Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:6032

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-08-2016
Datum publicatie
11-08-2016
Zaaknummer
ROT 15/6931
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verweerder heeft geweigerd om over te gaan tot handhaving tegen een viertal bedrijven die zouden handelen in gebruikte banden wegens de aanwezigheid van tijgermuggen. Verweerde heeft er ter zitting op gewezen dat zijn handhavingsbeleid niet is gericht op het realiseren van een nulvangst van tijgermuggen of larven van tijgermuggen, maar op het indammen van de risico’s voor introductie en verspreiding van exotische muggen. Dit uitgangspunt ligt overigens ook ten grondslag aan de convenanten. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om in het kader van de handhaving van artikel 18, aanhef en onder a, van de Warenwet tot een ruimere risico-inschatting uit te gaan dan verweerder heeft gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JW 2016/45

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 15/6931

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 augustus 2016 in de zaak tussen

Stichting Platform Stop Invasieve Exoten, te Amsterdam, eiseres,

gemachtigde: mr. W.F.E. Reinhold,

en

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder,

gemachtigde: mr. R. Bal.

Procesverloop

Bij brief van 1 september 2014 heeft verweerder eiseres bericht dat zij geen gevolg zal geven aan het verzoek van eiseres om over te gaan tot civielrechtelijke, strafrechtelijke en/of bestuursrechtelijke handhaving tegen een viertal bedrijven die zouden handelen in gebruikte banden wegens de aanwezigheid van tijgermuggen.

Bij besluit van 29 september 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard voor zover het bezwaar zich richt tegen de weigering over te gaan tot civielrechtelijke en strafrechtelijke handhaving en haar bezwaar ongegrond verklaard voor zover het ziet op de weigering over te gaan tot bestuursrechtelijke handhaving.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft – gevoegd met de zaak ROT 15/6930 – plaatsgevonden op 21 juli 2016. De gemachtigde van eiseres is met zijn partner verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorts zijn verschenen L. Plooij en A. Stroo, beiden werkzaam bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).

Overwegingen

1.1.

Artikel 1, van de Warenwet luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“(…)

3. Deze wet is ten aanzien van het voorhanden of in voorraad hebben van een waar niet van toepassing indien aannemelijk kan worden gemaakt dat de waar niet voor aflevering en indien het een technisch voortbrengsel betreft, tevens niet voor gebruik bestemd is. Voorts is deze wet ten aanzien van het afleveren van een waar niet van toepassing indien aannemelijk kan worden gemaakt dat het afleveren geschiedt ter vernietiging van de waar of om de waar in overeenstemming te brengen met regels, bij of krachtens deze wet met betrekking tot die waar gesteld.

(…)”

Artikel 18, van de Warenwet luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“Onverminderd het bij of krachtens de voorgaande artikelen bepaalde is het verboden:

a. waren, niet zijnde eet en drinkwaren, te verhandelen waarvan degene die deze waren verhandelt, weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat zij bij het gezien hun bestemming te verwachten gebruik bijzondere gevaren kunnen opleveren voor de veiligheid of gezondheid van de mens, of indien het technische voortbrengselen betreft, tevens voor de veiligheid van zaken;

(…)”

Uit de artikelen 32 en 32a van de Warenwet volgt dat verweerder – onder meer – bevoegd is tot oplegging van een last onder bestuursdwang of een bestuurlijke boete bij niet naleving van bij en krachtens de Warenwet gestelde voorschriften.

1.2.

Artikel 1 van de Wet publieke gezondheid luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

l. besmetting: de aanwezigheid van een vector, infectueus of giftig agens of infectueuze of giftige stof op of in een gebouw, goed of vervoermiddel, waardoor een volksgezondheidsrisico kan ontstaan;

(…)

n. vector: een insect of ander dier dat normaliter een infectueus agens met zich meevoert waardoor een volksgezondheidsrisico kan ontstaan, dan wel een plant of substantie waarin een infectueus agens normaliter leeft waardoor een volksgezondheidsrisico kan ontstaan;

(…)”

Artikel 47 van de Wet publieke gezondheid luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“(…)

2 In het geval van een besmetting kan de burgemeester dan wel de voorzitter van de veiligheidsregio:

a. voorschriften van technisch-hygiënische aard geven,

b. gebouwen, vervoermiddelen of goederen ontsmetten, met inbegrip van de vernietiging van vectoren.

