Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:6170

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-08-2016
Datum publicatie
15-08-2016
Zaaknummer
C/10/408124 / HA ZA 12-759
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Boetebeding; bewijsbeoordeling; matiging boete. Bestuurdersaansprakelijkheid. Afgeleide schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/2391

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Afdeling privaatrecht

Team haven en handel

Vonnis van 10 augustus 2016

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/10/408124 / HA ZA 12-759 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] ,

gevestigd te [woonplaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. H.L. Verweel te Spijkenisse,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SIMBOLO PARTICIPATIES B.V.,

gevestigd te Vlaardingen,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

eisers in reconventie,

advocaat: eerst mr. M.J. Thönes, thans mr. F.J. Lewis te Rotterdam.

Partijen zullen hierna ook [eiseres] , Simbolo en [gedaagde 2] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank naar haar tussenvonnissen van 20 februari 2013, 24 april 2013 en 4 juni 2014.

Na laatstgenoemd tussenvonnis zijn de volgende proceshandelingen verricht.

1.2.

Op 30 oktober 2014 heeft de rechtbank [getuige 1] en [getuige 2] als getuigen in enquête gehoord. Van het getuigenverhoor is proces-verbaal opgemaakt. Bij die gelegenheid hebben gedaagden vier producties in het geding gebracht.

Op 7 juli 2015 heeft de rechtbank [getuige 3] als getuige in enquête gehoord. Van het getuigenverhoor is proces-verbaal opgemaakt.

Op 26 oktober 2015 heeft de rechtbank [gedaagde 2] als getuige in enquête gehoord. Van het getuigenverhoor is proces-verbaal opgemaakt.

Op 3 februari 2016 heeft de rechtbank [eiseres] als getuige in contra-enquête gehoord. Van het getuigenverhoor is proces-verbaal opgemaakt.

1.3.

Gedaagden hebben een conclusie na getuigenverhoren genomen en daarbij dezelfde vier producties in het geding gebracht als bij het getuigenverhoor van 30 oktober 2014, genummerd 3 tot en met 6.

[eiseres] heeft een conclusie na getuigenverhoren genomen.

1.4.

Vervolgens hebben partijen vonnis gevraagd.

2 De verdere beoordeling

In conventie

Bewijs geleverd?

2.1.

In het tussenvonnis van 4 juni 2014 heeft de rechtbank gedaagden toegelaten te bewijzen feiten of omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat tussen Simbolo en [eiseres] in augustus of september 2011 een bindende koopovereenkomst tot stand is gekomen waaronder [eiseres] haar aandelen in Marine Trading & Brokerage B.V. (hierna: MTB) voor de prijs van € 17.500,00 aan Simbolo verkocht. Deze bewijsopdracht betreft een bevrijdend verweer van gedaagden, waarvan zij de bewijslast (mede in de zin van bewijsrisico) dragen (zie rov. 4.8 van het tussenvonnis van 4 juni 2014).

In het volgende onderzoekt de rechtbank of gedaagden dat bewijs hebben geleverd.

2.2.

Tussen partijen staat vast dat [eiseres] haar aandelen in MTB niet (aan wie dan ook) heeft verkocht.

Om te kunnen aantonen dat de gestelde aandelenkoopovereenkomst tussen [eiseres] en Simbolo tot stand is gekomen, dient ten minste aangetoond te worden dat [eiseres] heeft ingestemd met overdracht van haar aandelenpakket aan Simbolo voor de prijs van € 17.500,00.

2.3.

Enig door (gedaagden en) [eiseres] ondertekend of opgesteld geschrift waarin de gestelde aandelenkoopovereenkomst met Simbolo is belichaamd of wordt bevestigd is niet in het geding gebracht.

2.4.

Geen van de getuigen heeft verklaard dat (hij erbij aanwezig was toen het bestuur van) [eiseres] heeft ingestemd met de gestelde aandelenkoopovereenkomst met Simbolo.

