8 juli 2016, waaruit blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Zoals eerder in dit vonnis overwogen, hebben de deskundigen Grochowska en Haveman,

namens het Nederlands Instituut voor Psychiatrie en Psychologie (NIFP), omtrent de verdachte een rapport opgemaakt.

Nu de conclusies van de psychiater en psycholoog gedragen worden door hun bevindingen, neemt de rechtbank die conclusies over en maakt die tot de hare.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het, namens Reclassering Nederland opgemaakte, reclasseringsadvies betreffende de verdachte van 21 juli 2016.

Gezien zowel de ernst van het feit als de illegale verblijfsstatus van de verdachte, kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

10 Toepasselijk wettelijk voorschrift

Gelet is op artikel 140a van het Wetboek van Strafrecht.

11 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12 Beslissing

De rechtbank:

verklaart de dagvaarding geldig;

verklaart bewezen, dat de verdachte het tenlastegelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de tot dan toe ondergane verzekering en voorlopige hechtenis gelijk zal zijn aan die van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J. van der Groen, voorzitter,

en mrs. M.M. Koevoets en D.L. Spierings, rechters,

in tegenwoordigheid van R. Meulendijk, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 augustus 2016.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij in of omstreeks 01 mrt 2013 tot en met 01 okt 2015 te Syrië, met een of

meer anderen,

heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten Al Qaida en/of Islamitische

Staat, althans een terroristische Jihadistische strijdgroep, welke organisatie

tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven, namelijk

A. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar

lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit

feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van

Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in

artikel 176a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

B. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in

artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

C. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel

289 jo 83 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

D. het opzettelijk en wederrechtelijk doen zinken en/of stranden en/of

verongelukken en/of vernielen en/of onbruikbaar maken en/of beschadigen van

een vaartuig en/of voertuig en/of luchtvaartuig, terwijl daarvan levensgevaar

voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft

(zoals bedoeld in artikel 168 Wetboek van Strafrecht) (te) begaan met een

terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het Wetboek van

Strafrecht) en/of

E. de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot

eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176b en/of 289a en/of 96

lid 2) en/of

F. het voorhanden hebben van een of meer wapens en/of van munitie van de

categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet Wapens

en Munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk

om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals

bedoeld in artikel 55 lid 1 en/of lid 5 van de Wet Wapens en Munitie);

art 140a lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 Proces-verbaal van bevindingen, LERCA15041-31, einddossier onderzoek 26Sylvaner, doorgenummerde dossierpagina’s 344 en 345.

2 Proces-verbaal verhoor, LERCA15041-58, einddossier onderzoek 26Sylvaner, doorgenummerde dossierpagina’s 479 tot en met 493.

3 Proces-verbaal veiligstellen data mobiele telefoon, nummer 021220151330, einddossier onderzoek 26Sylvaner, doorgenummerde dossierpagina 341.

4 Proces-verbaal van bevindingen, LERCA15051-78, einddossier onderzoek 26Sylvaner, doorgenummerde dossierpagina’s 408 tot en met 413.