Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:5516

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-07-2016
Datum publicatie
26-07-2016
Zaaknummer
4804822 CV EXPL 16-5622
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opzegging arbeidsovereenkomst na toestemming UWV. Schending weder indiensttredingsvoorwaarde?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/2189
AR-Updates.nl 2016-0831
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 4804822 CV EXPL 16-5622

uitspraak: 22 juli 2016

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eiser bij exploot van dagvaarding van 21 januari 2016,

gemachtigde: Stichting Achmea Rechtsbijstand te Apeldoorn,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Bazuin & Partners B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

gemachtigde: mr. E.M.Y. Sørensen te Rotterdam.

1 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 21 januari 2016, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het vonnis van 15 februari 2016, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    de bij brief van 6 april 2016 door eiser overgelegde producties ten behoeve van de comparitie van partijen;

  • -

    de bij brief van 8 april 2016 door gedaagde overgelegde producties ten behoeve van de comparitie van partijen;

  • -

    het proces-verbaal van de op 14 april 2016 gehouden comparitie van partijen.

Het vonnis is nader bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de in zoverre niet weersproken inhoud van de producties, staat tussen partijen het volgende vast.

2.1

Eiser is op 25 augustus 2009 bij gedaagde in dienst getreden.

2.2

Eiser bekleedde laatstelijk de functie van kandidaat gerechtsdeurwaarder. Zijn salaris bedroeg € 4.818,68 bruto per maand, exclusief emolumenten.

2.3

De arbeidsovereenkomst is, na een ontslagprocedure bij het UWV, door gedaagde bij brief van 27 februari 2015 opgezegd tegen 1 april 2015.

2.4

In de beschikking van het UWV van 27 januari 2015 is de volgende ontbindende voorwaarde opgenomen:

“Aan deze toestemming verbinden wij de voorwaarde dat u binnen 26 weken na bekendmaking van deze beschikking geen werknemer in dienst neemt voor werkzaamheden van dezelfde aard, als u niet eerst werknemer in de gelegenheid heeft gesteld die werkzaamheden op de bij u gebruikelijke voorwaarden te hervatten.”

2.5

Per 20 april 2015 heeft eiser elders werk gevonden. Het betreft een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Zijn loon bedraagt € 3.250,00 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag.

2.6

Per 1 juli 2015 is mevrouw [A.] en per 1 augustus 2015 is mevrouw [B.] bij gedaagde in dienst getreden.

3 De vordering

Eiser heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde te veroordelen aan hem te betalen € 13.553,39 bruto aan loon over de periode 1 april tot
1 december 2015, alsmede € 910,53 ter zake buitengerechtelijke incassokosten, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van verzuim, zijnde 24 september 2015 tot de dag der algehele voldoening en voorts, gedaagde te veroordelen aan eiser te betalen de wettelijke verhoging over het achterstallige loon alsmede € 1.694,17 bruto per maand (inclusief 8% vakantietoeslag) vanaf 1 december 2015 totdat het dienstverband op rechtsgeldige wijze is beëindigd, met proceskostenveroordeling.

Aan zijn vordering heeft eiser naast de hiervoor genoemde vaststaande feiten - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag gelegd:

[A.] en [B.] zijn beiden in dienst getreden als kandidaat gerechtsdeurwaarder en bekleden dezelfde functie als eiser heeft bekleed bij gedaagde. Gedaagde heeft de onderhavige functie echter niet eerst aan eiser aangeboden en heeft daarmee de wederindiensttredingsvoorwaarde, die tot 27 augustus 2015 gold, geschonden. Door aldus te handelen heeft gedaagde zich jegens eiser onrechtmatig gedragen.

Eiser heeft daarom de nietigheid van het ontslag ingeroepen.

Nu de arbeidsovereenkomst tussen partijen is blijven bestaan komt eiser het overeengekomen loon toe totdat de dienstbetrekking op rechtsgeldige wijze is beëindigd.

Op dit loon strekt in mindering het elders door eiser verdiende salaris.

Eiser heeft de vordering ter incasso uit handen gegeven.

Eiser heeft schade geleden bestaande uit wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten.

4 Het verweer

Gedaagde heeft de vordering betwist en heeft daartoe - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd.

Gedaagde betwist dat zij jegens eiser de wederindiensttredingsvoorwaarde geschonden heeft door de functies niet eerst aan eiser aan te bieden. De functies van [A.] en [B.] betreffen heel andere functies dan de functie die eiser bij gedaagde heeft bekleed. [A.] en [B.] zijn vrijwel uitsluitend werkzaam in de functie van incassomedewerker, terwijl eiser steeds als kandidaat gerechtsdeurwaarder volledig buiten kantoor zijn werkzaamheden verrichtte.

Destijds is aan eiser de functie van incassomedewerker aangeboden, maar die functie heeft eiser toen geweigerd. Gedaagde betwist dat zij zich jegens eiser onrechtmatig heeft gedragen.

5. De beoordeling van de vordering

5.1

In deze procedure dient beoordeeld te worden of gedaagde jegens eiser de wederindiensttredingsvoorwaarde, zoals hiervoor in r.o. 2.4 is aangehaald, heeft overtreden door 2 werknemer in dienst te nemen, zonder de betreffende functies eerst aan eiser aan te bieden.

5.3

Bepalend voor de beoordeling is of de door partijen bedoelde werknemers werkzaamheden van dezelfde aard verrichten als die eiser bij gedaagde gewoon was te verrichten.

