Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:5864

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-03-2016
Datum publicatie
27-07-2016
Zaaknummer
C/10/494728 / KG ZA 16-147
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

opheffing maritaal beslag op bankrekeningen van een derde

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/494728 / KG ZA 16-147

Vonnis in kort geding van 16 maart 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. S.A. Ray te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats2] ,

gedaagde,

advocaat mr. G.C. Haulussy te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding d.d. 15 februari 2016 met producties 1 tot en met 8

  • -

    de door [gedaagde] overgelegde productie

  • -

    de mondelinge behandeling d.d. 4 maart 2016

  • -

    de pleitnota van [gedaagde]

  • -

    de door [eiser] ter zitting overgelegde productie

  • -

    de, conform ter zitting gemaakte afspraken, na de mondelinge behandeling door [eiser] overlegde producties 9 en 10

  • -

    de reactie van [gedaagde] op de door [eiser] na de mondelinge behandeling overgelegde producties, eveneens conform ter zitting gemaakte afspraken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn op 6 mei 1987 te Bleiswijk in algehele gemeenschap van goederen (hierna: “de gemeenschap”) gehuwd.

2.2.

[gedaagde] heeft op 2 juli 2015 een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend.

2.3.

Op 2 februari 2016 heeft in de echtscheidingsprocedure een mondeling behandeling plaatsgevonden. De beschikking in die procedure is bepaald op 15 maart 2016.

2.4.

[gedaagde] woont thans in de echtelijke woning. De woning vertegenwoordigt een overwaarde.

2.5.

[gedaagde] heeft op 3 februari 2016, conform het op 1 februari 2016 door de voorzieningenrechter te Rotterdam verleende verlof, maritaal beslag doen leggen op de aandelen van [eiser] in [bedrijf1] (hierna: “ [bedrijf1] ”) en op de bankrekeningen van [bedrijf1] bij de Rabobank.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, opheffing met onmiddellijke ingang van het door [gedaagde] gelegde maritaal beslag op de aandelen in [bedrijf1] en op de bankrekeningen van [eiser] , waaronder die met nummer [rekeningnummer] t.n.v. [bedrijf1] , met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het maritaal beslag is een bijzonder conservatoir beslag dat één van de echtgenoten, op grond van artikel 768 Rv, kan leggen op goederen van de (ontbonden) huwelijksgemeenschap, om te voorkomen dat de ander die goederen zal wegmaken. Alleen goederen die tot de gemeenschap behoren kunnen maritaal worden beslagen. Daarnaast moet sprake zijn van een gegronde vrees voor verduistering van die goederen.

4.2.

Ingevolge artikel 705 Rv kan iedere belanghebbende opheffing van een conservatoir beslag vorderen. Ten aanzien van het maritaal beslag op de aandelen in [bedrijf1] heeft [eiser] als belanghebbende te gelden, nu het beslag betreft op aan hem in eigendom toebehorende aandelen. Tevens heeft [eiser] naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter met betrekking tot het maritaal beslag op de rekeningen van [bedrijf1] als belanghebbende te gelden, gelet op zijn positie als directeur/ grootaandeelhouder van [bedrijf1]

4.3.

Maritaal beslag op aandelen [bedrijf1]

4.3.1.

Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter vallen de aandelen die [eiser] houdt in [bedrijf1] in de gemeenschap. [eiser] heeft dat ook niet betwist.

4.3.2.

De omstandigheid dat partijen al dan niet afspraken hebben gemaakt ten aanzien van de op handen zijnde verdeling/toedeling van deze aandelen, welke afspraken overigens nog niet in een beschikking door de rechtbank zijn vastgelegd, maakt dit voorshands niet anders. Daarbij wordt nog opgemerkt dat het gezien de stellingen van [gedaagde] voor mogelijk wordt gehouden dat het nog een tijd zou kunnen gaan duren voordat tot een daadwerkelijke verdeling/toedeling van de aandelen wordt gekomen. Zij betwist immers dat partijen het al (nagenoeg) eens (zouden) zijn over de verdeling.

4.3.3.

Tussen partijen is in geschil of ten aanzien van de aandelen sprake is van een gegronde vrees voor verduistering. Nu sprake is van een lopende echtscheidingsprocedure en de aandelen zich in handen van [eiser] bevinden, die, zoals de voorzieningenrechter voorshands aanneemt, daarover vrij en zonder enige (statutaire) beperkingen kan beschikken, en daarmee ook over de opbrengst van die aandelen, die buiten het zicht en de macht van [gedaagde] kan worden gehouden, is dat voorshands voldoende om een vrees voor verduistering aan te nemen. Daarbij komt nog de, overigens betwiste, stelling van [gedaagde] omtrent een mogelijk voornemen van [eiser] om de onderneming van de hand te doen en de, onbetwiste, stellingen van [gedaagde] dat [eiser] voornamelijk in het buitenland werkt. Een gegronde vrees voor verduistering van de aandelen wordt dan ook aangenomen.

4.3.4.

De vraag of het leggen van een conservatoir beslag als misbruik van recht en daarom als onrechtmatig moet worden aangemerkt, dient in beginsel te worden beantwoord aan de hand van de concrete omstandigheden ten tijde van de beslaglegging. Nu onvoldoende aannemelijk is geworden dat [eiser] door het beslag op de aandelen onevenredig hard wordt getroffen en niet is gebleken dat de hoogte van de te verhalen vordering onevenredig laag is ten opzichte van de waarde van de beslagen goederen, is onvoldoende gebleken van misbruik van recht van de zijde van [gedaagde] betreffende het maritaal beslag op de aandelen.

4.3.5.

De vordering tot opheffing van het maritaal beslag op de aandelen van [bedrijf1] wordt dan ook afgewezen.

4.4.

Maritaal beslag op bankrekeningen [bedrijf1]

Ten aanzien van het beslag op de bankrekeningen heeft [bedrijf1] ten opzichte van partijen te gelden als een derde. Gesteld noch gebleken is dat [eiser] en [bedrijf1] zijn te vereenzelvigen. Nu de beslagen bankrekeningen op naam van [bedrijf1] staan en het saldo daarop een vordering van [bedrijf1] op de Rabobank is, komen deze bedragen niet toe aan de gemeenschap. Het maritaal beslag op de desbetreffende rekeningen is dan ook ten onrechte gelegd, zodat het daarop betrekking hebbende deel van de vordering wordt toegewezen.

4.5.

Ten overvloede wordt nog opgemerkt dat [gedaagde] , indien [eiser] zou overgaan tot het wegsluizen van eventuele gemeenschapsgelden, een zekerheid heeft ten aanzien van het aan haar op grond van de verdeling toekomende en wel gezien de aanzienlijke overwaarde van de echtelijke woning, welke woning niet zonder haar toestemming kan worden verkocht.

4.6.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

heft op het namens [gedaagde] op 3 februari 2016 op de bankrekeningen van [bedrijf1] gelegde maritaal beslag,

5.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.3.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2016.2026/2009