Bewijsmiddelen die erop duiden dat [eiseres] heeft ingestemd met overdracht van haar aandelen aan een vennootschap van [getuige 3] (zoals is verklaard door de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [gedaagde 2] , maar is betwist door de getuigen [getuige 3] en [eiseres] ) duiden niet op de te bewijzen aandelenkoopovereenkomst. Dit geldt eens te meer, nu de aandelenkoopovereenkomst tussen [eiseres] en Simbolo door gedaagden is gesteld als bevrijdend verweer ten aanzien van de niet inachtneming door Simbolo van haar verplichting tot het doen van een aanbod aan [eiseres] tot koop van dat aandelenpakket, zoals bepaald in de artikelen 2 en 3 van de Aandeelhoudersovereenkomst tussen deze partijen (zie rov. 4.9 en 4.11 van het tussenvonnis van 4 juni 2014).

De getuigen [getuige 3] en [eiseres] hebben verklaard dat de gestelde aandelenkoopovereenkomst niet tot stand is gekomen, evenmin een aandelenkoopovereenkomst tussen (een vennootschap van) [getuige 3] en [eiseres] .

2.5.

Daarom concludeert de rechtbank dat gedaagden het opgedragen bewijs niet hebben geleverd.

Simbolo boete verschuldigd

2.6.

Zoals in het tussenvonnis van 4 juni 2014 is overwogen, brengt het oordeel dat de gestelde aandelenkoopovereenkomst niet is aangetoond mee dat Simbolo in beginsel verplicht is om de in artikel 22 van de Aandeelhoudersovereenkomst bepaalde boete aan [eiseres] te betalen.

2.7.

Gedaagden doen een beroep op het rechterlijk matigingsrecht ten aanzien van de boete van artikel 22 van de Aandeelhoudersovereenkomst, stellende dat de bedongen boete van € 250.000,00 onredelijk en onevenredig hoog is ten opzichte van het in artikel 22 beschermde aandeelhoudersbelang van [eiseres] .

Ingevolge artikel 6:94 BW kan de rechter op verlangen van de schuldenaar een contractuele boete matigen indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. De rechter dient die bevoegdheid terughoudend te hanteren, en wel slechts in die gevallen waarin de bedongen boete tot een buitensporig en daarom onredelijk resultaat zou leiden.

In het onderhavige geval is de rechtbank van oordeel dat de bedongen boete van € 250.000,00 inderdaad buitensporig is. Daartoe neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. [eiseres] houdt een relatief gering belang in MTB, namelijk slechts 10% van het aandelenkapitaal. MTB drijft een relatief kleine onderneming, ook in de periode vóór de oprichting van Marine Development Holland B.V. (hierna: MDH) en de gestelde overheveling van goederen of activiteiten vanuit MTB naar MDH. MTB heeft steeds een relatief gering vermogen gehad. MTB heeft in de periode tot 2012 weinig winst gemaakt; gedaagden hebben onvoldoende betwist gesteld dat het saldo tussen winst en verlies over die periode in totaal € 38.658,00 beloopt. Voorts neemt de rechtbank daarbij in aanmerking dat [eiseres] ook de andere betrokken aandeelhouder in MTB, [aandeelhouder] (hierna: [aandeelhouder] ), heeft aangesproken tot betaling van de boete ter zake van dezelfde overtreding van de Aandeelhoudersovereenkomst en dat [eiseres] met [aandeelhouder] daarvoor een schikking heeft getroffen waarbij [aandeelhouder] aan [eiseres] een bedrag van € 30.000,00 heeft betaald.

Onder de gegeven omstandigheden acht de rechtbank matiging van de bedongen boete tot € 100.000,00 passend en geboden.

De gestelde omstandigheid dat de partijen bij de Aandeelhoudersovereenkomst er bewust voor gekozen hebben om met de bedongen boete een stevige stok achter de deur te hebben, maakt dat oordeel niet anders.

Onrechtmatige daad Simbolo

2.8.

[eiseres] stelt dat Simbolo – naast de gestelde overtredingen van de Aandeelhoudersovereenkomst – ook uit onrechtmatige daad jegens [eiseres] aansprakelijk is tot vergoeding van schade wegens het overhevelen van activiteiten en goederen vanuit MTB naar MDH en dat partijen die schadevergoeding hebben gefixeerd op € 250.000,00.

Simbolo betwist de gestelde aansprakelijkheid gemotiveerd.

2.9.

