Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:6041

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-07-2016
Datum publicatie
11-08-2016
Zaaknummer
C/10/447990 / HA ZA 14-360
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Summary in English

Limitation of liability in inland navigation.

The referral decision made by the supervisory judge gives guidance on the issues to be decided by the full court. A claimant in referral proceedings cannot claim more than is stated in the referral decision.

In an international matter the CLNI 1988 is paramount. The Netherlands have declared the CLNI 1988 applicable in the entire country. Furthermore the Netherlands have made the reservation provided for in article 18 section 1, opening and subsection a CLNI 1988 as to claims for damage due to a change in the physical, chemical or biological quality of the surface water. In respect thereof the option of a water pollution fund was created in the Netherlands. The description in the respective Royal Decree of the claims subject to limitation by way of a water pollution fund is not in line with the description of the reservation of article 18 CLNI 1988, however the latter is paramount.

Claims for damage due to a change in the physical, chemical or biological quality of the surface water subject to limitation, which are excluded from the CLNI 1988 and for which the Netherlands regulation is applicable, include claims for damages as referred to in article 6:96 section 2, opening and subsections a, b and c Netherlands Civil Code as far as these claims involve a change in the physical, chemical or biological quality of the water.

The criterion whether measures which have protected or repaired both property and the surface water, can be limited by means of a property fund or a water pollution fund, lies in the purpose the persons taking the measures intended. In case of doubt as to the purpose the persons taking the measures aimed at, the rule of thumb may guide that where property is protected of repaired the measures will be assumed to purport to protect or repair the property (and so a property fund) and that a party contending that such claim can be limited by means of a water pollution fund has to establish the facts or circumstances from which it follows that the claims are subject to limitation by the latter fund. Mirrorwise in such doubt the rule of thumb may guide that where surface water is protected or repaired, the measures will be assumed to purport to protect or repair the water (and so a water pollution fund) and that a party contending that such claim can be limited by means of a property fund has to establish the facts or circumstances from which it follows that the claims are subject to limitation by the latter fund. Furthermore as a rule of thumb guidance can follow from the responsibility of the respective person taking the measures, be it for the property or for the surface water.

In case of so called ‘secondary water pollution’ the same criteria and rules of thumb are applicable.

Beperking van aansprakelijkheid in de binnenvaart.

Renvooiprocedure. Voor de vraag welke vorderingen in een renvooizaak moeten worden beoordeeld is leidend de verwijzingsbeslissing van de rechter-commissaris. De eiser kan in een renvooizaak niet meer aan de rechtbank voorleggen dan de verwijzingsbeslissing omvat.

In een internationaal geval geldt de CLNI 1988 als uitgangspunt. Nederland heeft de CLNI 1988 in het gehele land van toepassing verklaard. Nederland heeft voorts het in artikel 18 lid 1, aanhef en onder a CLNI 1988 bedoelde voorbehoud gemaakt ten aanzien van “vorderingen voor schade, veroorzaakt door de wijziging van de fysische, chemische of biologische kwaliteit van het water”. Daartoe is in Nederland de mogelijkheid van een waterverontreinigingsfonds ingesteld. De beschrijving in het betreffende KB van de vorderingen die door een waterverontreinigingsfonds kunnen worden beknot spoort niet met die van het in artikel 18 CLNI 1988 toegelaten voorbehoud, maar laatstgenoemde is leidend.

Tot vorderingen wegens schade als gevolg van wijziging van de fysische, chemische of biologische kwaliteitswijziging van het oppervlaktewater, die van toepasselijkheid van de CLNI 1988 zijn uitgezonderd en waarvoor de regeling naar Nederlands recht geldt, dienen tevens te worden gerekend de vorderingen wegens schade als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder a, b en c BW voor zover betreffende schade door fysische, chemische of biologische kwaliteitswijziging van het water.

De maatstaf voor het antwoord op de vraag of maatregelen waarmee zowel zaken zijn beschermd of gereinigd, als waterverontreiniging is voorkomen, beperkt of hersteld, kunnen worden beknot door een zakenfonds, dan wel een waterverontreinigingsfonds, ligt in het antwoord op de vraag met welk doel de betreffende maatregelen door de handelende personen werden genomen. Daarbij kan bij twijfel over welk doel de handelende personen voor ogen stond als vuistregel worden aangehouden dat indien zaken worden beschermd tegen verontreiniging, dan wel worden gereinigd van verontreiniging, die maatregelen in beginsel geacht moeten worden te zijn genomen ter bescherming of reiniging van die zaken (dus zakenfonds) en dat het aan de partij die stelt dat de betreffende vorderingen door een waterverontreinigingsfonds kunnen worden beknot is om feiten of omstandigheden aan te voeren waaruit voortvloeit dat de vorderingen door dat fonds beknot kunnen worden. Spiegelbeeldig kan bij zodanige twijfel indien oppervlaktewater wordt beschermd tegen verontreiniging, dan wel wordt gereinigd van verontreiniging, als vuistregel worden aangehouden dat de betreffende maatregelen in beginsel geacht moeten worden te zijn genomen ter bescherming of reiniging van het oppervlaktewater (dus waterverontreinigingsfonds) en dat het aan de partij die stelt dat de betreffende vorderingen door een zakenfonds kunnen worden beknot is om feiten of omstandigheden aan te voeren waaruit voortvloeit dat de vorderingen door dat fonds beknot kunnen worden. Voorts kan als vuistregel worden aangeknoopt bij de verantwoordelijkheid die de betreffende handelende persoon had, hetzij voor de betreffende zaken, hetzij voor het oppervlaktewater.

Ingeval van zogenaamde ‘secundaire waterverontreiniging’ gelden dezelfde criteria en vuistregels.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2016/120
NTHR 2016, afl. 5, p. 293
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Afdeling privaatrecht

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/447990 / HA ZA 14-360

Vonnis van 20 juli 2016

in de zaak van

1. de naamloze vennootschap

HAVENBEDRIJF AMSTERDAM N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat: eerst mr. V.R. Pool, thans mr. T. van der Valk te Rotterdam,

2. de publiekrechtelijke rechtspersoon

STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Infrastructuur & Milieu; Rijkswaterstaat),

gevestigd te 's-Gravenhage,

eiser,

advocaat: mr. E.H.P. Brans te ’s-Gravenhage,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VT MINERALS B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

verweerster,

advocaat: mr. J.F. van der Stelt te Rotterdam.

Partijen zullen hierna HbA, de Staat en VTM genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

De onderhavige procedure is een renvooizaak van de door VTM ingeleide procedure tot beperking van aansprakelijkheid, bij de rechtbank aanhangig onder kenmerk C/10/370739 / HA RK 11-9. Bij beschikking van 19 februari 2014, verbeterd bij beschikking van 21 maart 2014, heeft de rechter-commissaris partijen naar de rolzitting van 2 april 2014 verwezen. Partijen hebben zich gesteld.

1.2.

De Staat heeft een conclusie van eis tot verificatie genomen en daarbij negen producties in het geding gebracht.

HbA heeft een conclusie van eis in renvooi genomen en daarbij vier producties in het geding gebracht.

VTM heeft een conclusie van antwoord in renvooi genomen en daarbij tien producties in het geding gebracht.

1.3.

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 18 februari 2015 een comparitie van partijen gelast.

De comparitie is gehouden op 25 juni 2015. Van die zitting is proces-verbaal opgemaakt.

Op de comparitie zijn de volgende stukken in het geding gebracht:

van de zijde van de Staat:

- de Pleitaantekeningen van mr. Brans;

van de zijde van VTM:

- een kleurenkopie van Bijlage Nr. 5 bij het Rapport van Expertise van Coolegem, De Neef en Zeldenrust van 22 december 2011 (hierna: rapport CNZ), productie 5 van VTM.

1.4.

Partijen hebben vonnis gevraagd.

2 Het geschil

Vorderingen van de Staat

2.1.

De vorderingen van de Staat zoals toegelicht ter comparitie komen er – kort gezegd – op neer dat de rechtbank voor recht zal verklaren:

  1. dat elk van de deelvorderingen die de Staat heeft ingediend bij de vereffenaar van het door VTM gestelde waterverontreinigingsfonds (hierna: het Fonds) niet, althans niet volledig, beknot kan worden door het Fonds);

  2. dat de vorderingen ingediend door Argos Bunkering B.V. (voorheen North Sea Group Bunkering B.V.) en haar verzekeraars (hierna tezamen: Argos), Kevin S GmbH & Co K.G. (hierna: KSGC), HbA, Shipdock B.V. (hierna: Shipdock), Oranjemarine B.V. (hierna: Oranjemarine), Coentunnel Construction V.O.F. (hierna: Coentunnel) en J. van Vliet B.V. (hierna: Van Vliet) niet (geheel) beknot kunnen worden door het Fonds;

met veroordeling van VTM in de proceskosten te vermeerderen met rente.

Daartoe stelt de Staat – samengevat weergegeven – het volgende.

2.1.1.

De Staat is verantwoordelijk voor het beheer van de waterwegen, zoals het Noordzeekanaal en het Binnen IJ en het vaarwater in de havens daarlangs.

De Staat heeft vorderingen ingediend bij de vereffenaar van het Fonds tot het beloop van € 7.144.582,78 en € 298.974,31 zonder te erkennen dat die vorderingen door het Fonds kunnen worden beknot. Die vorderingen betreffen voor het leeuwendeel kosten van beperking, bereddering en opruiming van verontreinigingsschade wegens de uitstroming van stookolie uit de ‘Vlieland’ ten gevolge van de aanvaring tussen dat schip en de ‘Kevin S’ op 3 januari 2011 te Amsterdam.

