Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:5910

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-02-2016
Datum publicatie
29-07-2016
Zaaknummer
494070 / HA RK 16-57
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen. Processuele beslissing van de kantonrechter om brief van gemachtigde van de wederpartij – waarin onderbouwd werd betoogd dat het verzet niet tijdig is gedaan – aan te merken als een incidentele conclusie tot niet-ontvankelijkheid. Aard en positie van het rechtsmiddel van verzet in open stelsel van rechtsmiddelen in het burgerlijk procesrecht. Mede gelet op de bepalingen van het Landelijk procesreglement van rolzaken kanton is geen sprake van een zozeer onbegrijpelijke beslissing dat daarvoor in redelijkheid geen andere verklaring is te geven dan dat deze beslissing door gebrek aan onpartijdigheid is ingegeven. Geen schending van de eis van hoor- en wederhoor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Zaaknummer / rekestnummer: 10/494070 / HA RK 16-57

Beslissing van 29 februari 2016

op het verzoek van

[naam verzoekster] ,

domicilie kiezende aan het adres van haar gemachtigde,

verzoekster,

advocaat mr. W.H. van Zundert,

strekkende tot wraking van:

mr. V.F. Milders, rechter in de rechtbank Rotterdam, afdeling privaatrecht, team kanton 1 (hierna: de rechter).

1 Het procesverloop en de processtukken

Bij dagvaarding van 13 april 2015 heeft Stichting [naam stichting] (hierna: [naam stichting]) verzoekster gedagvaard te verschijnen ter openbare terechtzitting van 23 april 2015 van deze rechtbank in de procedure van [naam stichting] tegen verzoekster. Op 8 mei 2015 is bij verstek vonnis gewezen in die procedure.

Deze procedure draagt als kenmerk 4712036 CV EXPL 15-57387.

Bij dagvaarding van 17 december 2015 heeft verzoekster verzet gedaan tegen dat vonnis.

Op 31 december 2015 heeft de griffier de gemachtigden van partijen per brief te kennen gegeven dat verzoekster ter zitting heeft gevraagd om uitstel en dat de kantonrechter op de zitting van 11 januari 2016 zal beslissen over het verdere verloop van de zaak.

Bij brief van 8 januari 2016 heeft de gemachtigde van [naam stichting] stukken ingediend ten behoeve van de zitting van 11 januari 2016. In deze brief stelt de gemachtigde dat het verzet van verzoekster niet-ontvankelijk is nu dit verzet te laat is ingesteld. Hij verzoekt het verzet niet-ontvankelijk te verklaren. De gemachtigde merkt nog op dat zijn schrijven niet heeft te gelden als een conclusie van antwoord in oppositie en dat hij zich het recht voorbehoudt om een conclusie van antwoord in oppositie in te nemen, indien het verzet ontvankelijk verklaard wordt.

De griffier heeft bij brief van 11 januari 2016 aan de gemachtigde van [naam stichting] kenbaar gemaakt dat de rechter diens brief van 8 januari 2016 formeel zal laten passeren op de rol van 21 januari 2016 als incidentele conclusie tot niet-ontvankelijkheid. In deze brief van de griffer is voorts opgemerkt dat een en ander betekent dat de gemachtigde van verzoekster, gelet ook op het beginsel van hoor en wederhoor, in de gelegenheid gesteld zal worden te reageren bij conclusie van antwoord in het incident en dat de zaak daartoe op de rol van

21 januari 2016 zal worden verwezen naar de rol van 18 februari 2016. Een kopie van deze brief van de griffier aan de gemachtigde van [naam stichting] is verzonden aan de gemachtigde van verzoekster.

Bij faxbericht van 20 januari 2016 heeft de gemachtigde van verzoekster zijn brief van

11 januari 2016 gestuurd. In deze brief van 11 januari 2016 tekent de gemachtigde van verzoekster protest aan tegen de brief van de gemachtigde van [naam stichting] van 8 januari 2016 en verzoekt hij de rechter in zijn beraad voorbij te gaan aan de brief van de gemachtigde van de wederpartij van 8 januari 2016.