Om te kunnen oordelen dat Simbolo – naast de gestelde overtredingen van de Aandeelhoudersovereenkomst – jegens [eiseres] aansprakelijk is uit onrechtmatige daad dient de Aandeelhoudersovereenkomst te worden weggedacht. De Aandeelhoudersovereenkomst weggedacht, blijft de vraag over of Simbolo als aandeelhouder in MTB jegens [eiseres] , haar medeaandeelhouder in MTB, een onrechtmatige daad heeft gepleegd door mee te werken aan het gestelde overhevelen van activiteiten en goederen vanuit MTB naar MDH. In beginsel gaat het daarom om gestelde schade die MTB heeft geleden ten gevolge van de gestelde gedragingen van Simbolo. De schade waarvan [eiseres] vergoeding vordert betreft de waardedaling van haar aandeelhoudersbelang in MTB, derhalve schade die van de schade van MTB is afgeleid. Dergelijke afgeleide schade komt in beginsel niet voor vergoeding in aanmerking (vgl. HR 2 december 1994, NJ 1995, 288 – ABP/Poot).

Feiten of omstandigheden die meebrengen dat de afgeleide schade van [eiseres] in dit geval wel voor vergoeding in aanmerking komen heeft [eiseres] niet gesteld.

Daarom kan die grondslag de vordering van [eiseres] tegen Simbolo niet dragen.

2.10.

De slotsom is dat Simbolo verplicht is om aan [eiseres] € 100.000,00 als boete te betalen.

2.11.

[eiseres] vordert – na eiswijziging bij conclusie na comparitie – over de gevorderde boete de wettelijke rente vanaf 1 januari 2012.

Ingevolge artikel 22 van de Aandeelhoudersovereenkomst in samenhang met het bepaalde in artikel 6:83 aanhef en onder c BW en artikel 6:119 BW, loopt over de boete de wettelijke rente bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de datum waarop (het aan [eiseres] werd kenbaar gemaakt dat) Simbolo doende was de samenwerking te beëindigen zonder daarbij haar verplichting tot het doen van een koopaanbod van het aandelenpakket van [eiseres] na te komen. Daarom dient de rentevordering te worden toegewezen.

Onrechtmatige daad [gedaagde 2]

2.12.

[eiseres] stelt dat [gedaagde 2] als (indirect) bestuurder van Simbolo (persoonlijk) aansprakelijk is jegens [eiseres] tot schadevergoeding, op te maken bij staat, doordat hij persoonlijk heeft bewerkstelligd dat Simbolo in strijd met de Aandeelhoudersovereenkomst heeft gehandeld en heeft meegewerkt aan het gestelde overhevelen van activiteiten en goederen vanuit MTB naar MDH.

Ook hier geldt dat [eiseres] vergoeding vordert van gestelde schade die MTB door het gestelde gedrag van [gedaagde 2] als (indirect) bestuurder van Simbolo heeft geleden. Dergelijke afgeleide schade komt in beginsel niet voor vergoeding in aanmerking. Feiten of omstandigheden die meebrengen dat de afgeleide schade van [eiseres] in dit geval wel voor vergoeding in aanmerking komen heeft [eiseres] niet gesteld.

Daarom kan die grondslag de vordering van [eiseres] tegen [gedaagde 2] niet dragen.

2.13.

Enige andere grond voor aansprakelijkheid van [gedaagde 2] jegens [eiseres] is niet gesteld.

2.14.

Daarom zal de rechtbank de vorderingen van [eiseres] jegens [gedaagde 2] afwijzen.

Buitengerechtelijke kosten

2.15.

[eiseres] heeft, hoewel dat wel tot haar stelplicht behoort, niet voldoende specifiek gereageerd op de verweren van Simbolo en [gedaagde 2] inhoudende dat en waarom zij geen buitengerechtelijke kosten verschuldigd zijn geworden. Zo heeft [eiseres] nagelaten te stellen welke onderhandelingen en welke werkzaamheden zij c.q. haar advocaat heeft gevoerd of verricht. In plaats van een specificatie en bewijsstukken van de gestelde buitengerechtelijke werkzaamheden in het geding te brengen, heeft [eiseres] bij conclusie van antwoord in reconventie aangeboden “zo nodig” een specificatie van die werkzaamheden over te leggen.

Daarom zal de rechtbank de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten afwijzen.

In reconventie

2.16.

De rechtbank verwijst naar hetgeen zij heeft overwogen in (rov. 4.20 en 4.21 van) het tussenvonnis van 4 juni 2014.

