Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:5496

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-06-2016
Datum publicatie
19-07-2016
Zaaknummer
C/10/15/808 R
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

nieuwe schuld; boete Belastingdienst inzake onterecht ontvangen kinderopvangtoeslag voor toelating tot de schuldsaneringsregeling

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

tussentijdse beëindiging

insolventienummer: [nummer]

uitspraakdatum: 10 juni 2016

Bij vonnis van deze rechtbank van 14 september 2015 is de toepassing van de

schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van:

[naam 1] ,

[adres]

[woonplaats] ,

schuldenares,

bewindvoerder: [bewindvoerder] .

1 De procedure

De rechter-commissaris heeft op 4 april 2016 een voordracht gedaan om de toepassing van de schuldsaneringsregeling te beëindigen.

De bewindvoerder en schuldenares, in het bijzijn van haar beschermingsbewindvoerder [beschermingsbewindvoerder] en begeleider van stichting Pameijer [naam 2] , zijn gehoord ter terechtzitting van 19 mei 2016.

De uitspraak op de voordracht tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling is pro forma aangehouden om de bewindvoerder in de gelegenheid te stellen om de beschikking van de Belastingdienst van 17 mei 2016 aan schuldenares te verstrekken. Schuldenares is in de gelegenheid gesteld om te reageren op de beschikking van de Belastingdienst en de rechtbank hierover schriftelijk in kennis te stellen. Schuldenares heeft bij brief van 23 mei 2016 aan de rechtbank schriftelijk gereageerd. Schuldenares en de bewindvoerder zijn door de rechtbank per brief van 3 juni 2016 in kennis gesteld dat de uitspraak inzake de voordracht tot tussentijdse beëindiging op 10 juni 2016 wordt gedaan.

2 De standpunten

Als grond voor de voordracht tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling is door de rechter-commissaris aangevoerd dat schuldenares nieuwe bovenmatige schulden heeft laten ontstaan aan de Belastingdienst inzake kinderopvangtoeslag 2012 en 2013 van totaal € 27.937,-. In de voordracht is aangevoerd dat schuldenares ten onrechte kinderopvangtoeslag ontvangen heeft. Schuldenares kan een boete voorkomen van

€ 10.446,- door een verklaring tijdens een hoorzitting bij de Belastingdienst af te leggen.

Ter terechtzitting heeft de bewindvoerder gemeld dat de aanslag van de Belastingdienst inzake de boete ad € 10.446,- op 17 mei 2016 is vastgesteld. Tevens is het de bewindvoerder onbekend of de vorderingen van de Belastingdienst inzake de kinderopvangtoeslag tijdens de toelating tot de schuldsaneringsregeling bekend waren en of de goede trouw van deze vorderingen ten tijde van de toelatingszitting getoetst is. De bewindvoerder heeft ter terechtzitting verklaard dat de beschikking van de Belastingdienst van 17 mei 2016 nog niet aan schuldenares is verstrekt nu deze via de postblokkade door de bewindvoerder is ontvangen.

Schuldenares heeft ter terechtzitting aangevoerd dat zij altijd open kaart heeft gespeeld inzake de vorderingen van de kinderopvangtoeslag. Schuldenares heeft verklaard dat zij tijdens de toelatingszitting de vorderingen heeft toegelicht. Haar begeleider en beschermingsbewindvoerder die tijdens de toelatingszitting aanwezig waren kunnen dit bevestigen. Schuldenares is van mening dat de boete van de Belastingdienst onterecht is opgelegd. Schuldenares heeft verklaard dat zij vier kinderen heeft en dat zij in 2011 op school zat. Zij liet de kinderopvangtoeslag doorlopen. Schuldenares stelt depressief te zijn geweest. Toen schuldenares in het minnelijk traject terecht kwam heeft zij haar fouten opgebiecht. Schuldenares stelt dat zij hulp nodig had om dit op te lossen. Vervolgens is beschermingsbewind uitgesproken. Schuldenares heeft ter terechtzitting meerdere malen aangegeven bij alle instanties open kaart te hebben gespeeld en haar fouten te hebben toegegeven.

De beschermingsbewindvoerder van schuldenares heeft ter terechtzitting verklaard dat uit de brief van 22 april 2016 van de Belastingdienst blijkt dat de vorderingen al voor de toelating tot de schuldsaneringsregeling bekend waren en dat de Belastingdienst zich heeft verzet tegen het minnelijk traject. Daaruit concludeert de beschermingsbewindvoerder dat de vorderingen ten tijde van de toelatingszitting bekend waren. Tevens heeft de beschermingsbewindvoerder bevestigd dat de vorderingen ten tijde van de toelatingszitting zijn besproken.

3 De beoordeling

De schuldsaneringsregeling biedt een schuldenaar in een problematische schuldensituatie de mogelijkheid om na drie jaar een schone lei te verkrijgen. Dit betekent in de voorliggende regeling dat een groot deel van de schuld van bijna € 80.000,- niet langer opeisbaar is. Tegenover dit perspectief staat een aantal niet lichtvaardig op te vatten verplichtingen. Zo dient de schuldenaar gedurende de toepassing van de regeling onder meer de bewindvoerder gevraagd en ongevraagd te informeren, zijn inkomen boven het vrij te laten bedrag af te dragen aan de boedelrekening en zich aantoonbaar tot het uiterste in te spannen om een fulltime dienstbetrekking te verkrijgen. Hiernaast mogen tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling geen nieuwe schulden ontstaan. Van de schuldenaar wordt een actieve houding verwacht bij het naleven van voornoemde verplichtingen. De rechtbank oordeelt dat schuldenares toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van één van de verplichtingen en overweegt daartoe als volgt.