Bij faxbericht van 20 januari 2016 heeft de gemachtigde van verzoekster ook zijn brief van 14 januari 2016 gestuurd. In deze brief vraagt de gemachtigde van verzoekster de rechter of in de brief van de griffier van 11 januari 2016 aan de gemachtigde van de wederpartij rekening gehouden is met de brief van de gemachtigde van verzoekster van 11 januari 2016.

De griffier heeft bij brief van 22 januari 2016 aan de gemachtigde van verzoekster kenbaar gemaakt dat de strekking van de brieven van de gemachtigde van verzoekster van 11 en 14 januari 2016 de rechter enigszins ontgaat en dat de inhoud van de brieven geen aanleiding zijn om anders te beslissen.

Bij brief van 25 januari 2016 heeft de gemachtigde van verzoekster om de wraking van de rechter verzocht.

De wrakingskamer heeft kennis genomen van het dossier met zaaknummer 4712036 CV EXPL 15-57387.

Verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, [naam stichting] en haar gemachtigde, alsmede de rechter zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zal worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 1 februari 2016.

Ter zitting van 15 februari 2016, alwaar het wrakingsverzoek is behandeld, zijn verzoekster en haar gemachtigde verschenen. De gemachtigde van verzoekster heeft aan de hand van een pleitnota het standpunt van verzoekster nader toegelicht.

2 Het verzoek en het verweer daartegen

2.1.1

Kort en zakelijk weergegeven heeft de gemachtigde van verzoekster mede aan de hand van aantekeningen die hij daartoe heeft overgelegd, het volgende aangevoerd:

De rechter is ingegaan op een verzoek van de gemachtigde van [naam stichting] terwijl de zaak voor beraad van de rechter stond en het verzoek van de gemachtigde van [naam stichting] buiten orde gesteld had moeten worden. De rechter heeft mijn brief van 11 januari 2016 niet meegenomen bij zijn rolbeslissing. Het verweer had in een conclusie van antwoord in oppositie naar voren gebracht moeten worden door de gemachtigde van de wederpartij.

De rechter heeft beslist het verzoek van de gemachtigde van de wederpartij op te vatten als een incidentele conclusie zonder eerst na te gaan wat verzoekster en haar gemachtigde van het verzoek van de wederpartij vonden. Door de brief van de gemachtigde van de wederpartij op te vatten als een incidentele conclusie, werpt de rechter een drempel op voor verzoekster. Dit is niet correct nu de dagvaarding in oppositie niets anders is dan een conclusie van antwoord in een verstekzaak.

De reactie van de rechter dat hij mijn brieven niet begrijpt, toont aan dat de rechter niet voornemens is zijn fout, die hij gemaakt heeft door in te gaan op het verzoek van de gemachtigde van de wederpartij, te herstellen. De wederpartij is er zo in geslaagd de rechter te beïnvloeden in diens rolbeslissing, terwijl de rechter juist had aangegeven een beslissing te zullen nemen in eigen beraad. Hierdoor is de positie van verzoekster ernstig geschaad.

2.1.2

Het is aan de rechter om de voorvraag, of het verzet ontvankelijk is, te beantwoorden. Deze voorvraag is nu door de rechter in de procedure naar voren gehaald op een manier die niet correct is. Verzoekster is daardoor benadeeld.

2.2

De rechter heeft niet in de wraking berust.

De rechter bestrijdt deels de feitelijke grondslag van het verzoek en heeft voorts te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die een grond tot wraking van de rechter kan opleveren. Daarbij is – kort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:

Om proceseconomische redenen heeft de rechter eerst duidelijkheid willen krijgen over de ontvankelijkheid van het verzet. Om die reden is besloten de brief van de gemachtigde van [naam stichting] van 8 januari 2016 op de rol van 21 januari 2016 formeel laten passeren als incidentele conclusie. Vervolgens is de zaak verwezen naar de rol van 18 februari 2016 voor antwoord in het incident van de zijde van verzoekster. Het is de rechter niet duidelijk waarop de gemachtigde van verzoekster de gestelde partijdigheid en schending van het beginsel van hoor en wederhoor baseert.