2.17.

De vordering van Simbolo tot (veroordeling tot) opheffing van de op verzoek van [eiseres] ten laste van Simbolo gelegde beslagen, strandt op het oordeel in dit vonnis in conventie over de vordering van [eiseres] tegen Simbolo.

Daarom zal de rechtbank de vordering van Simbolo afwijzen.

2.18.

De vordering van [gedaagde 2] tot (veroordeling tot) opheffing van de op verzoek van [eiseres] ten laste van [gedaagde 2] gelegde beslagen, slaagt, gelet op het oordeel in dit vonnis over de vordering van [eiseres] tegen [gedaagde 2] in conventie.

Het gaat blijkens punt 13 van de dagvaarding en de punten 32 en 79 van de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie om de volgende op 24 juli 2012 gelegde conservatoire beslagen:

  • -

    op de onroerende zaak aan de [adres] , kadastraal bekend onder [adres] ;

  • -

    op de aan [gedaagde 2] toebehorende aandelen in de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Sabryna Holding B.V., gevestigd te Poortugaal, gemeente Albrandswaard;

  • -

    op alle gelden en/of geldswaarden die de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Sabryna Holding B.V., gevestigd te Poortugaal, gemeente Albrandswaard, ten behoeve van [gedaagde 2] onder zich heeft en/of onder zich zal verkrijgen en/of aan [gedaagde 2] verschuldigd zal worden.

Daarom zal de rechtbank die beslagen opheffen.

2.19.

Zoals overwogen in 4.21 van het tussenvonnis van 4 juni 2016, zal de rechtbank de vordering van Simbolo en [gedaagde 2] tot het verschaffen van een afschrift van de schikkingsovereenkomst tussen [eiseres] en [aandeelhouder] afwijzen.

Voorts in conventie en in reconventie

2.20.

De rechtbank zal (geen ander dan) Simbolo als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten, waaronder mede begrepen de na dit vonnis vallende kosten. Ook de proceskosten betreffende het vrijwaringsincident, waarover de beslissing in het tussenvonnis van 20 februari 2013 is aangehouden, komen voor rekening van Simbolo, omdat dit incident vruchteloos is ingesteld.

De rechtbank zal de tot deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] ten opzichte van Simbolo gevallen proceskosten op:

  • -

    beslagen ten laste van Simbolo € 877,08

  • -

    dagvaarding aan Simbolo € 79,27

  • -

    griffierecht € 3.046,00

  • -

    salaris advocaat (8 punten in Liquidatietarief V) € 11.368,00

totaal: € 15.370,35.

De overigens gevallen proceskosten worden gecompenseerd omdat partijen over en weer deels in het gelijk en deels in het ongelijk worden gesteld.

2.21.

Omdat tegen zodanige vordering geen zelfstandig verweer is gevoerd, zal de rechtbank de veroordelingen bij voorraad uitvoerbaar verklaren.

3 De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1.

veroordeelt Simbolo om aan [eiseres] te betalen € 100.000,00 (eenhonderdduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente bedoeld in artikel 6:119 BW te berekenen vanaf 1 januari 2012 tot aan de dag van algehele voldoening;

in reconventie

3.2.

heft op de ten verzoeke van [eiseres] en ten laste van [gedaagde 2] op 24 juli 2012 gelegde conservatoire beslagen:

- op de onroerende zaak aan de [adres] , kadastraal bekend onder [adres] ;

- op de aan [gedaagde 2] toebehorende aandelen in de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Sabryna Holding B.V., gevestigd te Poortugaal, gemeente Albrandswaard;

- op alle gelden en/of geldswaarden die de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Sabryna Holding B.V., gevestigd te Poortugaal, gemeente Albrandswaard, ten behoeve van [gedaagde 2] onder zich heeft en/of onder zich zal verkrijgen en/of aan [gedaagde 2] verschuldigd zal worden (derdenbeslag);

voorts in conventie en in reconventie

3.3.

veroordeelt Simbolo in de proceskosten met inbegrip van de nakosten;

begroot de aan de zijde van [eiseres] ten opzichte van Simbolo tot deze uitspraak gevallen proceskosten op € 15.370,35;

3.4.

verklaart dit vonnis voor zover het veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;

3.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.P. Sprenger en in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2016.

1928