3 In het geval van een besmetting waarbij ernstig gevaar dreigt voor de volksgezondheid, kan de burgemeester dan wel de voorzitter van de veiligheidsregio:

a. gebouwen of terreinen dan wel gedeelten daarvan sluiten,

b. een verbod uitvaardigen tot het gebruik maken of betreden van vervoermiddelen,

c. waren vernietigen.

(…)”

1.3.

De Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door verweerder, heeft achtereenvolgende Convenanten gericht op het voorkomen of beperken van insleep van exotische muggen bij bedrijven die handelen in gebruikte banden afgesloten met de Vereniging VACO – de Bedrijfstakorganisatie voor de Banden- en Wielenbranche.

2. Ter zitting heeft eiseres het beroep ingetrokken voor zover het ziet op de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar inzake de weigering over te gaan tot civielrechtelijke en strafrechtelijke handhaving. Het beroep ziet dan ook alleen nog op de weigering om over te gaan tot bestuursrechtelijke handhaving.

3. Verweerder heeft bij het bestreden besluit overwogen dat de bedrijven, waarop het handhavingsverzoek ziet, een deel van de ingezamelde banden vernietigen door deze te verwerken tot granulaat/schrot, dan wel, wanneer het bedrijf daar zelf niet de faciliteiten voor heeft, de banden aflevert aan bedrijven die de banden op dezelfde wijze verwerken. Een ander deel gaat volgens verweerder naar coverbedrijven die de banden van een nieuw loopvlak voorzien. Het merendeel van die coverbedrijven is buiten Nederland gevestigd. Het resterende deel zou naar groothandelaren in Europa en daarbuiten worden geëxporteerd. Ten slotte zou sporadisch worden geleverd aan particulieren, bijvoorbeeld voor toepassing in de landbouw, aldus verweerder. Dit laatste betreft twee van de vier bedrijven en zou een zeer gering deel van de banden betreffen. Verweerder neemt daarom het standpunt in dat het overgrote deel van de banden op grond van artikel 1, derde lid, van de Warenwet vallen buiten het bereik van artikel 18, aanhef en onder a, van de Warenwet. Voorts heeft verweerder overwogen dat het vanuit een oogpunt van bescherming van de volksgezondheid niet noodzakelijk is dat artikel 18, aanhef en onder a, van de Warenwet van toepassing is. De burgemeester of voorzitter van de veiligheidsregio is immers op grond van artikel 47, tweede en derde lid, van de Wet publieke gezondheid bevoegd maatregelen te treffen tegen de tijgermuggen en heeft vanwege de gedane vondsten ook daadwerkelijk bestrijdingsmaatregelen tegen deze vectoren getroffen.

4. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat artikel 1, derde lid, van de Warenwet – anders dan verweerder in bezwaar heeft overwogen – niet met zich brengt dat de gedragingen van de vier bandenbedrijven buiten het toepassingsbereik van artikel 18, aanhef en onder a, van de Warenwet vallen. Ten eerste hebben zij de banden geïmporteerd en is daarmee sprake van verhandeling, ten tweede is bij aflevering voor verwerking tot granulaat/schrot of het aanbrengen van een nieuw loopvlak geen sprake van vernietiging of het in overeenstemming brengen met de regels, ten derde heeft verweerder verzuimd te melden aan welke bedrijven in Nederland een deel van de banden wordt doorgeleverd en die niet tot deze verwerking overgaan en ten slotte heeft verweerder zelf erkend dat zeer sporadisch een deel aan particulieren wordt geleverd. Voorts heeft eiseres aangevoerd dat het uit een oogpunt van volksgezondheid noodzakelijk is tot handhaving op grond van de Warenwet over te gaan, omdat de Wet publieke gezondheid daartoe onvoldoende mogelijkheden biedt (Kamerstukken II 2014/15, 32 793, nr. 191).