2.1.2.

Het beloop van de beide vorderingen staat vast sedert de verificatievergadering van 19 februari 2014, zoals is vastgelegd in het proces-verbaal van die zitting.

2.1.3.

Met betrekking tot de vordering van € 298.974,31 bestond in 2014 nog een verschil van mening of deze kosten door de Staat, dan wel door (de rechtsvoorganger van) HbA waren gemaakt. De Staat en HbA hebben voorjaar 2015 een schikking getroffen met betrekking tot die vordering, ingevolge welke schikking de Staat een bedrag van € 93.885,00 aan HbA heeft betaald. Derhalve wordt die vordering van de Staat verminderd tot € 93.885,00.

Weliswaar correspondeert het schikkingsbedrag met de factuur van Swets ODV, vermeld in hoofdstuk 3 onder a) op bladzijden 13 en 14 van rapport CNZ (productie 1 van HbA), en betreft die factuur de kosten van verkeersbegeleiding op het water om te voorkomen dat door deining stookolie over een oliescherm zou overlopen, maar het betreft een schikkingsbedrag dat niet daaraan is gerelateerd. Met die schikking tussen HbA en de Staat is de discussie met VTM over de vraag wie die kosten had gemaakt gesloten. Omdat het een schikking betreft is het niet juist om het schikkingsbedrag aan één post toe te schrijven en die post op zichzelf te beoordelen.

2.1.4.

Ter comparitie heeft de Staat ook verklaard een oordeel over aansprakelijkheid van VTM voor de (deel)vorderingen van de Staat te verlangen. VTM heeft enige schuld aan de aanvaring. Daarom is VTM jegens de Staat, als schuldloze derde partij die schade heeft geleden ten gevolge van de aanvaring, hoofdelijk aansprakelijk voor het geheel van de schade die de Staat als gevolg van de aanvaring heeft geleden.

Die schade bestaat uit de kosten van beperking, bereddering en opruiming van waterverontreiniging door de uitstroming van zo’n 250 ton stookolie uit de ‘Vlieland’ en bijkomende schade.

2.1.5.

Een waterverontreinigingsfonds kan worden gesteld ter beperking van aansprakelijkheid voor vorderingen voor schade veroorzaakt door de wijziging van de fysische, chemische of biologische kwaliteit van het water, vorderingen door waterverontreiniging gelegen in de verandering in de kwaliteit van het water zelf of vorderingen wegens redelijke kosten van in redelijkheid genomen preventieve maatregelen om dreigende schade door kwaliteitswijziging te voorkomen.

De vorderingen van de Staat zijn opgebouwd uit deelvorderingen die met uitzondering van de hierna te vermelden kosten binnen de termen van een waterverontreinigingsfonds vallen. Echter, de volgende (in de in de conclusie van eis tot verificatie onder 5.7 (a) tot en met (g) genoemde) deelvorderingen kunnen niet beperkt worden door het stellen van een waterverontreinigingsfonds:

  • -

    a) kosten van olievergelijkend onderzoek door de Waterdienst van Rijkswaterstaat (hierna: RWS), ten bedrage van € 12.000,00;

  • -

    b) kosten van vervanging van door de stookolie verontreinigd/beschadigd geraakte oliekerende schermen, ten bedrage van € 49.423,08;

  • -

    c) kosten van herstel van de groenstrook langs de Tt. Vasumweg, die beschadigd was geraakt door de (voorbereiding van de) uitvoering van de schoonmaak- en opruimingswerkzaamheden, ten bedrage van € 7.814,75;

  • -

    d) kosten van een verkeersafzetting op de Tt. Vasumweg ten behoeve van de oliebestrijding, ten bedrage van € 3.700,90;

  • -

    e) kosten van herstel van een kabel nabij het Cornelis Douweskanaal, die beschadigd was geraakt door de (voorbereiding van de) uitvoering van de schoonmaak- en opruimingswerkzaamheden, ten bedrage van € 1.490,81;

  • -

    f) kosten van onderzoek of de uit de ‘Vlieland’ uitgestroomde olie diende te worden aangemerkt als gevaarlijke stof, ten bedrage van – naar de rechtbank begrijpt uit productie 7 van de Staat – € 1.500,00;

  • -

    g) kosten van het schoonmaken op het land van de veegarm van de ‘Kennemer’ nadat de veegarm was ingezet voor preventieve en schade beperkende maatregelen, ten bedrage van € 5.846,71.

2.1.6.

Stookolie tast de (biologische) kwaliteit van het oppervlaktewater aan, zodat sprake is van waterverontreiniging in de zin van artikel 18 van het Verdrag van Straatsburg van 4 november 1988 inzake beperking van aansprakelijkheid in de binnenvaart (Trb. 1989, 43; hierna: CLNI 1988), zeker nu een hoeveelheid van 250 ton stookolie in het water terecht gekomen is.

Waterverontreiniging levert primaire schade op, nu deze leidt tot gebruiksbeperking van het water en consequenties heeft voor het milieu.

2.1.7.

De Staat is verantwoordelijk voor het water in het Noordzeekanaal, het Afgesloten IJ en de havens. De Staat moet de waterkwaliteit veiligstellen en het verkeer op het water mogelijk maken.

Op grond van artikel 6.2 en artikel 6.8 Waterwet moet VTM als vervuiler zelf de vervuiling opruimen. De Staat moet als beheerder van de waterkwaliteit op die opruiming toezien en deze handhaven. De Staat kan niet zelf tot schoonmaakmaatregelen worden gedwongen. In eerste instantie is VTM met schoonmaken begonnen. Toen haar dit financieel te veel werd, hield VTM op. De Staat heeft eerst aangedrongen op hervatting van de schoonmaakwerkzaamheden door VTM. Toen dit vergeefs bleek, ging de Staat, met name RWS, schoonmaken. De werkzaamheden van RWS waren gericht op het inperken en voorkomen van waterverontreiniging en het reinigen van het water.

2.1.8.

De waterverontreiniging is allereerst opgetreden door de uitstroming van de stookolie uit de ‘Vlieland’ (‘primaire verontreiniging’). De vorderingen betreffende de primaire verontreiniging vallen binnen het waterverontreinigingsfonds.

Indien een havenkade, oever, talud of kunstwerk verontreinigd wordt door stookolie die daarop via het water terecht komt, is sprake van zaakschade waarvoor een zakenfonds dient te worden gesteld. Echter, indien die stookolie vervolgens, door beweging van het water (door getij, wind, scheepsbewegingen) vanaf die zaak weer in het water terecht komt (‘secundaire waterverontreiniging’), is eveneens sprake van waterverontreiniging waarvoor een waterverontreinigingsfonds dient te worden gesteld.

Kosten van werkzaamheden ter voorkoming of beperking van primaire of secundaire waterverontreiniging vallen, via artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder a BW, ook binnen het waterverontreinigingsfonds.

De Staat verwijst naar het vonnis van deze rechtbank van 25 september 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:7253, S&S 2014/32, in de zaak ‘Transito’ en verzoekt de rechtbank die lijn aan te houden.

Het doel van de verrichte handelingen is richtinggevend (vgl. HR 19 september 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2433, S&S 1998/13 – ‘Grabow’). Op een gegeven moment is het verband tussen waterverontreiniging en handeling te ver verwijderd, bijvoorbeeld bij een verkeersafzetting op het land.

2.1.9.

Op het Noordzeekanaal, het Afgesloten IJ en de havens in Amsterdam waren waterbewegingen veroorzaakt door onder meer de scheepvaart. Ter plaatse loopt geen eb en vloed.

2.1.10.

De Staat heeft recht en belang dat tevens wordt vastgesteld dat geen van de vorderingen van de schuldeisers Argos, KSGC, HbA, Shipdock, Oranjemarine, Coentunnel en Van Vliet door het stellen van een waterverontreinigingsfonds kan worden beknot. Van die andere schuldeisers heeft de Staat Argos met name genoemd in de verificatiefase. De Staat verwijst naar het proces-verbaal van de zitting van 9 oktober 2012 (ten aanzien van post 6) en de brief van de rechter-commissaris van 15 januari 2014. De Staat heeft belang bij een oordeel over de vorderingen van andere schuldeisers, want ook daarbij dienen de vragen naar aansprakelijkheid en of deze vorderingen in het waterverontreinigingsfonds thuishoren te worden beantwoord.

In het kader van een renvooiprocedure kan de partij die de vordering heeft ingediend ook een mening geven andere vorderingen van andere schuldeisers, die niet in de renvooiprocedure zijn betrokken. Daarbij spelen geen problemen op het vlak van hoor-en-wederhoor of de exceptio plurium litis consortium. Richtinggevend is de verwijzingsbeslissing van de rechter-commissaris in het proces-verbaal van 19 februari 2014 en de beschikking van 21 maart 2014, waarin ruimte wordt gelaten voor het innemen van een standpunt ten aanzien van vorderingen van andere schuldeisers.

Vorderingen van HbA

2.2.

De vorderingen van HbA zoals toegelicht ter comparitie komen er – kort gezegd – op neer dat de rechtbank voor recht zal verklaren:

  1. dat de vorderingen die HbA bij de vereffenaar van het Fonds heeft ingediend niet, althans niet volledig beknot kunnen worden door het Fonds;

  2. dat VTM aansprakelijk is voor die vordering van HbA;

  3. dat de vorderingen ingediend door Argos, KSGC, Shipdock, Oranjemarine, Coentunnel en Van Vliet niet beknot kunnen worden door het stellen van een waterverontreinigingsfonds;

met veroordeling van VTM in de proceskosten te vermeerderen met rente.

