Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:6092

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-06-2016
Datum publicatie
05-08-2016
Zaaknummer
4793312 CV EXPL 16-4961
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bemiddelingskosten huur woonruimte

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 4793312 CV EXPL 16-4961

uitspraak: 24 juni 2016

vonnis van de kantonrechter zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiser],
wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: deurwaarder E.A.P. van Lith te Eindhoven,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,

Wonen MVM B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Rotterdam,

gedaagde,

gemachtigde: de heer [S.], directeur en eigenaar.

Partijen worden hierna aangeduid als “[eiser]” en “MVM”.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • -

    het inleidend exploot van dagvaarding van 27 januari 2016 met 3 producties;

  • -

    het schriftelijk antwoord;

  • -

    het tussenvonnis van 29 februari 2016 waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    het proces-verbaal van de op 9 juni 2016 gehouden comparitie van partijen.

1.2.

De kantonrechter heeft bepaald dat heden vonnis wordt gewezen.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet (voldoende) gemotiveerd weersproken alsmede op grond van de in zoverre niet weersproken inhoud van de producties staat tussen partijen – voor zover thans van belang – het volgende vast:

2.1.

MVM is een makelaarskantoor en bemiddelt bij handel, en de huur of verhuur van onroerend goed. Bij haar werkzaamheden maakt zij, onder meer, gebruik van een website. Op deze website worden woningen aangeboden voor de verhuur.

2.2.

[eiser], op zoek naar woonruimte in Rotterdam, heeft op enig moment op de website van MVM een woning aan de [adres en plaatsnaam] gevonden. Om de woning te kunnen huren diende hij een bemiddelingsovereenkomst met MVM te tekenen. [eiser] heeft de hem aangeboden overeenkomst niet getekend, maar wel de kosten voor het kunnen huren van deze woning betaald. Het ging om kosten voor de eerste maand huur, de waarborgsom en bemiddelingskosten verhoogd met BTW. [eiser] heeft deze bedragen van in totaal een bedrag van € 1.968,66 , waarvan € 773,50 bemiddelingskosten aan MVM betaald.

Na de betaling is een huurovereenkomst voor de betreffende zelfstandige woning tot stand gekomen met een zekere [R.].

2.3.

Op 26 oktober 2015 heeft [eiser] aanspraak gemaakt op terugbetaling van de bemiddelingskosten en hij heeft MVM daartoe gesommeerd.

De gemachtigde heeft de sommatie op 16 november 2015 herhaald en ook aanspraak gemaakt op buitengerechtelijke kosten. MVM heeft niet gereageerd op deze brieven.

3 De stellingen van partijen

3.1.

[eiser] vordert betaling van een bedrag van € 773,50 te verhogen met rente, buitengerechtelijke- en proceskosten. Hij baseert zijn vordering op het verbod om bij de verhuur van woonruimte aan consumenten courtage in rekening te brengen bij zowel de verhuurder als de huurder. Op grond van de uitspraak van de Hoge Raad van 16 oktober 2015 wordt MVM geacht in elk geval ook als bemiddelaar voor de verhuurder te zijn opgetreden, zodat de bemiddelingskosten niet aan [eiser] in rekening gebracht hadden mogen worden.

3.2.

MVM voert een kort inhoudelijk verweer. Zij betwist dat de betaling onverschuldigd is gedaan. [eiser] heeft ervoor gekozen MVM te laten bemiddelen en daar hoort een beloning bij. MVM trad niet op voor de eigenaar.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

[eiser] stelt, kort samengevat, dat geen bemiddelingskosten verschuldigd zijn, omdat MVM heeft bemiddeld voor zowel de huurder als de verhuurder. Bij de beoordeling van deze stelling is het arrest dat de Hoge Raad op 16 oktober 2015 heeft gewezen van belang (ECLI:NL:HR:2015:3099).

