Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:6577

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-08-2016
Datum publicatie
29-09-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 5731
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

IOAW, de uitbetaling van niet opgenomen vakantiedagen is aan te merken als loon uit een vroegere dienstbetrekking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 15/5731

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 augustus 2016 in de zaak tussen

[eiser], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. F.L. Jagt.

Procesverloop

Bij besluit van 16 januari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering van eiser op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) over de periode van 1 oktober 2014 tot en met 30 november 2014 herzien en de in die periode verstrekte uitkering van eiser tot een bedrag van € 403,99 teruggevorderd.

Bij besluit van 31 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser hiertegen ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2016. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is werkzaam als postbode. Sinds 11 maart 2014 ontvangt eiser als aanvulling op zijn inkomen daaruit een uitkering op grond van de IOAW. Op 30 september 2014 is eiser ontslagen wegens overtolligheid om vervolgens per 1 oktober 2014 op basis van een nieuw contract weer te beginnen als postbezorger.

2. Verweerder stelt in het bestreden besluit – kort samengevat – dat eiser over de maand oktober 2014 een bedrag van € 403,99 dient terug te betalen. Voor de maand november 2014 geldt dat de afkoop van niet opgenomen vakantie-uren binnen de IOAW als inkomen wordt gezien. Daarom is de door eiser ontvangen vergoeding hiervoor als inkomsten over november 2014 aangemerkt en had eiser in deze maand geen recht op een IOAW uitkering, aldus verweerder.

3. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat verweerder over de maand oktober 2014 € 403,99 van eiser kan terugvorderen.

In geschil is of verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat eiser in de maand november 2014 geen recht had op een IOAW uitkering.

4. Ter zitting heeft verweerder zich nader op het standpunt gesteld dat, anders dan in het bestreden besluit overwogen, de uitbetaling van de vakantie-uren dient te worden aangemerkt als loon dat uit een vroegere dienstbetrekking wordt genoten, zodat het onder overig inkomen valt in de zin van artikel 2.4, eerste lid, en onder q, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten.

4.1

Gelet hierop mist het bestreden besluit een deugdelijke motivering, zodat verweerder artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft geschonden. Het bestreden besluit dient reeds hierom te worden vernietigd en het beroep is gegrond. De rechtbank zal op grond van artikel 8:72, eerste lid en onder a, van de Awb bezien of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit op basis van de nieuwe motivering in stand kunnen blijven.

5.1

Op grond van artikel 8, eerste lid, onder b, van de IOAW wordt voor de alleenstaande werkloze werknemer onder inkomen verstaan zijn inkomen uit arbeid of overig inkomen.

Op grond van artikel 8, derde lid, van de IOAW wordt, voor zover van belang, bij algemene maatregel van bestuur bepaald wat wordt verstaan onder inkomen uit arbeid of overig inkomen als bedoeld in het eerste lid.

Deze bepaling is uitgewerkt in het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (het Inkomensbesluit). In de artikelen 2.2, 2.3 en 2.4 van het Inkomensbesluit is een opsomming gegeven van de vormen van inkomsten die moeten worden aangemerkt als respectievelijk “inkomen uit arbeid” (artikelen 2.2 en 2.3) en “overig inkomen” (artikel 2.4).

5.2

Op grond van de jurisprudentie van Centrale Raad van Beroep, waaronder de uitspraken waar verweerder ter zitting naar heeft verwezen van 18 mei 2004, ECLI:CRVB:2004:AP0540 en ECLI:NL:CRVB:2006:AV8808, is een vergoeding voor niet opgenomen vakantiedagen geen inkomen uit arbeid. De rechtbank is dan ook met partijen van oordeel dat dient te worden bezien of deze uitbetaling als overig inkomen moet worden aangemerkt.

6. Verweerder stelt zich (ter zitting) op het standpunt dat de uitbetaling van de vakantie-uren dient te worden aangemerkt als loon dat uit een vroegere dienstbetrekking wordt genoten, zodat het onder overig inkomen valt in de zin van artikel 2.4, eerste lid, en onder q van het Inkomensbesluit. Eiser voert aan dat de uitbetaling van niet opgenomen vakantie-uren valt onder de in artikel 2.4, tweede lid 2 en onder b, van het Inkomensbesluit genoemde uitzondering, zodat het niet als overig inkomen dient te worden gezien.

6.1

Op grond van artikel 2.4, eerste lid, en onder q, van het Inkomensbesluit wordt onder overig inkomen verstaan: loon dat uit een vroegere dienstbetrekking wordt genoten.