Daartoe stelt HbA – samengevat weergegeven – het volgende.

2.2.1.

HbA heeft in beheer en is verantwoordelijk voor de randen, oevers, taluds, kades en kunstwerken langs het Noordzeekanaal en het Binnen IJ, alsmede het geheel van de havens daaromheen met inbegrip van de randen, oevers, taluds, kades en kunstwerken.

2.2.2.

HbA heeft naar aanleiding van de aanvaring tussen de ‘Vlieland’ en de ‘Kevin S’, waardoor stookolie uit de ‘Vlieland’ het oppervlaktewater van het Noordzeekanaal/Binnen IJ in stroomde, diverse maatregelen getroffen. De maatregelen zagen vooral op het voorkomen van het verspreiden van stookolie en daarmee op het voorkomen van het besmeurd raken van oevers, taluds, kunstwerken, schepen, woonboten, watervogels en dergelijke. Voorts zagen de maatregelen op het schoonmaken van oevers, taluds, kades en kunstwerken en watervogels. Verder betrof het maatregelen om de scheepvaart te regelen ter bescherming van oevers, taluds, kades en kunstwerken en ten behoeve van de reiniging daarvan. HbA heeft zich niet of nauwelijks bezig gehouden met het opruimen van de stookolie uit het oppervlaktewater.

2.2.3.

De kosten van al die maatregelen hebben, na aftrek van hetgeen de Staat voor zijn rekening heeft genomen, in hoofdsom (€ 298.974,31 + € 346.396,73 + € 3.642,57 - € 93.885,00). HbA heeft die vorderingen (met inbegrip van het later door de Staat betaalde bedrag van € 93.885,00) ingediend bij de vereffenaar zonder te erkennen dat de vorderingen door het Fonds kunnen worden beknot.

HbA verwijst voor haar vorderingen naar bladzijden 16 en 17 van het rapport CNZ. HbA heeft in haar conclusie van eis in renvooi geen melding gemaakt van haar vordering van per saldo € 205.089,31, omdat de Staat ter verificatievergadering van 19 februari 2014 had toegezegd die vordering geheel voor zijn rekening te nemen. Ingevolge de latere schikking met de Staat heeft deze slechts € 93.885,00 voor zijn rekening genomen, zodat HbA het saldo van € 205.089,31 vordert.

2.2.4.

Primair geldt dat de vervuiler, in dit geval VTM, opruimt dan wel betaalt, maar dat is geen afdwingbare plicht. Omdat VTM aanvankelijk niets ondernam, is HbA aan de gang gegaan met maatregelen. VTM pleegde als vervuiler een onrechtmatige daad door haar opruimplicht niet na te komen.

2.2.5.

VTM is (mede) aansprakelijk voor de aanvaring omdat de ‘Vlieland’ medeschuld treft. Daarom is VTM ten opzichte van de schuldloze, schade lijdende partij HbA hoofdelijk aansprakelijk voor het geheel van de schade van HbA.

2.2.6.

De kosten waarvan HbA vergoeding vordert kunnen slechts door het stellen van een zakenfonds beknot worden, niet door een waterverontreinigingsfonds.

Als bijvoorbeeld een kade wordt schoongemaakt, dan gebeurt dat niet om de waterverontreiniging op te heffen. Werkzaamheden en verkeersmaatregelen betreffende het schoonmaken van een kade vallen evenmin binnen een waterverontreinigingsfonds.

2.2.7.

Het kader voor de beoordeling van de vraag of de vorderingen van HbA voor beknotting door middel van een waterverontreinigingsfonds vatbaar zijn, wordt gegeven door artikel 18 CLNI 1988. Het gaat om een uitzondering op de hoofdregel dat beknotting slechts door middel van een zakenfonds kan worden bewerkstelligd. Daarom dienen artikel 18 CLNI 1988 en de daarop gestoelde Nederlandse regeling beperkend te worden uitgelegd en toegepast. Vorderingen of gedeelten daarvan kunnen pas door middel van een waterverontreinigingsfonds worden beknot indien sprake is van kwaliteitsvermindering van het water zelf (in de zin van wijziging van de fysische, chemische of biologische kwaliteit van het water), of anderszins een duidelijk verband bestaat met de uitzondering van artikel 18 CLNI 1988. Schade door vervuiling van andere zaken, veroorzaakt doordat stookolie in of bovenop het water met die andere zaken in contact komt, kan slechts door een zakenfonds worden beknot.

In beginsel mengt stookolie niet met water, zodat geen sprake is van kwaliteitsvermindering van het water in de zin van artikel 18 CLNI 1988. Echter, gelet op de hoeveelheid van 250 ton stookolie die vanuit de ‘Vlieland’ in het oppervlaktewater was gestroomd, is in dit geval wel sprake van zodanige kwaliteitsvermindering.

In geval van twijfel dient te worden geoordeeld dat de betreffende (deel)vordering niet door een waterverontreinigingsfonds kan worden beknot.

2.2.8.

Als maatstaf voor welke kosten in het waterverontreinigingsfonds vallen verwijst HbA naar het vonnis in de ‘Transito’- zaak. Echter, op grond van het toepasselijke artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder a BW dienen vorderingen wegens de redelijke kosten van in redelijkheid genomen preventieve maatregelen om dreigende schade te voorkomen, slechts te betreffen die schade die voor beknotting door een waterverontreinigingsfonds in aanmerking komt. Wat dit aspect betreft dienen de overwegingen 5.23 en 5.26 van het ‘Transito’-vonnis te worden genuanceerd.

Ingevolge de CLNI 1988 en artikel 6:96 BW lid 2 aanhef en onder a BW vallen ook de kosten van het voorkomen of beperken van zaaksverontreiniging binnen het zakenfonds, dus niet binnen het waterverontreinigingsfonds.

2.2.9.

HbA bestrijdt de door VTM gestelde onlosmakelijke samenhang tussen het voorkomen, beperken en opheffen van waterverontreiniging met die van verontreiniging van zaken. Het gaat om de reden waarom bepaalde handelingen zijn verricht en bepaalde maatregelen zijn genomen.

HbA betwist dat werkzaamheden ter reiniging van oevers, taluds, kades en kunstwerken werden uitgevoerd ter voorkoming van secundaire verontreiniging van het water. Er is geen eb en vloed in Amsterdam, wel zijn er waterbewegingen tegen het talud als gevolg van passerende scheepvaart, maar die zijn van ondergeschikt belang.

2.2.10.

HbA heeft recht en belang dat tevens wordt vastgesteld dat geen van de ingediende vorderingen van schuldeisers Argos, KSGC, Shipdock, Oranjemarine, Coentunnel en Van Vliet door het stellen van het Fonds kan worden beknot, omdat ook daarbij de vragen naar aansprakelijkheid en of deze vorderingen in het Fonds thuishoren dienen te worden beantwoord. HbA sluit zich aan bij het standpunt van de Staat ten aanzien van diens vordering. In het kader van een renvooiprocedure kan de partij die de vordering heeft ingediend ook een standpunt innemen ten aanzien van vorderingen van andere schuldeisers. Daarbij spelen geen problemen op het vlak van hoor-en-wederhoor of de exceptio plurium litis consortium.

Richtinggevend is de verwijzingsbeslissing van de rechter-commissaris in het proces-verbaal van 19 februari 2014 en de beschikking van 21 maart 2014; die verwijzingsbeslissing laat de bespreking van vorderingen van schuldeisers die niet in de renvooiprocedure zijn betrokken toe.

HbA kan niet aangeven bij welke gelegenheid zij heeft geprotesteerd tegen de toelaatbaarheid van de andere vorderingen in het Fonds.

2.2.11.

Bij VTM liggen stelplicht en bewijslast van haar stelling dat de vordering van HbA door het stellen van het Fonds kan worden beknot, omdat het VTM is die dat standpunt inneemt en het rechtsgevolg, beknotting van de vordering, inroept.

2.2.12.

Weliswaar gaat het om het algemene kader, maar de vorderingen kunnen en moeten post voor post worden onderzocht op de vraag of deze binnen het Fonds vallen.

Verweer

2.3.

De conclusie van VTM strekt tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van de Staat en HbA in de proceskosten, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis.

Daartoe voert VTM – samengevat weergegeven – het volgende aan.

2.3.1.

De ‘Kevin S’ treft als enige schuld aan de aanvaring tussen dat schip en de ‘Vlieland’ van VTM, die op 3 januari 2011 in Amsterdam plaatsvond. Aan de zijde van de ‘Vlieland’ bestaat geen enkele (mede)schuld.

Omdat de stookolie ten gevolge van de aanvaring in het water terecht kwam en de ‘Vlieland’ daaraan geen schuld treft, is VTM niet voor de gestelde schade van de Staat, HbA, Shipdock of Argos aansprakelijk.

2.3.2.

Het betreft een Nederlands, binnenlands geval, waarop de regeling van Titel 12 van Boek 8 BW van toepassing is.

Het verdrag van Londen van 19 november 1976 (Trb. 1980, 23 en Trb. 1984, 31) inzake beperking van aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen (hierna: LLMC) noch de CLNI 1988 is op dit geval (rechtstreeks) van toepassing.

2.3.3.

De beschikking van 21 maart 2014 bepaalt welke vorderingen er in deze renvooiprocedure aan de orde zijn. Uit rov. 4.1 van die beschikking blijkt dat alleen de vorderingen van de daar genoemde vier schuldeisers, de Staat, HbA, Shipdock en Argos in deze renvooiprocedure ter discussie staan. Vorderingen van andere schuldeisers zijn niet aan de orde in deze renvooiprocedure. De Staat en HbA zijn niet-ontvankelijk in hun desbetreffende vorderingen.

