Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:6479

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-07-2016
Datum publicatie
14-09-2016
Zaaknummer
C/10/505077 / KG ZA 16-734
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Executiegeschil met WWZ-aspect. Ambtshalve toetsing termijn gefixeerde schadevergoeding ex artikel 7:686a lid 4 sub a jo. artikel 7:677 lid 2 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-1013
AR 2016/2660
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/505077 / KG ZA 16-734

Vonnis in kort geding van 21 juli 2016

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. H. van der Wilt,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ONDERWIJSPOST B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. J. van der Voet.

Partijen zullen hierna [eiseres] en OnderwijsPost genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord in kort geding

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van [eiseres] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] , op 20 januari 2012 in dienst getreden bij OnderwijsPost, is bij brief van 15 december 2015 op staande voet ontslagen.

2.2.

[eiseres] heeft op 5 februari 2016 een verzoek strekkende tot vernietiging van het ontslag opstaande voet bij de kantonrechter van deze rechtbank ingediend. Op 19 februari 2016 heeft OnderwijsPost een verweerschrift ingediend en daarbij tevens een tegenverzoek tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding, een bedrag ter zake van de eindafrekening van de arbeidsovereenkomst alsmede een boete.

2.3.

In het kader van het door haar gedane tegenverzoek heeft OnderwijsPost op 27 mei 2016 en 31 mei 2016 conservatoir (derden)beslag doen leggen op de woning van [eiseres] (appartementsrecht), op zijn personenauto en al zijn bankrekeningen alsmede op de huishoudelijke inboedel ter hoogte van een bedrag van € 24.261,-.

2.4.

De kantonrechter van deze rechtbank heeft bij tussenbeschikking van 4 april 2016 OnderwijsPost opgedragen bewijs te leveren van, kort gezegd, de dringende reden die zij aan het gegeven ontslag op staande voet ten grondslag heeft gelegd. Bij wijze van voorlopige voorziening is OnderwijsPost daarnaast veroordeeld om gedurende het geding het salaris van € 3.735,- bruto per maand te betalen vanaf 15 december 2015 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd.

2.5.

Na getuigenverhoor heeft de kantonrechter bij beschikking van 20 juni 2016 geoordeeld dat OnderwijsPost in haar bewijsopdracht is geslaagd. De kantonrechter heeft het verzoek van [eiseres] tot vernietiging van het ontslag op staande voet afgewezen. Met betrekking tot het tegenverzoek en de nevenvorderingen van OnderwijsPost heeft de kantonrechter [eiseres] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 5.602,50 aan gefixeerde schadevergoeding en een bedrag van € 2.721,51 ter zake van de eindafrekening, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.6.

Bij exploot van 29 juni 2016 heeft de deurwaarder de beschikking van 20 juni 2016 aan [eiseres] betekend. en de executie daarvan aangezegd indien daar niet binnen twee dagen na dagtekening van het exploot aan is voldaan.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert:

  1. opheffing van de op 27 mei 2016 en 31 mei 2016 gelegde (derden)beslagen,

  2. schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikking van 20 juni 2016 (subsidiair: schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van deze beschikking) voor de duur van het nog aanhangig te maken appel, op straffe van verbeurte van een dwangsom,

  3. veroordeling van OnderwijsPost in de proceskosten.

3.2.

Het verweer van OnderwijsPost strekt tot afwijzing van de vordering.

4 De beoordeling

4.1.

In een executiegeschil kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een vonnis slechts schorsen, indien hij van oordeel is dat de executant mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad - geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

4.2.

[eiseres] stelt in de eerste plaats dat sprake is van een juridische misslag, omdat de tussenbeschikking van 4 april 2016 en de eindbeschikking van 20 juni 2016 volgens haar innerlijk tegenstrijdig zijn. In r.o. 5.15 van de tussenbeschikking van 4 april 2016 is overwogen dat ‘OnderwijsPost ervoor heeft gekozen [eiseres] te ontslaan terwijl nog niet sluitend was vastgesteld wat er precies is gebeurd’ en dat ‘het onderzoek (…) grotendeels pas achteraf (heeft) plaatsgevonden’ en ‘evenmin uitsluitsel biedt’, terwijl OnderwijsPost in dezelfde tussenbeschikking wel wordt toegelaten tot bewijslevering op dit punt, waarbij de bewijslevering uiteindelijk heeft geleid tot het in de beschikking van 20 juni 2016 gegeven oordeel dat OnderwijsPost in haar bewijsopdracht is geslaagd. R.o. 5.15 van de tussenbeschikking heeft echter betrekking op de door [eiseres] bij wijze van voorlopige voorziening verzochte salarisdoorbetaling en moet in zoverre als niet meer dan een voorlopig oordeel worden beschouwd. Dat het in de eindbeschikking gegeven oordeel daarvan - na bewijslevering - afwijkt, maakt dat oordeel niet innerlijk tegenstrijdig met het eerder gegeven voorlopige oordeel. In die zin is van een juridische misslag geen sprake.