De Hoge Raad heeft, in antwoord op pre-judiciële vragen, geoordeeld:

  1. in beginsel heeft een overeenkomst tussen de verhuurder en de bemiddelaar waarbij de verhuurder het recht verkrijgt om om niet woonruimte te huur aan te bieden op een website van de bemiddelaar te gelden als een bemiddelingsovereenkomst, waarop via artikel 7:427 BW artikel 7:417 lid 4 BW van toepassing is;

  2. het maakt geen verschil of de verhuurder de bemiddelaar benadert of omgekeerd;

  3. het voorgaande is alleen anders wanneer de bemiddelaar stelt en zo nodig bewijst dat de website alleen als elektronisch prikbord fungeert, dat wil zeggen dat de beheerder daarvan niet de aspirant-verhuurder en –huurder van elkaar afschermt en het hun dus niet onmogelijk maakt met elkaar in contact te treden om over de totstandkoming van de huurovereenkomst te onderhandelen;

  4. voor beantwoording van vraag a maakt het dus verschil of de bemiddelaar in de advertentie van de woonruimte vermeldt dat de potentiële huurder contact dient op te nemen met de verhuurder, mits diens contactgegevens in de advertentie zijn vermeld.

4.2.

Gelet op deze beslissingen van de Hoge Raad moet de overeenkomst tussen de verhuurder en MVM, waarbij MVM het recht heeft verkregen om een woning van de verhuurder te huur aan te bieden op haar website als een bemiddelingsovereenkomst worden gezien, ook als dat om niet is gebeurd. MVM heeft immers het recht verkregen om de woning van deze verhuurder op website te huur aan te bieden.

4.3.

MVM heeft ook met [eiser] een bemiddelingsovereenkomst gesloten voor dezelfde woonruimte. Dat een bemiddelingsovereenkomst is aangegaan staat voldoende vast, ook al heeft [eiser] het hem aangeboden contract niet getekend. Door zich aan te melden voor de woning en door de kosten van de bemiddeling te betalen heeft [eiser] voldoende duidelijk gemaakt dat hij van de diensten van MVM gebruik wilde maken om deze woonruimte te kunnen huren.

4.4.

MVM heeft aldus zowel met de verhuurder als met [eiser] een bemiddelingsovereenkomst gesloten. Op zich is dat niet verboden, maar op grond van de artikelen 7:427 jo. 7:417 lid 4 mogen in dat geval geen kosten in rekening worden gebracht aan de potentiële huurder, in dit geval [eiser]. Door deze wetsbepaling heeft de wetgever tot uitdrukking gebracht dat een bemiddelaar slechts van een van de partijen een vergoeding mag bedingen en daarbij heeft de wetgever er voor gekozen de huurder in die zin te beschermen dat deze geen kosten verschuldigd is. De bepaling is van semi dwingend recht en bindt om die reden ook MVM.

Dit betekent dat [eiser] de vergoeding voor het bemiddelen onverschuldigd heeft betaald. Het gevorderde wordt toegewezen omdat het onverschuldigd werd betaald.

4.5.

De gevorderde buitengerechtelijke kosten worden toegewezen, nu MVM tegen toewijzing geen verweer tegen heeft gevoerd.

4.6.

De wettelijke rente over het gevorderde bedrag wordt toegewezen vanaf 5 juli 2011, de datum waarop het bedrag, onweersproken, werd betaald. Voor toewijzing van de wettelijke rente vanaf dit moment is voldoende grond omdat de betaling werd verricht op basis van een beding in de overeenkomst dat achteraf nietig blijkt te zijn, althans verboden. In zo’n geval van onverschuldigde betaling treedt het verzuim in onmiddellijk na betaling en is geen ingebrekestelling vereist.

4.7.

Als de in het ongelijk gestelde partij wordt MVM belast met de kosten van het geding. Omdat de gemachtigde niet ter comparitie is verschenen wordt één punt gemachtigdensalaris toegekend.

5 De beslissing

De kantonrechter,

veroordeelt MVM om aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 1.061,66 te vermeerderen met de wettelijke rente over € 773,50 vanaf 27 januari 2016 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt MVM om aan [eiser] te voldoen de kosten van het geding, welke tot op dit moment aan de zijde van [eiser] zijn vastgesteld op € 99,08 voor de kosten van dagvaarden, op € 223,-- voor het griffierecht en op € 100,-- (1 punt) voor het salaris van de gemachtigde van [eiser],

wijst af het meer of anders gevorderde en verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. L.J. van Die en is uitgesproken ter openbare terechtzitting.

401