Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:6595

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-08-2016
Datum publicatie
06-09-2016
Zaaknummer
ROT-16_7934
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:3343, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verzoek om vrijstelling griffierecht is afgewezen. De situatie van een uitkering naar de kostendelersnorm is qua betalingsmogelijkheden en –onmacht van griffierecht, geen andere situatie dan bij de gewone uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummer: ROT 15/7934

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 augustus 2016 in de zaak tussen

[eiser] te Rotterdam, eiser,

en

de Staatsecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. R. Faassen.

Procesverloop

Bij besluit van 11 september 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag om een Verklaring omtrent het gedrag afgewezen.

Bij besluit van 19 november 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2016. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt door de griffier van de indiener van het beroepschrift een griffierecht geheven.

Artikel 8:41, zesde lid, van de Awb bepaalt dat, indien het verschuldigde bedrag niet of niet tijdig is bijgeschreven of gestort, het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest.

2. Bij brief van 16 december 2015 heeft de rechtbank eiser erop gewezen dat het verschuldigde griffierecht binnen vier weken na de dag van verzending van de mededeling dat een dergelijk recht verschuldigd is, bijgeschreven moet zijn op de rekening van de rechtbank. Het griffierecht is niet binnen deze termijn betaald.

3. Bij brief van 9 januari 2016 heeft eiser een verzoek gedaan om vrijstelling van de verplichting griffierecht te betalen. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen bij brief van

9 februari 2016. Eiser voldoet niet aan het criterium uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 13 februari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:282). Daarin is bepaald dat het netto inkomen lager moet zijn dan 90% van de voor een alleenstaande geldende maximale norm voor de bijstand. Eiser is bij brief van 10 februari 2016 gevraagd het griffierecht alsnog binnen vier weken na de dag van verzending van die brief te voldoen. Op 10 maart 2016 is een herinnering verzonden met opnieuw een termijn van vier weken. Eiser heeft het griffierecht niet betaald.

4. Eiser beroept zich op betalingsonmacht. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat hij regelingen heeft getroffen met zijn schuldeisers, waardoor hij na de ontvangst van zijn uitkering direct een hoog bedrag moet afstaan. Per maand houdt hij ongeveer € 80,- over om van te leven. Noodgedwongen is hij weer bij zijn moeder gaan wonen, die slechts het minimumloon verdient. Zijn grootmoeder woont ook op dit adres.

5. Uit de uitkeringsspecificatie van de gemeente Rotterdam blijkt dat eiser maandelijks een bedrag van € 572,04 ontvangt, zonder vakantiegeld, op grond van de Participatiewet. Bij de bepaling van dit bedrag is eiser aangemerkt als een alleenstaande boven de 21 jaar, een zogenoemde kostendeler. Dat betekent dat eiser in hetzelfde huis woont met een of meer personen met wie hij de kosten kan delen.

6. De rechtbank is van oordeel dat in de situatie van uitkering naar de kostendelersnorm qua betalingsmogelijkheden en –onmacht van griffierecht, er geen andere situatie is dan bij de gewone uitkering. Bij de invoering van de kostendelersnorm is onder andere verwezen naar budgetonderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (Centraal Bureau voor de Statistiek. (2004). Equivalentiefactoren 1995–2000. Voorburg/Heerlen). De uitgangspunten van de kostendelersnorm vinden hierin bevestiging in die zin dat blijkt dat hoe meer mensen samenwonen, des te lager de kosten per persoon van levensonderhoud zijn. Zo heeft bijvoorbeeld een vierpersoonshuishouden niet vier keer zoveel kosten als een eenpersoonshuishouden, maar twee keer zoveel.

6.1.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser terecht niet is vrijgesteld van de betaling van het griffierecht omdat er bij hem geen sprake is van betalingsonmacht in de zin van de uitspraak van de CRvB van 13 februari 2015.

6.2.

Het beroep is niet-ontvankelijk.

6.3.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Houweling, rechter, in aanwezigheid van

mr. I.M.L.J. Spierings, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.