2.3.4.

Alle vorderingen vallen binnen het waterverontreinigingsfonds, omdat de enige oorzaak van de schade is het in het water terecht komen van de stookolie uit de ‘Vlieland’.

Ook de vordering van € 298.974,31, die aanvankelijk door zowel HbA als de Staat was ingesteld, valt binnen het waterverontreinigingsfonds, omdat de Staat niet heeft gesteld dat die vordering niet daaronder viel. Dat wordt niet anders nu een deel van die vordering door HbA wordt gevorderd. Uit het proces-verbaal van de verificatievergadering van 19 februari 2014 blijkt dat namens de Staat een onvoorwaardelijke betalingstoezegging aan HbA is gedaan. VTM heeft die betalingstoezegging opgevat en redelijkerwijs mogen opvatten als een eisvermindering van HbA jegens VTM, waarbij dezelfde vordering bij de Staat overbleef. HbA kan die vordering kan niet later wederom instellen ten laste van VTM.

2.3.5.

De rechtbank heeft de maatstaven gegeven in het ‘Transito’-vonnis en in het vonnis van 5 september 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:BX8509, S&S 2013/5 betreffende het vanwege de ‘Wisdom’ gestelde wrakkenfonds. Laatstbedoeld vonnis dient mutatis mutandis gelezen te worden voor een waterverontreinigingsfonds. Voor de toerekeningsvraag is het arrest betreffende het waterverontreinigingsfonds gesteld vanwege de ‘Grabow’ richtinggevend.

2.3.6.

Nu Nederlands recht van toepassing is, geldt niet alleen artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder a) BW, maar ook het onder b) en c) van dat artikellid bepaalde. Dus vallen ook alle indirecte kosten binnen het waterverontreinigingsfonds.

Gelet op deze maatstaven vallen alle vorderingen van alle vier de crediteuren in het waterverontreinigingsfonds, omdat:

- het kosten zijn ter zake van de kwaliteitswijziging van het oppervlaktewater zelf,

- het kosten zijn gemaakt voor preventieve maatregelen om schade door kwaliteitswijziging van het water te voorkomen,

- het redelijke kosten zijn als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW (vgl. de zaak ‘Wisdom’ en rov. 3.9 van het HR-arrest in de zaak ‘Grabow’),

- het om andere kosten gaat die onlosmakelijk samenhangen met de waterverontreiniging en het besluit tot opruiming (vgl. de zaak ‘Grabow’), zoals de kosten van oilbooms, veegarmen en dergelijke.

2.3.7.

De Staat beheert het betreffende oppervlaktewater en gaat over het gebruik van dat water. Verwezen wordt naar de Memorie van Toelichting bij de Waterwet onder 1.1 en 1.2.

2.3.8.

Wat betreft de stelplicht en de bewijslast: VTM heeft gemotiveerd gesteld dat en waarom alle vorderingen in het waterverontreinigingsfonds horen. HbA en de Staat beschikken over de informatie welke werkzaamheden precies zijn verricht. Daarom is het aan de Staat en HbA om precies en onderbouwd aan te geven welke vorderingen buiten het waterverontreinigingsfonds zouden vallen. Wat dat betreft liggen stelplicht en bewijslast bij de Staat en HbA.

3. De beoordeling

Bevoegdheid en processueel kader

3.1.

Op 3 januari 2011 zijn het zeeschip ‘Kevin S’ en het binnenvaarttankschip ‘Vlieland’ in de gemeente Amsterdam met elkaar in aanvaring gekomen. Daar die aanvaring is een aanmerkelijke hoeveelheid stookolie uit de ladingtank(s) van de ‘Vlieland’ in het oppervlaktewater gestroomd. De ‘Kevin S’ stond geregistreerd in het scheepsregister van Antigua en Barbuda en behoorde in eigendom toe aan KSGC gevestigd te Seevetal-Horst in Duitsland. De ‘Vlieland’ stond in het Nederlandse scheepsregister ingeschreven en behoorde toe aan VTM.

Door deze omstandigheden is deze zaak een internationaal geval. Daarom dient de rechtbank haar bevoegdheid (rechtsmacht) te onderzoeken en het toepasselijk recht te bepalen.

3.2.

Wegens de naar aanleiding van deze aanvaring ingestelde vorderingen hebben zowel VTM als KSGC procedures tot beperking van aansprakelijkheid ingesteld bij de Nederlandse rechter. De onderhavige procedure is een renvooiprocedure voortvloeiend uit de bij deze rechtbank onder kenmerk C/10/370739 / HA RK 11-9 aanhangige procedure tot beperking van aansprakelijkheid van VTM.

Terecht gaan partijen daarom uit van bevoegdheid van deze rechtbank.

3.3.

Het gaat hier om een renvooiprocedure in het kader van de door VTM ingeleide procedure tot beperking van haar aansprakelijkheid, wegens aanspraken vanwege onder andere de Staat en HbA (en Argos en Shipdock) ter zake van de kosten van voorkoming c.q. beperking c.q. opruiming van (a) waterverontreiniging, ontstaan door het uitstromen van stookolie uit de ‘Vlieland’ ten gevolge van de aanvaring (“primaire waterverontreiniging”), (b) verontreiniging van zaken (oevers, taluds, kades, kunstwerken, schepen en andere objecten) veroorzaakt doordat de stookolie via het oppervlaktewater (onder invloed van de wind en van scheepsbewegingen) daarmee in aanraking kwam, alsmede (c) verontreiniging van (inmiddels gereinigd) oppervlaktewater door contact met de bedoelde door stookolie verontreinigde andere zaken (“secundaire waterverontreiniging”).

3.4.

Voor de vraag welke vorderingen in deze renvooizaak moeten worden beoordeeld is daarom leidend de verwijzingsbeslissing van de rechter-commissaris. Die verwijzingsbeslissing staat in het proces-verbaal van de verificatievergadering van 19 februari 2014, verbeterd in de beschikking van 21 maart 2014.

De eiser in een renvooizaak kan in die zaak niet meer aan de rechtbank voorleggen dan de verwijzingsbeslissing omvat.

3.5.

Het vorenstaande betekent dat de door de Staat en HbA aan de orde gestelde vragen naar aansprakelijkheid van VTM buiten het kader van deze renvooizaak vallen. HbA - en voor zover aan de orde, de Staat - kan in de betreffende vordering tot een verklaring voor recht niet worden ontvangen.

Over de aansprakelijkheid van VTM heeft de rechtbank bij vonnis van 30 september 2015 in de zaak met kenmerk C/10/447995 / HA ZA 14-361 (ECLI:NL:RBROT:6864, S&S 2016/15) overwogen en beslist dat en waarom de ‘Vlieland’ voor één vijfde medeschuld heeft aan de aanvaring en de ‘Kevin S’ voor vier vijfden. In die zaak waren VTM, de Staat en KSCG partijen. Van dat oordeel gaat de rechtbank ook in deze zaak uit.

3.6.

VTM neemt het standpunt in dat HbA haar aanvankelijke vordering van € 298.974,31 op de verificatievergadering van 19 februari 2014 geheel en definitief heeft ingetrokken en dat deze vordering bij de Staat is terechtgekomen. Daarmee heeft HbA ook afstand gedaan van haar vordering van per saldo € 205.089,31, aldus VTM. VTM aanvaardt dat deze vordering aan de Staat toekomt (conclusie van antwoord punt 42).

HbA betwist dat zij de vordering onvoorwaardelijk en voor het geheel heeft teruggenomen.

De rechtbank overweegt het volgende.

Tussen partijen staat het volgende vast. HbA heeft vorderingen bij de vereffenaar van het Fonds ingediend van € 346.396,73 en van € 298.974,31. De vordering van € 298.974,31 was ook door de Staat ingediend. Op de verificatievergadering van 19 februari 2014 heeft de Staat toegezegd het volledige bedrag van € 298.974,31 aan HbA te zullen voldoen. Op basis van die toezegging heeft de rechter-commissaris de betreffende vordering (alleen) bij de Staat geregistreerd, opdat de vordering slechts éénmaal in de procedure zou meespelen. De inhoud en omvang van de vorderingen van de Staat en HbA zijn vervolgens op de verificatievergadering van 19 februari 2014 vastgesteld (proces-verbaal onder punt 6).

Op de comparitie in deze renvooizaak hebben de Staat en HbA gezamenlijk verklaard dat de Staat niet het volledige bedrag van € 298.974,31 aan HbA heeft betaald, maar dat tussen hen intussen een schikking is getroffen ten aanzien van die vordering en dat ingevolge die schikking die vordering voor € 93.885,00 aan de Staat toekomt en voor € 205.089,31 aan HbA.

Onder deze omstandigheden kan niet geoordeeld worden dat HbA ten behoeve van VTM afstand heeft gedaan van haar vordering van (het saldo van € 298.974,31 minus € 93.885,00, derhalve) € 205.089,31. Evenmin wordt VTM benadeeld door de tussen de Staat en HbA gevolgde gang van zaken, omdat VTM nog steeds (wat betreft inhoud en omvang) dezelfde vordering heeft voorliggen en zij met dezelfde schuldeisers van doen heeft.

Toepasselijk recht

3.7.