5.4

Eiser is blijkens de door hem overgelegde arbeidsovereenkomst bij gedaagde in dienst getreden in de functie van toegevoegd kandidaat gerechtsdeurwaarder, in welk kader van hem werd verwacht dat hij ambtelijke handelingen verrichtte, alsmede diverse administratieve taken en werkzaamheden voortvloeiend uit de deurwaarderspraktijk, welke taken hij zowel in binnen- als in buitendienst diende te verrichten.

Hoewel eiser heeft gesteld dat hij bij gedaagde ook incassowerkzaamheden heeft verricht, heeft hij niet betwist dat hij voornamelijk ambtshandelingen heeft verricht en slechts bij hoge uitzondering werkzaamheden op kantoor. Gedaagde heeft verder aangevoerd - en dit is door eiser evenmin betwist - dat eiser steeds vanaf zijn huisadres heeft gewerkt en dat hij volledig actief was buiten kantoor. Voorts staat vast dat het salaris dat eiser laatstelijk bij gedaagde verdiende € 4.818,60 bruto per maand, exclusief emolumenten, bedroeg.

5.5

Uit de door gedaagde overgelegde arbeidsovereenkomsten van [A.] en [B.] volgt dat zij bij gedaagde in dienst zijn getreden in de functie van incassomedewerkster, met dien verstande dat zij ook kunnen worden ingezet als toegevoegd kandidaat gerechtsdeurwaarder, juridisch medewerkster en account manager. Tot hun werkzaamheden behoren, blijkens de arbeidsovereenkomsten, het verrichten van kantoor- en incassowerkzaamheden in de meest ruime zin van het woord, alsmede het verrichten van ambtshandelingen en daarnaast alle voorkomende werkzaamheden voorvloeiend uit de deurwaarderspraktijk, welke taken zowel in binnen- als in buitendienst worden uitgevoerd.

Volgens gedaagde zijn [A.] en [B.] vrijwel uitsluitend werkzaam in de functie van incassomedewerker en verrichten zij hun werkzaamheden hoofdzakelijk op kantoor en verrichten zij slechts zo nu en dan ambtshandelingen buiten kantoor.

Gedaagde heeft ter onderbouwing van haar verweer onder meer een overzicht van het aantal ambtshandelingen dat door gerechtsdeurwaarders en toegevoegd kandidaat gerechtsdeurwaarders werkzaam bij gedaagde zijn verricht in de periode februari en maart 2016. Uit dat overzicht volgt dat (toegevoegd kandidaat) gerechtsdeurwaarders, werkzaam in de buitendienst in die periode circa 1000 ambtelijke handelingen hebben verricht, terwijl [A.] en [B.] respectievelijk 165 en 96 ambtelijke handelingen hebben verricht.

Gedaagde voert verder aan dat ook het salaris van [A.] en [B.] aanmerkelijk verschilt van dat wat eiser bij haar verdiende. Omgerekend naar een fulltime dienstverband verdienen [A.] en [B.] respectievelijk € 3.250,00 en € 2.900,00.

5.6

Tussen partijen is niet in geschil dat voor het vergelijken van de functies die [A.] en [B.] vervullen ten opzichte van de functie die eiser bij gedaagde vervulde, de omvang van de ambtshandelingen die worden verricht van belang is. Dit leidt tot het oordeel dat het verrichten van ambtshandelingen kennelijk als de kerntaak van de toenmalige functie van eiser dient te worden beschouwd.

5.7

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de kantonrechter van oordeel dat de functies die [A.] en [B.] thans bij gedaagde vervullen onvoldoende overeenstemmen met de functie die eiser bij gedaagde heeft vervuld om te kunnen oordelen dat gedaagde de wederindiensttredingsvoorwaarde als opgenomen in de beschikking van het UWV van
27 januari 2015 heeft overtreden, omdat gedaagde de functies niet eerst aan eiser heeft aangeboden. Immers het aantal ambtshandelingen dat [A.] en [B.] verrichten wijkt daarvoor teveel af van de werkzaamheden die eiser bij gedaagde pleegde te verrichten. Diens werkzaamheden bestonden immers juist vrijwel uitsluitend uit het verrichten van ambtshandelingen. Daaraan doet niet af dat [A.] en [B.] in het KBvG register gerechtsdeurwaarders staan ingeschreven als toegevoegd kandidaat gerechtsdeurwaarder. Niet weersproken is immers dat die titel het resultaat is van het met goed gevolg afronden van de opleiding tot kandidaat gerechtsdeurwaarder en geen betrekking heeft op de aard en inhoud van de werkzaamheden die [A.] en [B.] verrichten.

5.8

Het voorgaande leidt er toe dat gedaagde met toestemming van het UWV de arbeidsovereenkomst met eiser heeft opgezegd en eiser niet op goede grond de vernietiging van de opzegging heeft ingeroepen.

5.9

De vorderingen van eiser tot betaling van loon alsmede de wettelijke verhoging daarover worden dan ook afgewezen. Hetzelfde heeft te gelden voor de daarvan afgeleide vorderingen ter zake van buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente.

5.10

Eiser wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten.

6 De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vorderingen van eiser af;

veroordeelt eiser in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van gedaagde vastgesteld op € 600,00 aan salaris voor de gemachtigde;

Dit vonnis is gewezen door mr. K. J. Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

898