Op grond van artikel 2.4, tweede lid en onder b, van het Inkomensbesluit wordt in afwijking van het eerste lid niet als overig inkomen beschouwd: een eenmalige uitkering die na beëindiging van de dienstbetrekking aan een werknemer in verband met die beëindiging wordt betaald.

6.2

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de uitbetaling van de niet opgenomen vakantiedagen aan eiser is aan te merken als loon uit een vroegere dienstbetrekking. Eiser heeft hier loonbelasting over betaald en ook overigens valt dit onder de definitie van loon, zoals opgenomen in het Inkomensbesluit.

Deze uitbetaling valt niet onder de uitzondering van artikel 2.4, tweede lid en onder b van het Inkomensbesluit. Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende.

In een brief van 22 oktober 1986 aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Tweede Kamer, vergaderjaar 1986-1987, 17 475, nr. 12) naar aanleiding van een mondeling overleg over het concept-Inkomensbesluit IOAW en het - gelijkluidende - concept-Inkomensbesluit Toeslagenwet heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid onder meer het volgende opgenomen:

Tijdens het mondeling overleg hebben de heren Weijers en Linschoten gevraagd de mogelijkheden te bezien van het op andere wijze in de inkomenstoets betrekken van bovenwettelijke uitkeringen. Na bestudering van de door deze leden gedane suggesties is het kabinet tot de conclusie gekomen dat het niet raadzaam is wijziging te brengen in de op dit punt in het concept-inkomensbesluit neergelegde voornemens. Wel is het naar de mening van het kabinet mogelijk om - zonder aantasting van de essentie van de TW en de IOAW als minimumbeschermingsregeling - een uitkering ineens die bij de beëindiging van de dienstbetrekking ter vrije besteding van de werknemer komt, niet als inkomen aan te merken.

(…)

Het kabinet heeft zich beraden of nog op een andere wijze kan worden tegemoet gekomen aan de (…) wens om aanvullingen op loondervingsuitkeringen niet in aanmerking te nemen bij de beoordeling van het recht op toeslag en IOAW-uitkering. In het kader van afvloeiingsregelingen kunnen uitkeringen ineens worden verstrekt, welke ter vrije besteding van de werknemers komen. Op grond van het inkomensbesluit, zoals dat (…) in concept aan het parlement is gezonden, worden dergelijke uitkeringen niet in aanmerking genomen, indien deze worden verstrekt vóór de dienstbetrekking is geëindigd. Eenmalige uitkeringen na beëindiging van de dienstbetrekking worden wel in aanmerking genomen. Het kabinet is bereid om laatstbedoelde uitkeringen eveneens buiten beschouwing te laten.

(onderstrepen door de rechtbank).

Deze passages zijn nog steeds relevant voor het huidige Inkomensbesluit en hieruit volgt dat de in artikel 2, tweede lid en onder b, van het Inkomensbesluit opgenomen uitzondering ziet op een ontslagvergoeding of afvloeiingsregeling. Omdat de besluitgever dit expliciet als uitzondering op de hoofdregel van artikel 2.4, eerste lid, en onder q, van het Inkomensbesluit heeft opgenomen, is voor een verderstrekkende uitleg van artikel 2.4, tweede lid en onder b, van het Inkomensbesluit geen plaats.

7. Eiser heeft ter zitting aangevoerd dat de IOAW tot doel heeft om ouderen een vermogen op te laten bouwen en te laten sparen voor later. Dit algemene uitgangspunt is juist, maar betekent niet dat daarom in dit concrete geval een bepaling uit het Inkomens-besluit opzij moet worden gezet (artikel 2.4, eerste lid, en onder q, van het Inkomensbesluit) of moet worden opgerekt (artikel 2.4, tweede lid en onder b, van het Inkomensbesluit). Daartoe bestaat gelet op de door de besluitgever gemaakte afweging geen aanleiding.

Een zogenoemde hardheidsclausule, die bij een onredelijke resultaat van deze bepalingen uit het Inkomensbesluit er toe zou kunnen leiden dat alsnog een andere uitkomst mogelijk is, ontbreekt eveneens.

8. Gezien hetgeen overwogen onder 4.1 is het beroep gegrond. Verweerder dient daarom het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit kunnen echter in stand blijven, omdat verweerder op basis van de gewijzigde motivering terecht stelt dat eiser in de maand november 2014 geen recht had op een IOAW uitkering.

9. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 45,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.M. Jurgens, rechter, in aanwezigheid van

mr. M. Noordegraaf, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.