Het gaat in deze zaak om beperking van aansprakelijkheid in de binnenvaart. Ter zake daarvan gold ten tijde van de aanvaring in Nederland rechtstreeks de CLNI 1988. Nederland heeft op de voet van artikel 15 lid 2 CLNI 1988 bij de goedkeuring verklaard dat het verdrag in het gehele land van toepassing zal zijn. Daarom geeft de CLNI 1988 als eenvormig internationaal privaatrecht het uitgangspunt.

3.8.

De verbintenis tot vergoeding van de onder 3.3 bedoelde kosten, vormt een niet-contractuele verbintenis als bedoeld in de Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europese Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II-Vo). De aanvaring heeft zich voorgedaan binnen het toepassingsgebied van de Rome II-Vo en na de inwerkingtreding van de Rome II-Vo. Het aanvullend toepasselijk recht dient derhalve aan de hand van de Rome II-Vo te worden bepaald.

Partijen hebben geen rechtskeuze gedaan. Nu de uitzonderingen van artikel 4 lid 2 en 3 Rome II-Vo zich niet voordoen, is ingevolge de artikelen 7 en 4 lid 1 Rome II-Vo van toepassing het recht van het land waar de schade zich voordoet, ongeacht in welk land de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan en ongeacht in welke landen de indirecte gevolgen van die gebeurtenis zich voordoen.

In deze zaak gaat het om schade wegens verontreiniging van oppervlaktewater, oevers, taluds, kades, kunstwerken, schepen en andere objecten ten gevolge van de uitstroming van stookolie uit de ‘Vlieland’ wegens de aanvaring. Die verontreinigingsschade heeft zich voorgedaan in Nederland.

Daarom is Nederlands recht van toepassing voor zover het geval niet door de CLNI 1988 wordt beheerst. Partijen zijn het daarover ook eens.

Toedracht van de aanvaring; aansprakelijkheid VTM

3.9.

In de avond van maandag 3 januari 2011, rond 19:28 uur, heeft in de gemeente Amsterdam, bij de monding van de Mercuriushaven in het Binnen IJ, dan wel het Noordzeekanaal, een aanvaring plaatsgevonden tussen het zeeschip ‘Kevin S’ en het binnenschip ‘Vlieland’.

Door de aanvaring zijn de huid en een van de ladingtanks van de ‘Vlieland’ opengescheurd en is een aanmerkelijke hoeveelheid stookolie uit het schip het oppervlaktewater ingestroomd.

3.10.

Zoals hiervoor onder 3.5 overwogen, treft de ‘Vlieland’ medeschuld aan de aanvaring.

Feiten of omstandigheden op grond waarvan HbA of de Staat (of Shipdock of Argos) enige schuld treft aan de ontstane schade zijn gesteld noch gebleken.

In haar verhouding ten opzichte van de schuldloze partijen, de Staat en HbA (en Argos en Shipdock), is VTM hoofdelijk voor het geheel van de door de aanvaring ontstane schade aansprakelijk (artikel 8:545 en artikel 8:1006 BW).

3.11.

Tussen partijen is niet in geschil dat stookolie valt onder het begrip “stoffen” in de zin van artikel 6 Waterwet en dat de ten gevolge van de aanvaring uit de ‘Vlieland’ uitgestroomde (hoeveelheid van ongeveer 250 ton) stookolie een verontreiniging van het oppervlaktewater oplevert. Evenmin is tussen partijen in geschil dat het besmeurd raken van een object met stookolie als beschadiging daarvan dient te worden aangemerkt.

3.12.

Gegeven de medeschuld aan de zijde van de ‘Vlieland’ en de regelgeving ten aanzien van de verantwoordelijkheid voor het oppervlaktewater, zoals artikel 6.2 Waterwet, diende VTM als eigenaar van de ‘Vlieland’ het nodige te doen ter voorkoming, respectievelijk beperking, respectievelijk reiniging van het door de uitgestroomde stookolie verontreinigde oppervlaktewater, alsmede van de zaken die beschadigd of verontreinigd raakten doordat verontreinigd oppervlaktewater daarmee in contact kwam.

3.13.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat VTM hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade waarvan de Staat, HbA (en Argos en Shipdock) vergoeding vorderen voor zover deze schade valt toe te rekenen aan de aanvaring dan wel aan niet-naleving van de verantwoordelijkheden van VTM onder de Waterwet. Deze aansprakelijkheid van VTM vormt tevens het uitgangspunt voor de verdere beoordeling.

CLNI 1988 en waterverontreinigingsfonds

3.14.

Als eigenaar van de ‘Vlieland’ kan VTM haar aansprakelijkheid beperken overeenkomstig de regels van de CLNI 1988. Dat staat tussen partijen ook niet ter discussie.

3.15.

VTM heeft ter beperking van de vorderingen van eisers en anderen (alleen) een waterverontreinigingsfonds (het Fonds) gesteld (en geen zakenfonds).

3.16.

Partijen zijn het niet eens over de reikwijdte van het Fonds, met name over de vraag welke vorderingen door het stellen van het Fonds kunnen worden beknot. Partijen strijden met name over de vraag of vorderingen die betrekking hebben op het voorkomen of beperken van verontreiniging van zaken, dan wel op het reinigen van zaken die verontreinigd zijn doordat uit de ‘Vlieland’ uitgestroomde stookolie via het oppervlaktewater op die zaken is terechtgekomen door (het stellen van) het Fonds kunnen worden beknot.

VTM betoogt dat alle vorderingen van eisers (en van Argos en Shipdock) door het Fonds beknot worden.

De Staat aanvaardt dat het leeuwendeel van zijn vorderingen door het Fonds worden beknot, behoudens de vorderingen genoemd onder 2.1.5 onder (a) tot en met (g).

HbA stelt dat haar vorderingen niet door het Fonds beknot kunnen worden.

Voorts stellen de Staat en HbA dat de vorderingen van Argos en Shipdock niet door het Fonds beknot kunnen worden.

3.17.

Voor de beoordeling van deze disputen dient de maatstaf te worden bepaald welke vorderingen door een waterverontreinigingsfonds kunnen worden beknot. Daartoe dient eerst de betreffende regeling te worden onderzocht en uitgelegd.

3.18.

Zoals gezegd, heeft Nederland de CLNI 1988 in het gehele land van toepassing verklaard. Nederland heeft voorts gebruik gemaakt van de in artikel 18 lid 1, aanhef en onder a CLNI 1988 gegeven mogelijkheid om de toepassing van de regels van het verdrag geheel uit te sluiten ten aanzien van “vorderingen voor schade, veroorzaakt door de wijziging van de fysische, chemische of biologische kwaliteit van het water”.

In de Nederlandse wetgeving is voor dergelijke vorderingen de mogelijkheid van een apart beperkingsfonds, het waterverontreinigingsfonds, opgenomen (artikel 8:1065 BW in samenhang met artikel 1 aanhef en onder b van het KB van 29 november 1996, Stb. 587). De betreffende vorderingen zijn in dat KB als volgt omschreven “vorderingen [..] terzake van kosten en schadevergoedingen verschuldigd voor waterverontreiniging”. Voor deze vorderingen kan de scheepseigenaar zijn aansprakelijkheid niet beperken door het stellen van een zakenfonds, doch alleen door het stellen van een waterverontreinigingsfonds.

Deze Nederlandse regeling vormt de nationale invulling van het door Nederland gemaakte voorbehoud als bedoeld in artikel 18 lid 1, aanhef en onder a CLNI 1988. Omdat het gaat om een nationale invulling van de in de CLNI 1988 toegelaten uitzondering, kan de Nederlandse regeling van het waterverontreinigingsfonds niet verder strekken dan (de omschrijving van het te maken voorbehoud in) artikel 18 CLNI 1988 toestaat. Derhalve dient de reikwijdte van de mogelijkheid van het voorbehoud bedoeld in artikel 18 lid 1, aanhef en onder a CLNI 1988 te worden onderzocht.

3.19.

Het gaat hier om de uitleg van de CLNI 1988, een internationaal verdrag.

Ingevolge het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht (23 mei 1969; Trb. 1985, 79 en Trb. 1996, 89) moet een verdrag te goeder trouw worden uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van het verdrag in hun context en in het licht van het voorwerp en doel van het verdrag.

Daarbij kan worden gelet op later tot stand gekomen overeenstemming tussen de verdragspartijen over de uitleg of op een later gebruik in de toepassing van verdragsbepalingen. Dat betekent dat wordt gelet op de (heersende) opvattingen over uitleg en toepassing in andere staten die partij zijn bij het verdrag.

Bij de uitleg kan ook een beroep worden gedaan op de voorbereidende werkzaamheden (travaux préparatoires).

3.20.

In de op 27 september 2012 te Straatsburg tot stand gekomen nieuwe versie van de CLNI (hierna: CLNI 2012) is het hiervoor genoemde voorbehoud opgenomen in (eveneens) artikel 18 met dezelfde tekst als in de CLNI 1988. Travaux préparatoires van de CLNI 1988 noch van de CLNI 2012 zijn voorhanden.

Hieraan kan de rechtbank derhalve geen richtsnoer ontlenen.

3.21.

De CLNI 1988 kent drie authentieke talen, die ieder rechtskracht hebben. Naast het Nederlands, met de hiervoor onder 3.18 weergegeven tekst, zijn dat het Duits en het Frans. In die talen is het voorbehoud geformuleerd als “Ansprüche wegen Schäden, die durch eine Änderung der physikalischen, chemischen oder biologischen Beschaffenheit des Wassers verursacht werden”, respectievelijk als “créances pour dommages dus au changement de la qualité physique, chimique ou biologique de l'eau”.

