Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:6183

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-06-2016
Datum publicatie
10-08-2016
Zaaknummer
503276 / HA RK 16-454
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek toegewezen. Gebleken is dat zich in de procedure van de voortduring van de opgelegde maatregel van bewaring een wezenlijk gebrek heeft voorgedaan, zodanig dat van een eerlijk proces geen sprake is geweest. Dat heeft geleid tot doorbreking van het appelverbod en vernietiging van de uitspraak van de rechter. Een en ander heeft bij verzoeker de vrees opgeroepen dat de rechter, na terugverwijzing van de zaak door de Afdeling, daarover niet onpartijdig zal kunnen oordelen. Daar komt bij dat de gemachtigde van verzoeker ter zitting aan de wrakingskamer een faxbericht van 16 juni 2016 heeft overhandigd met daarin de mededeling dat de verdere behandeling van de zaak waarin het wrakingsverzoek is gedaan zal plaatsvinden op 22 juni 2016 en wel door de gewraakte rechter, terwijl het wrakingsverzoek nog niet ter zitting is behandeld en daarop nog niet is beslist. Onder deze omstandigheden is thans, naar objectieve maatstaven bezien, op deze grond de door verzoeker geuite vrees voor een gebrek aan onpartijdigheid bij de gewraakte rechter gerechtvaardigd te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Zaaknummer / rekestnummer: 10/503276 / HA RK 16-454

Beslissing van 17 juni 2016

op het verzoek van

[naam verzoeker] ,

verzoeker,

gemachtigde mr. mr. C.F. Wassenaar,

strekkende tot wraking van:

mr. A.P. Hameete, rechter in de rechtbank Rotterdam, afdeling Publiek, team 2

(hierna: de rechter).

1 Het procesverloop en de processtukken

Op 15 april 2016 is door de rechter uitspraak gedaan in de procedure met zaaknummer 16/6878 tussen verzoeker en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie ten aanzien van de rechtmatigheid van de voortduring van de aan verzoeker opgelegde maatregel van bewaring. Het beroep is door de rechter ongegrond verklaard. Verzoeker is ondanks het appelverbod tegen voornoemde uitspraak in hoger beroep gekomen wegens schending van het beginsel van hoor en wederhoor. Bij uitspraak van 24 mei 2016, 201602790/1/V3 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) het hoger beroep van verzoeker gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank van 15 april 2016 vernietigd en de zaak terugverwezen naar de rechtbank.

1.2

Na terugverwijzing heeft de procedure het zaaknummer 16/11599 gekregen. Door verweerder is op 30 mei 2016 schriftelijk gereageerd op de gronden van het beroep, waarna de gemachtigde van verzoeker op 3 juni 2016 schriftelijk heeft gereageerd. Bij brief van 6 juni 2016 is verzoeker uitgenodigd voor de zitting van 8 juni 2016, waar de rechter het beroep zou behandelen. Bij brief van 7 juni 2016 heeft de gemachtigde van verzoeker de rechter in overweging gegeven zich te verschonen. Bij brief van 8 juni 2016 heeft de rechter aan verzoeker medegedeeld geen gebruik te maken van zijn verschoningsrecht. Tijdens de zitting van 8 juni 2016 heeft de gemachtigde van verzoeker de rechter gewraakt.

1.3

De wrakingskamer heeft kennis genomen van de griffiedossiers van de bovengenoemde procedures, waarin zich onder meer bevindt het proces-verbaal van de zitting van 8 juni 2016, alsmede de (nadere) schriftelijke toelichting op het wrakingsverzoek.

1.4

Verzoeker alsmede de rechter zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd. De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt bij e-mailbericht van 9 juni 2016.

1.5

Ter zitting van 17 juni 2016, waar het wrakingsverzoek is behandeld, is de gemachtigde van verzoeker verschenen. De rechter heeft voorafgaand aan de zitting te kennen gegeven niet te zullen verschijnen. De gemachtigde van verzoeker heeft ter zitting het standpunt van verzoeker (nader) toegelicht. Daarbij heeft hij een faxbericht van deze rechtbank van 16 juni 2016 in de zaak 16/11599 overgelegd.

