Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:5913

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-05-2016
Datum publicatie
29-07-2016
Zaaknummer
499722 / HA RK 16-290
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen. Uit de enkele omstandigheid dat de rechter-commissaris de medeverdachte van verzoeker in bewaring heeft gesteld, valt geen objectief gerechtvaardigd vermoeden af te leiden voor de veronderstelling dat de rechter-commissaris bij het verhoor van verzoeker vooringenomen zal zijn, noch kan bij verzoeker de objectief gerechtvaardigde vrees zijn ontstaan dat het de rechter-commissaris aan onpartijdigheid zal ontbreken. De voorgeleiding van verzoeker heeft immers nog niet plaatsgevonden en (de raadsman van) verzoeker zal nog de gelegenheid hebben zijn standpunt ten aanzien van de vordering tot inbewaringstelling te bespreken en deze waar nodig aan te vechten. Ten aanzien van verzoeker zal de rechter-commissaris zich derhalve, na het horen van de raadsman, opnieuw een oordeel dienen te vormen over de ernstige bezwaren en gronden, ook ten aanzien van de zogenaamde 12-jaars grond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Zaaknummer / rekestnummer: 499722 / HA RK 16-290

Beslissing van 4 mei 2016

op het verzoek van

[naam verzoeker],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres],

verzoeker,

advocaat mr. D.H. van den Elzen,

strekkende tot wraking van:

mr. A.M.G. van de Kragt, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Rotterdam, team kabinet rechter-commissaris (hierna: de rechter-commissaris).

1 Het procesverloop en de processtukken

Bij gelegenheid van de voorgeleiding van verzoeker als verdachte voor de rechter-commissaris op 18 april 2016 heeft de raadsman van verzoeker wraking van de rechter-commissaris verzocht.

De wrakingskamer heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  • -

    het proces-verbaal van verhoor van verzoeker als verdachte door de rechter-commissaris op 18 april 2016 de hiervoor bedoelde zitting;

  • -

    de beschikking d.d. 18 april 2016 van de rechter-commissaris, houdende toetsing inverzekeringstelling en bevel tot bewaring van verzoeker als verdachte schriftelijke toelichting op het wrakingsverzoek.

Verzoeker, zijn advocaat, de rechter-commissaris, alsmede de officier van justitie zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechter-commissaris is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter-commissaris heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 26 april 2016.

Ter zitting van 2 mei 2016, waar het wrakingsverzoek is behandeld, zijn verschenen: de raadsman van verzoeker en de rechter-commissaris. Zij hebben ieder hun standpunt nader toegelicht.

2 Het verzoek en de reactie daarop

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoeker het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :

2.1.1

Verzoeker is samen met een tweede persoon aangehouden terwijl zij reden in een auto van een derde. In die auto werden drugs aangetroffen. Zowel verzoeker als de persoon in zijn gezelschap, de medeverdachte, zegt: daar weet ik niets van. Zowel verzoeker als de tweede persoon werden verdacht van het medeplegen van een drugsdelict. De medeverdachte werd op 18 april 2016 als eerste voorgeleid aan de rechter-commissaris, die vervolgens zijn inbewaringstelling heeft gelast.

Ten tijde van de voorgeleiding van verzoeker op 18 april 2016 had de rechter-commissaris zich derhalve reeds uitgesproken over de bezwaren en gronden in de zaak van de medeverdachte van verzoeker. Dat is op zichzelf niet ongebruikelijk en kan in jurisprudentie van wrakingskamers de toets doorstaan. In dit geval echter, waarin het gaat om twee verdachten in dezelfde omstandigheden met een identiek verhaal, die worden verdacht van medeplegen, heeft de rechter-commissaris zich al een oordeel gevormd over de vordering tot inbewaringstelling van verzoeker. Hetzelfde geldt voor de vraag of er sprake is van een 12-jaars feit en geschokte rechtsorde, welke grond samenhangt met het feit, en niet met de persoon van de verdachte. In dit geval kan niet meer worden gezegd dat naar de zaak van verzoeker zou worden gekeken door een rechter, die zich nog geen oordeel heeft gevormd over de zaak.

2.2

De rechter-commissaris heeft niet in de wraking berust en heeft te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking kan opleveren. Daarbij is – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:

2.2.1

De Hoge Raad heeft voor de behandeling van een (bodem)strafzaak uitgemaakt dat het

enkele feit dat een rechter een medeverdachte bij een eerdere berechting schuldig heeft

bevonden, niet een, uit uitzonderlijke omstandigheden volgende, zwaarwegende aanwijzing

oplevert dat die rechter een vooringenomenheid koestert althans, dat de vrees dat dat het

geval is objectief gerechtvaardigd is (HR 3 maart1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0955).

De rechtbank Amsterdam heeft dit ook uitgemaakt voor een situatie als de onderhavige waar het gaat om een voorgeleiding (ECLI:NL:RBAMS:2012:9198 en ECLI:NL:RBAMS: 2011:BU9801).

Vaste praktijk binnen het kabinet rechter-commissaris te Rotterdam is dat medeverdachten bij dezelfde rechter-commissaris worden ingepland. Zo is dat ook gebeurd met verzoeker. De rechter-commissaris heeft de voorgeleiding van verzoeker geheel op haar eigen merites beoordeeld; ten aanzien van de al dan niet tegen verzoeker bestaande ernstige bezwaren (zijn vermeende rol in het ten laste gelegde feit), ten aanzien van de gronden en ten aanzien van zijn persoonlijke omstandigheden.

3 De beoordeling

3.1

Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de door verzoeker geuite vrees voor vooringenomenheid van de rechter door objectieve factoren gerechtvaardigd is.

3.2

Aan de door verzoeker aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechter-commissaris door haar persoonlijke instelling en overtuiging niet onpartijdig is.

3.3

Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoeker geuite vrees dat de rechter-commissaris jegens hem een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is. Hierbij is de opvatting van verzoeker van belang, maar is deze niet doorslaggevend.

3.4

De wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe als volgt.

Uit de enkele omstandigheid dat de rechter-commissaris de medeverdachte van verzoeker in bewaring heeft gesteld, valt geen objectief gerechtvaardigd vermoeden af te leiden voor de veronderstelling dat de rechter-commissaris bij het verhoor van verzoeker vooringenomen zal zijn, noch kan bij verzoeker de objectief gerechtvaardigde vrees zijn ontstaan dat het de rechter-commissaris aan onpartijdigheid zal ontbreken. De voorgeleiding van verzoeker heeft immers nog niet plaatsgevonden en (de raadsman van) verzoeker zal nog de gelegenheid hebben zijn standpunt ten aanzien van de vordering tot inbewaringstelling te bespreken en deze waar nodig aan te vechten. Ten aanzien van verzoeker zal de rechter-commissaris zich derhalve, na het horen van de raadsman, opnieuw een oordeel dienen te vormen over de ernstige bezwaren en gronden, ook ten aanzien van de zogenaamde 12-jaars grond.

3.5

De wraking is mitsdien ongegrond. Het verzoek wordt afgewezen.

4 De beslissing

De rechtbank:

- wijst af het verzoek tot wraking van mr. A.G.M. van de Kragt.

Deze beslissing is gegeven door mr. H.J.M. van der Kaaij, voorzitter, mr. J.H. de Wildt en mr. L.C. van Walree, rechters en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 mei 2016 in tegenwoordigheid van J.A. Faaij, griffier.

Verzonden op:

aan:

- verzoeker

- mr. D.H. van den Elzen

- mr. A.M.G. van de Kragt

- mr. M. Luijpen