3 De beoordeling

De zaak waarin het verzoek tot wraking is gedaan, betreft een procedure in verzet volgend op een bij verstek tegen verzoekster gewezen vonnis.

Verzet is een buitengewoon rechtsmiddel dat kan worden aangewend tegen een verstekvonnis. Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) stelt als voorwaarde voor de ontvankelijkheid van een verzet dat dit tijdig is gedaan. Voordat de rechter toekomt aan de beoordeling van het geschil waar het in het betreffende geding om gaat, moet de rechter ambtshalve, dus ook wanneer de tegenpartij daar niet om vraagt, beoordelen of het verzet tijdig is gedaan.

Partijen is na afloop van de rolzitting waarop de verzet-dagvaarding was aangebracht, bericht dat de kantonrechter op de zitting van 11 januari 2016 zal beslissen over het verdere verloop van de zaak.

Bij brief van 8 januari 2016 heeft de gemachtigde van de wederpartij van verzoekster, met een kopie daarvan aan de gemachtigde van verzoekster, onderbouwd betoogd dat het verzet niet tijdig is gedaan. Op 11 januari 2016 heeft de kantonrechter beslist dat hij die brief aanmerkt als een incidentele conclusie tot niet-ontvankelijkheid, en dat, gelet op het beginsel van hoor en wederhoor, de gemachtigde van verzoekster in de gelegenheid wordt gesteld daarop te reageren bij conclusie van antwoord in het incident. Het bezwaar dat verzoekster daartegen heeft gemaakt, is door de kantonrechter afgewezen.

Van belang is op te merken dat er in het burgerlijk procesrecht sprake is van een open stelsel van incidenten. In rechtspraak en literatuur wordt verschillend geoordeeld over de vraag of een exceptie, zoals het verweer dat de tegenpartij niet-ontvankelijk is, bij wijze van incident aan de rechter kan worden voorgelegd.

Op grond van het bepaalde in artikel 209 Rv wordt, indien de zaak dat meebrengt, eerst en vooraf beslist op incidentele vorderingen. Bij de toepassing van deze maatstaf dient de rechter, aan de hand van de aard en inhoud van de vordering, de belangen van partijen en het belang van een doelmatige procesvoering, na te gaan of voorafgaande behandeling en beslissing redelijkerwijs geboden is en niet leidt tot een onredelijke vertraging van het geding.

Vooropgesteld moet worden dat een voor een partij onwelgevallige beslissing van een rechter op zichzelf geen grond voor wraking oplevert. Dat geldt ook indien die beslissing op het oog mogelijk onjuist is, en ook indien er geen hogere voorziening mocht openstaan tegen die beslissing. Dat kan anders zijn indien een aangevochten beslissing zozeer onbegrijpelijk is, dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat de beslissing door vooringenomenheid is ingegeven.

De wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe als volgt. De processuele beslissing van de kantonrechter om de hiervoor omschreven brief van de gemachtigde van de wederpartij van 8 januari 2016 als een incidentele conclusie tot niet-ontvankelijkheid aan te merken is in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, en in het licht van de bepalingen van het Landelijk procesreglement voor rolzaken kanton (Stcrt 2013/35858), niet zozeer onbegrijpelijk dat daarvoor in redelijkheid geen andere verklaring is te geven dan dat deze beslissing door gebrek aan onpartijdigheid is ingegeven. Ook is de eis van hoor- en wederhoor niet geschonden De kantonrechter heeft verzoekster immers, expliciet onder verwijzing naar dat vereiste, in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over haar ontvankelijkheid in haar verzet.

Het verzoek is dan ook ongegrond, zodat het moet worden afgewezen.

4 De beslissing

wijst af het verzoek tot wraking van mr. V.F. Milders.

Deze beslissing is gegeven door mr. A.J.P. van Essen, voorzitter, mr. I.K. Rapmund en

mr. W.J. Roos-van Toor, rechters en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 februari 2016 in tegenwoordigheid van mr. S.A. Commandeur, griffier.

Verzonden op:

aan:

- [naam verzoekster]

- mr. W.H. van Zundert

- mr. V.F. Milders

- Stichting [naam stichting], gemachtigde mr. drs. W. Vos