4.3.

Op grond van artikel 7:686a lid 4 sub a jo. artikel 7:677 lid 2 BW dient de door OnderwijsPost bij wijze van tegenverzoek gevorderde gefixeerde schadevergoeding te worden ingediend binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Op basis van de wetgeschiedenis van de op 1 juli 2015 ingevoerde WWZ heeft er zich in de jurisprudentie en de literatuur een voldoende breed gedragen opvatting ontwikkeld dat de in artikel 7:686a lid 4 BW vermelde termijnen ambtshalve door de rechter dienen te worden getoetst. In de beschikking van 20 juni 2016 heeft de kantonrechter er echter geen blijk van gegeven dat ambtshalve is beoordeeld of de door OnderwijsPost ingestelde vordering uit hoofde van de gefixeerde schadevergoeding binnen de termijn van twee maanden is ingediend. Indien ambtshalve toetsing wel heeft plaatsgevonden, had dit in ieder geval tot het oordeel moeten leiden dat de termijn van artikel 7:686a lid 4 BW is overschreden. Immers met het oordeel van de kantonrechter dat het op 15 december 2015 verleende ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven, is de arbeidsovereenkomst per die datum tot een einde gekomen en moest de vordering uit hoofde van gefixeerde schadevergoeding uiterlijk op 16 februari 2016 ingediend worden. Blijkens de tussenbeschikking van 4 april 2016 is dit echter pas op 19 februari 2016 gebeurd en dat is dus te laat. De door OnderwijsPost gevorderde gefixeerde schadevergoeding had dan ook afgewezen moeten worden. Nu dit niet is gedaan, is sprake van een kennelijke juridische misslag en dient de tenuitvoerlegging van de beschikking van 20 juni 2016 op dit onderdeel te worden geschorst.

4.4.

Voor de vordering ter zake van de eindafrekening van de arbeidsovereenkomst geldt de vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4 BW naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet. Anders dan [eiseres] stelt is van een juridische misslag op dit punt geen sprake.

4.5.

Het voorgaande brengt mee dat de tenuitvoerlegging van de beschikking van 20 juni 2016 zal worden geschorst voor zover deze ziet op de veroordeling tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding van € 5.602,50, een en ander totdat in hoger beroep een eindbeslissing is gegeven over de ontslagzaak en onder de voorwaarde dat [eiseres] binnen twee weken na de datum van dit vonnis de appeldagvaarding uitbrengt. Het verhaal onder de gelegde beslagen, die op grond van de grosse van de beschikking van 20 juni 2016 inmiddels executoriale kracht hebben gekregen, zal worden beperkt tot verhaal voor de in die beschikking toegewezen bedragen van € 2.721,51 ter zake van de eindafrekening en € 900,- aan proceskosten, te vermeerderen met de executiekosten als bedoeld in artikel 3:277 lid 1 BW.

4.6.

Nu de tenuitvoerlegging van de beschikking van 20 juni 2016 door middel van dit vonnis zal worden geschorst, is het niet nodig om daar een dwangsom aan te verbinden.

4.7.

Nu beide partijen op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

schorst de tenuitvoerlegging van de beschikking van 20 juni 2016 voor zover deze ziet op de veroordeling tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding van € 5.602,50, een en ander totdat in hoger beroep een eindbeslissing is gegeven over de ontslagzaak en onder de voorwaarde dat [eiseres] binnen twee weken na de datum van dit vonnis de appeldagvaarding uitbrengt,

5.2.

beperkt het verhaal van de op 27 mei 2016 en 31 mei 2016 gelegde (derden)beslagen op de woning van [eiseres] (appartementsrecht), op zijn personenauto en al zijn bankrekeningen alsmede op de huishoudelijke inboedel tot verhaal voor de in die beschikking toegewezen bedragen van € 2.721,51 ter zake van de eindafrekening en € 900,- aan proceskosten, te vermeerderen met de executiekosten als bedoeld in artikel 3:277 lid 1 BW,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. van den Bergh en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2016.

2438/2504