Blijkens deze (gelijkluidende) teksten van het bedoelde voorbehoud in artikel 18 CLNI 1988 is het criterium voor de uitsluiting van het verdrag gelegen in een fysische, chemische of biologische verandering in de kwaliteit van het water zelf en gaat het om schade die door deze kwaliteitsverandering is veroorzaakt. Er wordt in deze omschrijving niet verwezen naar andere, verder liggende schadelijke gevolgen, zoals het (door scheepsbewegingen, wind of getijwerking) verontreinigd of besmeurd raken van andere zaken dan het oppervlaktewater zelf waarin de verontreiniging is terecht gekomen, bijvoorbeeld verontreinigingsschade aan de oevers, taluds, havenkades, kunstwerken, schepen of andere objecten.

3.22.

Over het precieze doel van het betreffende voorbehoud van artikel 18 CLNI zijn verder geen aan het verdrag te ontlenen gegevens voorhanden.

3.23.

In de Nederlandse wetsgeschiedenis zijn geen aanknopingspunten voor uitleg van het betreffende voorbehoud van artikel 18 CLNI 1988 te vinden (vgl. Kamerstukken Goedkeuringswet CLNI, wetsvoorstel 24 062, Invoeging titel 12 in boek 8 BW, wetsvoorstel 24 061 en de Parlementaire Geschiedenis Boek 8 BW, bladzijden 988 en volgende over wetsvoorstel 19 770).

3.24.

Over de uitleg en toepassing van het betreffende voorbehoud van artikel 18 CLNI 1988 in andere verdragsstaten (behalve Nederland zijn Duitsland, Luxemburg en Zwitserland partij) ligt geen concludente rechtspraak of literatuur voor.

3.25.

Het LLMC – dat in zekere zin model heeft gestaan voor de CLNI 1988 – kent geen aparte regeling in verband met waterverontreiniging door zeeschepen (waterverontreinigingsfonds), evenmin de mogelijkheid om voor dergelijke vorderingen de toepassing van dat verdrag uit te sluiten.

3.26.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat in het Internationaal Verdrag van Londen inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie 1992 (CLC-verdrag, 27 november 1992; Trb. 1994, 229; oorspronkelijke versie van 29 november 1969) de omschrijving van schade door verontreiniging als gevolg van het uitvloeien van als lading vervoerde olie uit een zeeschip, niet ziet op slechts de aantasting van de waterkwaliteit, maar op alle schade die buiten het schip ontstaat door verontreiniging ten gevolge van het uitvloeien van olie uit een zeeschip (vgl. artikel I onder 6 CLC-verdrag). In de binnenvaart is geen overeenkomstige internationale regeling van kracht.

3.27.

In artikel 2 lid 1 aanhef en onder a) CLNI 1988 worden vorderingen met betrekking tot verlies of beschadiging van zaken, zoals kunstwerken, dokken, waterwegen, sluizen, bruggen en hulpmiddelen bij de navigatie, “alsmede alle andere daaruit voortvloeiende schade” genoemd als vorderingen waarvoor beperking van aansprakelijkheid mogelijk is. In artikel 2 lid 1 aanhef en onder f) worden vorderingen met betrekking tot maatregelen genomen ter voorkoming of vermindering van dergelijke schade, alsmede andere door zulke maatregelen veroorzaakte schade op gelijke wijze vatbaar voor beperking verklaard. Voor de beperking daarvan dient een zakenfonds te worden gesteld.

De reikwijdte van die bepalingen wordt niet verder beperkt dan het onderhavige voorbehoud van artikel 18 CLNI bepaalt.

3.28.

De rechtbank komt daarom tot de slotsom dat het onderhavige voorbehoud van artikel 18 CLNI 1988 betrekking heeft op slechts de schade als gevolg van de fysische, chemische of biologische kwaliteitswijziging van het oppervlaktewater zelf en dat dit voorbehoud niet ziet op waterverontreiniging die – via of bovenop het oppervlaktewater – is terecht gekomen op een of meer andere zaken, zoals havenkades, oevers, taluds, kunstwerken, schepen of andere objecten en daardoor schade heeft veroorzaakt (vgl. het ‘Transito’-vonnis (zie onder 2.1.8 hierboven)).

3.29.

De omschrijving in artikel 1 lid 1 aanhef en onder b van het KB van 29 november 1996 van vorderingen “ter zake van kosten en schadevergoedingen verschuldigd voor waterverontreiniging” is niet bepalend voor het antwoord op de vraag wat de reikwijdte is van het voorbehoud van artikel 18 CLNI 1988, omdat deze omschrijving niet (voldoende nauwkeurig) aansluit bij de tekst van artikel 18. De bewoordingen van dat KB laten mogelijk het oordeel toe dat ook kosten en schadevergoedingen ter zake van verontreiniging van het oppervlaktewater anderszins dan door de wijziging van de fysische, chemische of biologische kwaliteit door een waterverontreinigingsfonds zouden kunnen worden beknot, maar zoals uit het vorenstaande volgt, zodanige andere kosten of schade kunnen ingevolge artikel 2 CLNI slechts door het stellen van een zakenfonds worden beknot.

3.30.

Tot vorderingen wegens schade als gevolg van wijziging van de fysische, chemische of biologische kwaliteitswijziging van het oppervlaktewater, die van toepasselijkheid van de CLNI 1988 zijn uitgezonderd en waarvoor de regeling naar Nederlands recht geldt, dienen tevens te worden gerekend:

  • -

    de vorderingen wegens redelijke kosten ter voorkoming of beperking van schade door fysische, chemische of biologische kwaliteitswijziging van het water (artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder a BW),

  • -

    redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid ter zake van schade door fysische, chemische of biologische kwaliteitswijziging van het water (artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder b BW) en

  • -

    redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte van vergoeding van schade door fysische, chemische of biologische kwaliteitswijziging van het water (artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder c BW).

Dit spoort, immers, met de ruime omschrijving van zaakschade, respectievelijk “daaruit voortvloeiende schade” in artikel 2 lid 1 aanhef en onder a) en f) CLNI 1988.

Telkens vinden deze door een waterverontreinigingsfonds te beknotten vorderingen wegens redelijke kosten hun grens in de ruimte die artikel 18 CLNI bepaalt: schade veroorzaakt door de wijziging van de fysische, chemische of biologische kwaliteit van het water. Zodoende vindt geen interferentie plaats met de regelingen van artikel 2 lid 1 aanhef en onder a) en f) CLNI 1988 waar het zaakschade in de ruime zin als in die regelingen bedoeld (anders dan waterverontreiniging) betreft.

3.31.

In overeenstemming met het vorenstaande kunnen vorderingen ter zake van het reinigen van zaken die met stookolie uit de ‘Vlieland’ verontreinigd zijn geraakt doordat verontreinigd oppervlaktewater de stookolie daartegenaan heeft gebracht, niet kunnen worden beknot door het stellen van het Fonds. Hierbij valt te denken aan zaken als havenkades, oevers, taluds, kunstwerken en schepen. Dergelijke vorderingen, alsmede vorderingen wegens maatregelen ter voorkoming of beperking van zodanige schade kunnen slechts beknot worden door het stellen van een zakenfonds (artikel 2 lid 1, aanhef en onder a) en f) CLNI 1988).

3.32.

In die gevallen waarin vergoeding wordt gevorderd van maatregelen waarmee zowel zaken (zoals havenkades, oevers, taluds, kunstwerken en schepen) zijn beschermd of gereinigd, als waterverontreiniging is voorkomen, beperkt of hersteld, dient bepaald te worden door welk soort beperkingsfonds die vordering kan worden beknot. Kan die vordering beknot worden door een waterverontreinigingsfonds, of moet daarvoor een zakenfonds worden gesteld?

De maatstaf daarvoor ligt in het antwoord op de vraag met welk doel de betreffende maatregelen werden genomen. Daartoe dient men te kijken naar hetgeen de handelende personen op basis van de ten tijde van het nemen van de maatregelen, dan wel het maken van de betreffende kosten beschikbare gegevens voor ogen stond. Het is dus niet van belang of achteraf, op grond van andere gegevens, kan worden vastgesteld dat schade of waterverontreiniging zou zijn uitgebleven indien de maatregelen niet zouden zijn genomen (vgl. het arrest ‘Grabow’, zie onder 2.1.8 hierboven).

Daarbij kan bij twijfel over welk doel de handelende personen voor ogen stond als vuistregel worden aangehouden dat indien zaken worden beschermd tegen verontreiniging, dan wel worden gereinigd van verontreiniging, die maatregelen in beginsel geacht moeten worden te zijn genomen ter bescherming of reiniging van die zaken (dus zakenfonds) en dat het aan de partij die stelt dat de betreffende vorderingen door een waterverontreinigingsfonds kunnen worden beknot is om feiten of omstandigheden aan te voeren waaruit voortvloeit dat de vorderingen door dat fonds beknot kunnen worden. Spiegelbeeldig kan bij zodanige twijfel indien oppervlaktewater wordt beschermd tegen verontreiniging, dan wel wordt gereinigd van verontreiniging, als vuistregel worden aangehouden dat de betreffende maatregelen in beginsel geacht moeten worden te zijn genomen ter bescherming of reiniging van het oppervlaktewater (dus waterverontreinigingsfonds) en dat het aan de partij die stelt dat de betreffende vorderingen door een zakenfonds kunnen worden beknot is om feiten of omstandigheden aan te voeren waaruit voortvloeit dat de vorderingen door dat fonds beknot kunnen worden.

3.33.