5. Verweerder heeft ter zitting onweersproken gesteld dat het bandenbedrijf van Joop Arts te Oss B.V. inmiddels failliet is verklaard. De rechtbank ziet daarin echter geen aanleiding om het beroep, voor zover het ziet op de gehandhaafde weigering bestuursrechtelijk op te treden tegen dat bandenbedrijf, bij gebrek aan belang niet-ontvankelijk te verklaren. Het kan namelijk niet worden uitgesloten dat het bedrijf is of zal worden overgenomen onder algemene titel, zodat niet kan worden uitgesloten dat bij een gegrond beroep de opvolgende eigenaar alsnog met de gevraagde handhavingsmaatregelen wordt geconfronteerd.

6. Eiseres heeft haar stelling dat een deel van banden wordt doorgeleverd aan in Nederland gevestigde bedrijven die de banden niet verwerken tot granulaat/schrot of daarop een nieuw loopvlak aanbrengen niet gemotiveerd of anderszins aannemelijk gemaakt, zodat de rechtbank die stelling bij gebrek aan feitelijke grondslag zal daarlaten. Met betrekking tot de verwerking van de banden zoals in het bestreden besluit is weergegeven, ziet de rechtbank niet zonder nadere onderbouwing in dat het afleveren van de banden niet geschiedt ter vernietiging van de waar of om de waar in overeenstemming te brengen met de Warenwetgeving. Omdat eiseres om handhaving heeft verzocht en verweerder zich op het standpunt stelt dat, gelet op artikel 1, derde lid, van de Warenwet, op die gedragingen de Warenwet niet van toepassing is, lag het op de weg van eiseres haar tegengestelde standpunt te onderbouwen.

7. Voor zover verweerder heeft erkend dat zeer sporadische levering aan particulieren plaatsvindt is de rechtbank met eiseres van oordeel dat de Warenwet wel van toepassing is, omdat het begrip waren in artikel 18, aanhef en onder a, van de Warenwet zodanig ruim is dat het mede betrekking kan hebben op gebruikte banden. Ter zitting heeft verweerder nog aangevoerd dat voor zover de partijen banden niet direct of indirect uit een risicogebied komen, geen maatregelen nodig zijn en dat er sinds 2012 zo weinig tijgermuggen in Nederland zijn aangetroffen dat van deze zeer sporadische verhandeling van tweede handsbanden (als die al afkomstig zijn van risicogebieden) niet redelijkerwijs kan worden vermoed dat die bijzondere gevaren kan opleveren voor de veiligheid of gezondheid van de mens, zodat 18, aanhef en onder a, van de Warenwet ook om die reden niet van toepassing is. In dit verband heeft verweerder er ter zitting op gewezen dat zijn handhavingsbeleid niet is gericht op het realiseren van een nulvangst van tijgermuggen of larven van tijgermuggen, maar op het indammen van de risico’s voor introductie en verspreiding van exotische muggen. Dit uitgangspunt ligt overigens ook ten grondslag aan de onder 1.3 genoemde convenanten. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om in het kader van de handhaving van artikel 18, aanhef en onder a, van de Warenwet tot een ruimere risico-inschatting uit te gaan dan verweerder heeft gedaan.

8. De rechtbank merkt daarbij ten overvloede op dat uit de brief van verweerder van 26 juni 2015 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2014/15, 32 793, nr. 191) naar voren komt dat hij voornemens is de preventieve maatregelen uit de convenanten een wettelijke grondslag te geven door wijziging van de van de Wet publieke gezondheid, waarbij eveneens is opgemerkt dat met proportionele wettelijke afdwingbare preventieve maatregelen een nulvangst van larven of muggen lastig is te realiseren.

9. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder heeft kunnen afzien van handhaving als door eiseres verzocht. Het beroep is daarom ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, rechter, in aanwezigheid van mr. dr. R. Stijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.