Blijkens de voordracht van 4 april 2016 is de rechter-commissaris van mening dat sprake is van nieuwe bovenmatige schulden, die reden zouden moeten zijn de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen (art. 350 lid 3 sub d Fw). De Belastingdienst heeft twee nieuwe vorderingen gemeld ter zake van kinderopvangtoeslag over 2012 en 2013 voor een totaal bedrag van € 27.973,00. De totale schuldenlast wordt hierdoor verhoogd met dit bedrag, aldus de voordracht.

Uit de aantekeningen van de zitting van 14 september 2015, waar de toelating tot de schuldsaneringsregeling is besproken, komt naar voren dat toen de schuld aan de Belastingdienst wel is besproken. Het ging toen om een bedrag van in totaal € 61.000,-. Dat is in zoverre toen ook met schuldenares besproken. De rechter heeft tijdens de zitting opgemerkt dat de schulden ouder dan vijf jaar zijn, en (blijkbaar) om die reden buiten beschouwing kunnen worden gelaten (artikel 288 lid 1 sub b Fw). Recentere schulden aan [naam 3] zijn wel beoordeeld, maar hebben er niet toe geleid dat schuldenares niet werd toegelaten tot de schuldsanering.

De rechtbank is van oordeel dat, nu vaststaat dat de desbetreffende vorderingen van de Belastingdienst zien op de jaren 2012 en 2013, niet sprake is van ‘nieuwe bovenmatige schulden’ als bedoeld in artikel 350 lid 3 sub d Fw, gelet op de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling (14 september 2015). Ook kan naar het oordeel van de rechtbank niet gesproken worden van ‘nieuwe feiten en omstandigheden’ die bekend worden en die op het tijdstip van de indiening van het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen (artikel 350 lid 3 sub f Fw). Immers, de schulden ter zake kinderopvangtoeslag zijn op de zitting van 14 september 2015 van de rechtbank reeds besproken. Vaststaat dat met het ‘melden’ van de twee vorderingen als bedoeld in de voordracht van de rechter-commissaris de totale vordering van de Belastingdienst niet is verhoogd. Dat eerst nu komt vast te staan dat de desbetreffende schulden zijn ontstaan binnen de 5-jaar termijn van artikel 288 lid 1 sub b Fw doet daar niet aan af.

Bij schrijven van 19 maart 2016 heeft de Belastingdienst een voornemen geuit om een boete op te leggen over het jaar 2013, omdat schuldenares over dat jaar onterechte kinderopvangtoeslag heeft ontvangen, terwijl er sprake is geweest van ‘opzet’. Naar de mening van de Belastingdienst heeft schuldenares willens en wetens een onjuiste wijziging van de kinderopvangtoeslag ingediend, met als enig doel, het onterecht ontvangen van kinderopvangtoeslag. Schuldenares zou meerdere keren niet gereageerd hebben op verzoeken van de Belastingdienst om informatie; ook zou zij op vrijwel hetzelfde moment meerdere wijzigingen hebben ingediend. De Belastingdienst heeft laten meewegen dat schuldenares ook in eerdere jaren kinderopvangtoeslag heeft ontvangen terwijl zij wist dat er geen opvang werd afgenomen. De voorgenomen boete bedraagt 50% van het ten onrechte ontvangen bedrag aan kinderopvangtoeslag over 2013 ad € 20.893 zijnde € 10.446,-.

Bij brief van 17 mei 2016 is de aanslag ad € 10.446,- (jaar/tijdvak 2016) opgelegd.

Ter zake van deze vordering is de rechtbank van oordeel dat wel sprake is van een nieuwe bovenmatige schuld die verwijtbaar is ontstaan en die aanleiding moet zijn de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen. Dat het verwijtbaar handelen heeft plaatsgevonden voorafgaand aan de schuldsaneringsregeling, doet hier niet aan af, noch dat de schuldenlast ter zake de kinderopvangtoeslag, blijkbaar al wel bij de toelatingszitting is besproken. Deze nieuwe schuld, die substantieel van omvang is, is uit de aard van de zaak toen nog niet besproken kunnen worden, want eerst ontstaan in 2016.

Het voorgaande brengt de rechtbank ertoe de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen op de grond van artikel 350, derde lid, onder d Fw, ook nu vaststaat dat schuldenares niet in staat zal zijn deze schuld binnen de resterende termijn van de schuldsaneringsregeling, in te lopen.

De rechtbank zal het salaris van de bewindvoerder en de door deze gemaakte kosten vaststellen.

De rechtbank stelt vast dat er geen baten beschikbaar zijn om daaruit vorderingen geheel of gedeeltelijk te voldoen. Er is daarom geen sprake van een faillissement van rechtswege zodra deze uitspraak in kracht van gewijsde gaat.

4 De beslissing

De rechtbank:

- beëindigt de toepassing van de schuldsaneringsregeling;

- stelt het salaris van de bewindvoerder, één en ander inclusief onkosten en omzetbelasting, vast op het aanwezig actief tot een bedrag van maximaal € 1.778,64;

- stelt vast, gelet op het tussenvonnis van 18 november 2015 dat de kosten van de keuring ten laste van de boedel komen voor zover de boedel toereikend is en voor het overige ten laste van de staat.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Kruisdijk, rechter, en in aanwezigheid van J. Hillen-Huizer, griffier, in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2016.1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.