In het onderhavige geval heeft de Staat het beheer en de verantwoordelijkheid voor de waterwegen, zoals het Noordzeekanaal en het Binnen IJ en het vaarwater in de havens daarlangs, en heeft HbA het beheer en de verantwoordelijkheid voor de randen, oevers, taluds, kades en kunstwerken langs het Noordzeekanaal en het Binnen IJ, alsmede het geheel van de havens daaromheen. Omdat het in de rede ligt dat ieder van deze partijen zich primair op haar eigen beheerstaak heeft gericht, volgt daaruit een tweede vuistregel, te weten dat de door de Staat genomen maatregelen in beginsel geacht worden te zijn gericht op de bescherming van het oppervlaktewater (dus waterverontreinigingsfonds) en die door HbA in beginsel op de bescherming van zaken (dus zakenfonds). Derhalve zal een partij die stelt dat door de Staat getroffen maatregelen niet door het Fonds kunnen worden beknot, daartoe feiten of omstandigheden moeten stellen, evenzo zal een partij die stelt dat door HbA getroffen maatregelen wel door het Fonds kunnen worden beknot daartoe feiten of omstandigheden moeten stellen.

‘secundaire waterverontreiniging’

3.34.

Indien en voor zover de uit de ‘Vlieland’ afkomstige stookolie via het oppervlaktewater zaken heeft verontreinigd en die verontreiniging vervolgens, door beweging van het oppervlaktewater, vanaf die zaken weer in het oppervlaktewater terecht komt – dus ‘secundaire waterverontreiniging’ – gelden ten aanzien van die verontreiniging dezelfde criteria als ten aanzien van de primaire waterverontreiniging. Ook hier geldt dat slechts sprake is van door het Fonds te beknotten vorderingen indien sprake is van fysische, chemische of biologische kwaliteitswijziging van het water. Ook hier geldt dat men dient te kijken naar hetgeen de handelende personen op basis van de ten tijde van het nemen van de maatregelen, dan wel het maken van de betreffende kosten beschikbare gegevens voor ogen stond. Ook hier gelden de in 3.32 en 3.33 genoemde vuistregels en vermoedens.

3.35.

Aan de hand van deze maatstaven onderzoekt de rechtbank hierna de vorderingen nader.

Vorderingen van de Staat

3.36.

De Staat aanvaardt dat het leeuwendeel van zijn vorderingen, ook die van per saldo € 93.885,00, door het Fonds kan worden beknot.

Het geschil betreft slechts de vraag of de hiervoor onder 2.1.5 onder (a) tot en met (g) genoemde deelvorderingen van de Staat door het Fonds kunnen worden beknot. Partijen zijn het erover eens dat de overige vorderingen van de Staat door het Fonds worden beknot.

3.37.

De vorderingen wegens (a) kosten van olievergelijkend onderzoek door de Waterdienst van RWS ten bedrage van € 12.000,00 en (f) van onderzoek of de uit de ‘Vlieland’ uitgestroomde olie diende te worden aangemerkt als gevaarlijke stof, ten bedrage van € 1.500,00.

Tussen partijen is niet in geschil dat de betreffende onderzoeken zijn uitgevoerd teneinde na te gaan of de aangetroffen verontreinigingen van het oppervlaktewater zijn toe te schrijven aan de aanvaring tussen de ‘Vlieland’ en de ‘Kevin S’ en of de stookolie uit de ‘Vlieland’ diende te worden aangemerkt as een gevaarlijke stof. Het gaat dan ook om kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:96 lid 2, aanhef en onder b BW. Op grond van hetgeen de rechtbank in 3.30 heeft overwogen, worden de vorderingen wegens kosten van olievergelijkend onderzoek door de Waterdienst van RWS ten bedrage van € 12.000,00 en van onderzoek of de uit de ‘Vlieland’ uitgestroomde olie diende te worden aangemerkt als gevaarlijke stof ten bedrage van € 1.500,00 door het Fonds beknot.

3.38.

De vorderingen wegens kosten van (b) vervanging van door de stookolie verontreinigd/beschadigd geraakte oliekerende schermen, ten bedrage van € 49.423,08 en van (g) het schoonmaken van de veegarm van de ‘Kennemer’ nadat de veegarm was ingezet voor preventieve en schadebeperkende maatregelen, ten bedrage van € 5.846,71.

Tussen partijen is niet in geschil dat de betreffende oliekerende schermen en veegarm zijn ingezet naar aanleiding van het ongeval en het uitstromen van stookolie uit de ‘Vlieland’ en met als beoogde doelen de voorkoming van verdere verspreiding van de uitgestroomde stookolie, dan wel de schoonmaak van de waterverontreiniging. Gegeven die doelen kunnen de kosten in beginsel door het Fonds worden beknot. Dat wordt niet anders doordat in dit geval zaken (oliekerende schermen, veegarm) zijn beschadigd.

Bijzondere feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden heeft de Staat niet gesteld.

Derhalve worden de vorderingen wegens kosten van vervanging van door de stookolie verontreinigd/beschadigd geraakte oliekerende schermen, ten bedrage van € 49.423,08 en van het schoonmaken van de veegarm van de ‘Kennemer’ nadat de veegarm was ingezet voor schoonmaak en opruiming dan wel preventieve en schadebeperkende maatregelen, ten bedrage van € 5.846,71.door het Fonds beknot.

3.39.

De vorderingen wegens de kosten van (c) herstel van de groenstrook langs de Tt. Vasumweg, die beschadigd was geraakt door de (voorbereiding van de) uitvoering van de schoonmaak- en opruimingswerkzaamheden, ten bedrage van € 7.814,75, (d) een verkeersafzetting op de Tt. Vasumweg ten behoeve van de oliebestrijding, ten bedrage van € 3.700,90 en (e) herstel van een kabel nabij het Cornelis Douweskanaal, die beschadigd was geraakt door de (voorbereiding van de) uitvoering van de schoonmaak- en opruimingswerkzaamheden, ten bedrage van € 1.490,81.

De Staat beschrijft de grondslagen van deze vorderingen als volgt. Door de (voorbereiding van de) uitvoering van de schoonmaak- en opruimwerkzaamheden op en nabij het Noordzeekanaal is een deel van de groenstrook Tt. Vasumweg in Amsterdam beschadigd geraakt. Om deze schade te herstellen heeft RWS opdracht gegeven tot groenherstel. Ten behoeve van de oliebestrijding op het Noordzeekanaal is er in opdracht van RWS op de Tt. Vasumweg een verkeersafzetting geplaatst. Ten gevolge van de (voorbereiding van de) uitvoering van de schoonmaak- en opruimwerkzaamheden op en nabij het Noordzeekanaal is er een kabel beschadigd geraakt.

VTM onderschrijft die grondslagen.

Voor zover op de Tt. Vasumweg een verkeersafzetting is geplaatst en de groenstrook en de kabel beschadigd zijn geraakt bij door de Staat getroffen maatregelen tot herstel van de waterverontreiniging op het Noordzeekanaal, gaat het om kosten of beschadiging veroorzaakt door maatregelen die zijn genomen met het oog op herstel van de waterverontreiniging, dan wel op voorkoming of vermindering van waterverontreiniging. Tot zover vallen de vorderingen binnen het Fonds.

Enige aarzeling zou kunnen bestaan bij de kosten voor zover deze schoonmaak- en opruimwerkzaamheden “nabij” het Noordzeekanaal zijn ontstaan, omdat het daarbij ook om werkzaamheden met het oog op zaakschade zou kunnen betreffen. Echter, de Staat heeft daarover geen feiten of omstandigheden gesteld, terwijl dat, gezien de maatstaven, wel op zijn weg lag. Daarom maakt de rechtbank geen onderscheid bij deze vorderingen.

Derhalve worden de vorderingen wegens kosten van herstel van de groenstrook langs de Tt. Vasumweg, die beschadigd was geraakt door de (voorbereiding van de) uitvoering van de schoonmaak- en opruimingswerkzaamheden, ten bedrage van € 7.814,75, wegens een verkeersafzetting op de Tt. Vasumweg ten behoeve van de oliebestrijding, ten bedrage van € 3.700,90 en wegens herstel van een kabel nabij het Cornelis Douweskanaal, die beschadigd was geraakt door de (voorbereiding van de) uitvoering van de schoonmaak- en opruimingswerkzaamheden, ten bedrage van € 1.490,81 door het Fonds beknot.

3.40.

De conclusie is dat alle vorderingen van de Staat door het Fonds worden beknot.

Vorderingen van HbA

3.41.

Het geschil betreft de vraag of de op de bladzijden 16 en 17 van het rapport CNZ beschreven vorderingen (behoudens de vordering van € 93.885,00) door het Fonds kunnen worden beknot.

3.42.

Voor zover de vorderingen van HbA de bescherming c.q. de schadebeperking c.q. de reiniging van de randen, oevers, taluds, kades en kunstwerken langs het Noordzeekanaal en het Binnen IJ, alsmede langs de havens daaromheen hebben betroffen, kunnen deze niet door het Fonds worden beknot. Voor beknotting daarvan dient een zakenfonds te worden gesteld.

3.43.

VTM voert uitvoerig aan (conclusie van antwoord 37 tot en met 68) dat en waarom naar haar oordeel de maatregelen en werkzaamheden van HbA zelf en van derden die in opdracht van HbA werkzaam zijn geweest vooral dienden ter voorkoming van verder uitstromen van stookolie uit de ‘Vlieland’ en het beredderen en opruimen van de waterverontreiniging.

Onder de nummers 69 en 70 betoogt VTM dat de kosten van het redden en schoonmaken van vogels en bijbehorende werkzaamheden ook door het Fonds kunnen worden beknot.

