Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:5918

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
31-05-2016
Datum publicatie
29-07-2016
Zaaknummer
501099 / HA RK 16-351
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen. Blijkens de brief van 25 april 2016 heeft het college medegedeeld dat Stroomopwaarts een gemeenschappelijke regeling is, waarbij geen bevoegdheden zijn gedelegeerd, maar gemandateerd. In geval van mandaat wordt bevoegdheid gegeven om in naam van het college besluiten te nemen. De verantwoordelijkheid blijft echter bij het college bestaan en daarmee is het college terecht aangemerkt als de verwerende partij in de door verzoeker aanhangig gemaakte beroepsprocedure.

Nu het college op 13 april 2016 een besluit heeft genomen op de aanvraag van verzoeker inzake de individuele inkomenstoeslag, levert de brief van 3 mei 2016, geen grond op voor het oordeel dat sprake is van een objectief gerechtvaardigde vrees van verzoeker voor vooringenomenheid van de rechter jegens verzoeker.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Zaaknummer / rekestnummer: 10/501099 / HA RK 16-351

Beslissing van 31 mei 2016

op het verzoek van

[naam verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

strekkende tot wraking van:

mr. M. Schoneveld, teamvoorzitter en rechter in de rechtbank Rotterdam, afdeling publiek, bestuur team 1 (hierna: de rechter).

1 Het procesverloop en de processtukken

Op 18 april 2016 heeft verzoeker beroep ingesteld bij de rechtbank Rotterdam, afdeling bestuursrecht tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [naam gemeente]. Deze procedure draagt als kenmerk ROT AWB 16/2623.

Bij faxbericht van 5 mei 2016 (12.39 uur) heeft verzoeker de voorzitter van de rechtbank Rotterdam, sector bestuursrecht gewraakt. Bij emailbericht van 10 mei 2016 heeft de rechter medegedeeld dat het wrakingsverzoek aan haar, als teamvoorzitter van de afdeling publiekrecht, bestuur team 1, geacht wordt te zijn gericht, nu de zaak nog niet aan een rechter is toebedeeld.

De wrakingskamer heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- het dossier in de bodemprocedure;

- het schriftelijke wrakingsverzoek.

Verzoeker alsmede de rechter zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.

Ter zitting van 18 mei 2016, alwaar het wrakingsverzoek is behandeld, is niemand verschenen.

2 Het verzoek en de reactie daarop

2.1

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoeker het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen een besluit van het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling ‘Stroomopwaarts MVS’ (hierna: Stroomopwaarts). Verzoeker heeft de rechtbank geen toestemming gegeven om de verwerende partij te veranderen in het college van burgemeester en wethouders van [naam gemeente] (hierna: het college). De rechtbank had het schrijven van 27 maart 2016 ingezonden door de gemachtigde namens het college niet als verweerschrift mogen toelaten. Van de rechtbank had verwacht mogen worden daarin aanleiding te zien alsnog aan het dagelijks bestuur van Stroomopwaarts te verzoeken een verweerschrift in te dienen.

Voor zover in de brief van 3 mei 2016 van de rechtbank de suggestie wordt gewekt dat wel een beschikking is gegeven, zodat het beroep niet ontvankelijk zal worden verklaard en vervolgens de keuze aan verzoeker wordt geboden ofwel het beroep in te trekken ofwel een proceskostenformulier in te vullen - daargelaten of dit aan de orde zou kunnen zijn - wordt impliciet en zonder wettelijke grondslag daartoe vooruitgelopen op de door de bestuursrechter te geven rechterlijke beslissing.

Daarnaast worden eerdere door verzoeker geplaatste kanttekeningen bij de handelwijze van de rechtbank eenvoudigweg niet van reactie of antwoord voorzien, laat staan weerlegd.

Gelet hierop is de verzoeker van mening dat zijn vrees dat de bestuursrechter zijn zaak niet onpartijdig zal beoordelen objectief en subjectief gerechtvaardigd is.

2.2

De rechter heeft niet in de wraking berust.

3 De beoordeling

3.1

Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de door verzoeker geuite vrees voor vooringenomenheid van de rechter door objectieve factoren gerechtvaardigd is.

3.2

Aan de door verzoeker aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechter door haar persoonlijke instelling en overtuiging niet onpartijdig is.

3.3

Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoeker geuite vrees dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is. Hierbij is de opvatting van verzoeker van belang, maar deze is niet doorslaggevend.

3.4

De wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe als volgt.

Blijkens de brief van 25 april 2016 heeft het college medegedeeld dat Stroomopwaarts een gemeenschappelijke regeling is, waarbij geen bevoegdheden zijn gedelegeerd, maar gemandateerd. In geval van mandaat wordt bevoegdheid gegeven om in naam van het college besluiten te nemen. De verantwoordelijkheid blijft echter bij het college bestaan en daarmee is het college terecht aangemerkt als de verwerende partij in de door verzoeker aanhangig gemaakte beroepsprocedure.

Nu het college op 13 april 2016 een besluit heeft genomen op de aanvraag van verzoeker inzake de individuele inkomenstoeslag, levert de brief van 3 mei 2016, geen grond op voor het oordeel dat sprake is van een objectief gerechtvaardigde vrees van verzoeker voor vooringenomenheid van de rechter jegens verzoeker.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de feiten en omstandigheden die verzoeker ter onderbouwing van zijn verzoek naar voren heeft gebracht, geen grond opleveren voor wraking.

3.5

Het verzoek is mitsdien ongegrond. Het verzoek wordt afgewezen.

4 De beslissing

wijst af het verzoek tot wraking van mr. M. Schoneveld.

Deze beslissing is gegeven door mr. W.J.J. Wetzels, voorzitter, mr. M. Fiege en mr. H.J.M. van der Kaaij, rechters en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 mei 2016 in tegenwoordigheid van mr. N. Jallal, griffier.

Verzonden op:

aan:

-

-

-

-