2 Het verzoek en de reactie daarop

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoeker -kort en zakelijk weergegeven- het volgende aangevoerd:

Op grond van het arrest van het Hof van Justitie van 5 juni 2014, C-146/14, Mahdi (JV 2014/230) dient bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de bewaring door de rechter een volle toets plaats te vinden. De rechter heeft kennelijk in hetgeen het dossier bevatte op het moment van sluiting van het onderzoek dat heeft geleid tot de uitspraak van 15 april 2016, geen aanleiding gezien de zaak ter zitting te behandelen. Daarmee staat vast dat de rechter reeds een inhoudelijk oordeel heeft gegeven. De rechter heeft het beroep ongegrond verklaard en heeft daarmee een duidelijk inhoudelijk signaal afgegeven over het oordeel dat thans op het vervolgberoep valt te verwachten. Gelet hierop moet worden gevreesd voor de rechterlijke onpartijdigheid.

De tweede grond voor vrees voor vooringenomenheid is het oordeel van de rechter dat hem niet tijdig gespecificeerde beroepsgronden ter kennis zijn gebracht. De Afdeling heeft in de uitspraak van 24 mei 2016 geoordeeld dat er wel tijdig gespecificeerde beroepsgronden ter kennis van de rechtbank zijn gebracht. Verzoeker is van mening dat het recht op een snelle en inhoudelijke beoordeling van zijn vrijheidsbeneming zoals vervat in artikel 5, vierde lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) door de rechtbank niet is gerespecteerd. Het oordeel hierover hangt nauw samen met het handelen van de veroorzaker van de vertraging, en dat is de rechter zelf. De rechter dient zijn eigen handelen te betrekken bij het oordeel omtrent artikel 5, vierde lid, van het EVRM en kan in de gegeven omstandigheden niet onpartijdig een oordeel vellen over de vraag of er snel genoeg een uitspraak is gedaan. In de visie van verzoeker is daarmee de schijn van partijdigheid gewekt.

2.2

De rechter heeft niet in de wraking berust. Hij heeft verwezen naar zijn brief van 8 juni 2016 en zich gerefereerd aan het oordeel van de wrakingskamer.

3 De beoordeling

3.1

Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat door verzoeker geuite vrees voor vooringenomenheid van de rechter door objectieve factoren gerechtvaardigd is.

Aan de door verzoeker gestelde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechter door zijn persoonlijke instelling en overtuiging niet onpartijdig is.

Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoeker geuite vrees dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert die -objectief- gerechtvaardigd is. De wrakingskamer overweegt dienaangaande als volgt.

Gebleken is dat zich in de procedure van de voortduring van de opgelegde maatregel van bewaring een wezenlijk gebrek heeft voorgedaan, zodanig dat van een eerlijk proces geen sprake is geweest. Dat heeft geleid tot doorbreking van het appelverbod en vernietiging van de uitspraak van de rechter. Een en ander heeft bij verzoeker de vrees opgeroepen dat de rechter, na terugverwijzing van de zaak door de Afdeling, daarover niet onpartijdig zal kunnen oordelen.

Daar komt bij dat de gemachtigde van verzoeker ter zitting aan de wrakingskamer een faxbericht van 16 juni 2016 heeft overhandigd met daarin de mededeling dat de verdere behandeling van de zaak waarin het wrakingsverzoek is gedaan zal plaatsvinden op 22 juni 2016 en wel door de gewraakte rechter, terwijl het wrakingsverzoek nog niet ter zitting is behandeld en daarop nog niet is beslist. Onder deze omstandigheden is thans, naar objectieve maatstaven bezien, op deze grond de door verzoeker geuite vrees voor een gebrek aan onpartijdigheid bij de gewraakte rechter gerechtvaardigd te achten. Hetgeen verzoeker overigens heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking meer.

3.4

Het verzoek is mitsdien gegrond en wordt toegewezen.

4 De beslissing

wijst toe het verzoek tot wraking van mr. A.P. Hameete.

Deze beslissing is gegeven door mr. A.J.P. van Essen, voorzitter, mr. M.G.L. de Vette en

mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechters en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 juni 2016 in tegenwoordigheid van mr. C.J.C. Korteland, griffier.

Verzonden op:

aan:

-

-

-

-