3.44.

Uit het rapport CNZ, waarop HbA zich beroept, valt niet eenduidig af te leiden van welke werkzaamheden en maatregelen HbA vergoeding verlangt.

Uit het rapport CNZ blijkt dat diverse werkzaamheden van HbA of door deze ingeschakelde derden niet (rechtstreeks) te maken hebben gehad met het voorkomen of beperken, dan wel herstellen van zaakschade. Het betreffende deel van het rapport CNZ heeft als kopje “De door de Haven Amsterdam gemaakte kosten met betrekking en als gevolg van de onderhavige aanvaring en daaropvolgende waterverontreiniging”. De onduidelijkheid geldt onder andere voor de extra inzet van staf- en kaderfunctionarissen, voor werkzaamheden ter voorkoming van verdere uitstroming van stookolie uit de ‘Vlieland’, het aanleggen en in stand houden van oliekerende schermen, het vervoer over water van functionarissen en vertegenwoordigers van belanghebbende partijen, het maken van inspectierondes, het monitoren van de vorderingen van schoonmaakwerkzaamheden en het verzorgen van verkeersbegeleiding. De rechtbank sluit niet uit dat al zodanige werkzaamheden wel degelijk (slechts) op het voorkomen of beperken, dan wel herstellen van zaakschade betrekking hebben, maar het rapport CNZ noch de Bijlage 5 daarbij geeft voldoende antwoord op de specifieke betwistingen door VTM.

Weliswaar brengen de vuistregels mee dat de vorderingen van HbA in beginsel niet door het Fonds kunnen worden beknot, maar gezien de specifieke verweren van VTM en de onduidelijkheden in de stellingen van HbA en het door haar ter onderbouwing aangedragen rapport CNZ, is het in dit geval aan HbA om duidelijkheid over haar vordering te scheppen. Bovendien bevindt de betreffende informatie zich in het domein van HbA.

Daarom zal de rechtbank de zaak naar de rol verwijzen opdat HbA bij akte nader kan specificeren en met documenten onderbouwen dat en waarom al die werkzaamheden buiten het in dit vonnis gegeven kader van het Fonds vallen. VTM zal daarop bij akte kunnen reageren.

3.45.

Het vorenstaande geldt niet voor de kosten wegens het redden en schoonmaken van vogels.

VTM ziet er bij haar betoog over de kosten van het redden en schoonmaken van vogels aan voorbij dat vogels “zaken” zijn in de zin van artikel 2 lid 1, aanhef en onder a) CLNI 1988.

Voor zover VTM betoogt dat het schoonmaken van vogels werd uitgevoerd om secundaire waterverontreiniging te voorkomen of te beperken, heeft zij onvoldoende concreet gesteld dat en waarom dat schoonmaken juist daartoe bestemd was en niet ter redding en reiniging van de vogels zelf.

De betreffende vordering van HbA van € 13.710,00 wordt derhalve niet door het stellen van het Fonds beknot.

Vorderingen van derden; Oranjemarine en Shipdock

3.46.

De Staat en HbA verlangen ook beslissingen ten aanzien van vorderingen van derde-partijen, zoals Argos, KSGC, Shipdock, Oranjemarine, Coentunnel en Van Vliet. VTM verzet zich daartegen.

Uit het proces-verbaal van de verificatievergadering van 19 februari 2014 blijkt dat slechts vier schuldeisers betwisten (en hun betwisting hebben gehandhaafd) dat VTM haar aansprakelijkheid kan beperken door het stellen van (slechts) het Fonds, te weten de Staat, HbA, Shipdock en Oranjemarine. Het beloop van de vorderingen van deze schuldeisers, behoudens Oranjemarine, is in dat proces-verbaal vastgesteld. Voorts blijkt uit dat proces-verbaal en de beschikking van de rechter-commissaris van 21 maart 2014 dat de rechter-commissaris in overleg met partijen slechts de Staat en HbA als schuldeisers naar de rolprocedure heeft verwezen. Oranjemarine en Shipdock hebben verklaard dat zij de uitkomst van deze renvooiprocedure zullen volgen als waren zij partijen in die renvooiprocedure.

In beginsel kan een rechter slechts beslissingen geven tussen de partijen in het geding en bindt een rechterlijk oordeel andere partijen niet.

Gegeven de verklaringen van Oranjemarine en Shipdock op de verificatievergadering van 19 februari 2014, geldt voor hen een uitzondering op dat beginsel: zij worden wel gebonden door de beslissingen in de zaak tussen de Staat en HbA enerzijds en VTM anderzijds, want zij hebben die beslissingen te volgen als waren zijzelf partijen in dit geding. Die omstandigheid rechtvaardigt dat de Staat, HbA en VTM zich in dit geding ook uitlaten over de vorderingen die Oranjemarine en Shipdock hebben ingediend en dat de rechtbank daarover een oordeel uitspreekt.

In dit geval speelt niet de problematiek van de exceptio plurium litis consortium, omdat de rechtspositie van Oranjemarine, respectievelijk Shipdock ten opzichte van VTM kan worden vastgesteld buiten aanwezigheid van andere partijen.

De rechtbank stelt vast dat uit (punt 1 aanhef en onder (a) van) het proces-verbaal van 19 februari 2014 blijkt dat Coentunnel haar bij de vereffenaar ingediende vordering heeft teruggenomen.

Het betrekken in deze renvooizaak van de vorderingen van Argos, KSGC en Van Vliet, die zich niet op voorhand hebben geconformeerd aan een te geven beslissing, zou in strijd met een goede procesorde zijn. Indien en voor zover de Staat of HbA de vorderingen van Argos, KSGC of Van Vliet hebben betwist in de verificatiefase, kunnen die betwistingen mogelijk leiden tot verdere renvooizaken. Dat valt buiten het bestek van de onderhavige renvooizaak.

Argos, KSGC en Van Vliet zijn zonder meer niet gebonden aan de uitkomst in de onderhavige renvooizaak. De Staat en HbA kunnen in hun vorderingen ten aanzien van deze derden en Coentunnel niet worden ontvangen in deze renvooizaak.

Oranjemarine

3.47.

Oranjemarine heeft een vordering van € 28.931,87 bij de vereffenaar ingediend wegens stagnatieschade en kosten verband houdende met het verplaatsen van schepen ter voorkoming of beperking van verontreiniging daarvan door uit de ‘Vlieland’ gestroomde stookolie. Blijkens het proces-verbaal van 19 februari 2014 is die vordering wat betreft aansprakelijkheid, inhoud en omvang betwist.

Uitgaande van de omschrijving van de vordering, zou deze slechts door het stellen van een zakenfonds kunnen worden beknot, maar gelet op de betwisting kan daarover nog niets met zekerheid worden gezegd. Daarom kan de gevorderde verklaring voor recht niet worden gegeven.

Shipdock

3.48.

Shipdock heeft een vordering bij de vereffenaar ingediend wegens stagnatieschade verband houdende met voorkoming, beperking of herstel van verontreiniging van schepen door uit de ‘Vlieland’ gestroomde stookolie. Blijkens het proces-verbaal van 19 februari 2014 is die vordering vastgesteld op € 121.992,92.

Die vordering valt buiten het bereik van het Fonds en kan dus slechts door het stellen van een zakenfonds worden beknot.

Slotsom

3.49.

Gelet op het hierboven gegeven oordeel dat de vorderingen van de Staat, ook de in de conclusie van eis tot verificatie onder 2 a) tot en met g) genoemde vorderingen, worden beknot door het stellen van het Fonds zal de rechtbank in het eindvonnis de door de Staat onder 1. gevorderde verklaring voor recht afwijzen.

Gelet op de in r.o. 3.46-3.48 gegeven oordelen zal de onder 2. gevorderde verklaring voor recht aangaande Oranjemarine te zijner tijd worden afgewezen, en zal de Staat niet ontvankelijk worden verklaard in haar vorderingen aangaande Argos, KGSC, Coentunnel en Van Vliet. De verklaring voor recht aangaande Shipdock zal worden toegewezen.

3.50.

Ieder oordeel omtrent de onder 1. gevorderde verklaring voor recht dat de vorderingen van HbA niet (volledig) kunnen worden beknot door het Fonds zal worden aangehouden.

HbA zal in het eindvonnis niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering onder 2. tot een verklaring voor recht over aansprakelijkheid van VTM.

Gelet op de in r.o. 3.46 - 3.48 gegeven oordelen zal de onder 3. gevorderde verklaring voor recht aangaande Oranjemarine te zijner tijd worden afgewezen, en zal HbA niet ontvankelijk worden verklaard in haar vorderingen aangaande Argos, KGSC, Coentunnel en Van Vliet. De verklaring voor recht aangaande Shipdock zal worden toegewezen.

3.51.

De rechtbank zal de zaak tussen HbA en VTM naar de rol verwijzen voor het nemen van aktes als bedoeld in 3.44, om te beginnen door HbA. VTM zal daarop bij akte kunnen reageren.

De rechtbank zal elke verdere beslissing aanhouden.

4 De beslissing

De rechtbank,

4.1.

in de zaak tussen HbA en VTM:

verwijst de zaak naar de rol van 17 augustus 2016 voor het nemen van aktes, om te beginnen door HbA, als bedoeld in 3.44;

4.2.

in de beide zaken: houdt elke verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. W.P. Sprenger, P.A.M. van Schouwenburg-Laan en A.N. van Zelm van Eldik en uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2016.

Bij afwezigheid van de voorzitter wordt dit vonnis ondertekend door de oudste rechter.

1928/1885/10