Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:5327

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-06-2016
Datum publicatie
13-07-2016
Zaaknummer
C/10/495089 / FA RK 16-1166
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2017:2462, Overig
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- erkenning kind door duomoeder; artikel 1:204 lid 4 BW;

- duomoeder heeft ingestemd met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad;

- de rechtbank acht doorslaggevend dat het kind is geboren in een lesbische relatie waarin zij zeer gewenst was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Burgerlijke stand en landeninformatie 2016/4963
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie 1

zaaknummer / rekestnummer: C/10/495089 / FA RK 16-1166

Beschikking van 29 juni 2016 betreffende vervangende toestemming voor erkenning/de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken/informatieplicht

in de zaak van:

[naam verzoekster] ,

wonende te [woonplaats 1] , [adres 1] ,

hierna te noemen [verzoekster] ,

advocaat mr. M. Kroonen te Rotterdam .

In deze zaak is belanghebbende:

[naam belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats 2] , [adres 2] ,

hierna te noemen [belanghebbende] ,

advocaat mr. M.H. van Olden te Rotterdam .

In deze zaak is als bijzondere curator opgetreden:

mr. M.P.G. Rietbergen, advocaat te Rotterdam , hierna te noemen de bijzondere curator.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 11 februari 2016;

- het verweerschrift met bijlagen;

- de beschikking van deze rechtbank d.d. 9 maart 2016, waarbij mr. Rietbergen is benoemd tot bijzondere curator over de minderjarige;

- het verslag van bevindingen van de bijzondere curator.

1.2.

De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van 15 juni 2016.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    [verzoekster] bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    [belanghebbende] , bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de bijzondere curator;

  • -

    de raad voor de kinderbescherming, regio Rotterdam -Dordrecht, ter zitting vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger] .

2 De vaststaande feiten

2.1.

Partijen hebben een affectieve relatie gehad.

2.2.

Op [geboortedatum 1] 2010 is te [geboorteplaats 1] uit [belanghebbende] geboren: [naam 3] , hierna te noemen de minderjarige.

2.3.

De minderjarige is niet erkend.

2.4.

[belanghebbende] onthoudt [verzoekster] toestemming tot erkenning van de minderjarige.

3 De beoordeling

3.1.

Vervangende toestemming

3.1.1.

Het verzoek strekt tot het aan [verzoekster] verlenen van vervangende toestemming tot erkenning van de minderjarige.

3.1.2.

[verzoekster] heeft het navolgende aan haar verzoek ten grondslag gelegd.

De minderjarige heeft twee moeders, te weten [belanghebbende] waaruit zij is geboren en [verzoekster] die als partner van [belanghebbende] heeft ingestemd met de daad die verwekking van de minderjarige tot gevolg heeft gehad. [verzoekster] was betrokken bij het uitzoeken van de verwekker van de minderjarige, heeft samen met [belanghebbende] de zwangerschap ervaren, heeft de geboorte van [minderjarige] bij de burgerlijke stand aangegeven, is met haar naar het consultatiebureau geweest en bracht haar naar de crèche. De minderjarige kent haar als haar mammie [naam 2] . [verzoekster] wenst zowel in feitelijke zin als in juridische zin de moeder van en voor de minderjarige te zijn.

3.1.3.

[belanghebbende] voert gemotiveerd verweer.

3.1.4.

De bijzondere curator concludeert tot toewijzing van het verzoek tot verlenen van vervangende toestemming tot erkenning van de minderjarige door [verzoekster] .

3.1.5.

De rechtbank overweegt als navolgt.

Vervangende toestemming kan worden verleend als dit in het belang is van de minderjarige, tenzij de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige schaadt of door de erkenning een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van de minderjarige in het gedrang komt.

De rechtbank dient daarbij de belangen van alle betrokkenen - de minderjarige, de moeder, de biologische vader, de duomoeder - in aanmerking te nemen, als ook de overige omstandigheden, waaronder eventuele afspraken tussen de moeder en de biologische vader. Het belang van de minderjarige weegt daarbij het zwaarst.

Het vestigen van familierechtelijke betrekkingen via de band van het afstammingsrecht kan worden gebaseerd op de grond van het biologische ouderschap en op grond van het sociale ouderschap.

Nu in onderhavige zaak vaststaat dat de biologische vader van de minderjarige een anonieme (open) zaaddonor is uit [land] , met wie [belanghebbende] geen enkel contact heeft (gehad), als ook geen afspraken mee heeft gemaakt omtrent de verzorging en/of erkenning van de minderjarige, is de rechtbank van oordeel dat de belangen van deze zaaddonor niet in aanmerking dienen te worden genomen.

3.1.6.

[belanghebbende] heeft met name belang bij het in stand houden van een ongestoorde verhouding met de minderjarige. [verzoekster] heeft belang bij het ontstaan van een familierechtelijke betrekking tussen haar en de minderjarige. De belangen van de minderjarige kunnen zowel zijn gelegen bij een ongestoorde verhouding met [belanghebbende] als bij het ontstaan van een familierechtelijke betrekking met [verzoekster] door de juridische werkelijkheid in overeenstemming te brengen met de feitelijke. Die afweging mag niet leiden tot schade aan de belangen van de minderjarige of [belanghebbende] . Van schade aan de belangen van de minderjarige is sprake indien ten gevolge van de erkenning een reëel risico ontstaat dat de minderjarige wordt belemmerd in een evenwichtige ontwikkeling.

3.1.7.

Nu [verzoekster] als levensgezel van [belanghebbende] heeft ingestemd met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad, kan vervangende toestemming worden verleend indien dit in het belang van de minderjarige is.

3.1.8.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is niet gebleken dat de erkenning het belang van [belanghebbende] bij het in stand houden van een ongestoorde verhouding met de minderjarige zal schaden. Evenmin is gebleken dat ten gevolge van de erkenning voor de minderjarige een reëel risico ontstaat dat zij wordt belemmerd in een evenwichtige ontwikkeling. De omstandigheid dat [belanghebbende] meent dat [verzoekster] niet voldoet aan de in het (zogenaamde) BIC-model genoemde opvoedingscriteria is geen bij wet gesteld criterium om erkenning te onthouden en is derhalve niet ter zake doende. Doorslaggevend acht de rechtbank dat het in het belang van de minderjarige is dat de juridische werkelijkheid in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke, te weten dat zij is geboren in een lesbische relatie waarin zij zeer gewenst was. Als de erkenning ten tijde van haar geboorte al tot de wettelijke mogelijkheden had behoord, zouden partijen dat ongetwijfeld hebben gedaan.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat aan [verzoekster] vervangende toestemming voor erkenning van de minderjarige moet worden verleend.

3.2.

De regeling van de uitoefening van het omgangsrecht en de informatieplicht

3.2.1.

[verzoekster] verzoekt een omgangsregeling tussen haar en de minderjarige vast te stellen inhoudende:

a. één keer per vier weken een weekend van vrijdagmiddag uit school tot

zondagavond 19:00 uur;

b. in de drie weken dat zij niet bij [verzoekster] zal verblijven één dagdeel, in

overleg met [belanghebbende] ;

c. minimaal eenmaal per week, bij voorkeur op dinsdag of woensdag, net voor het

slapen gaan (19:00 uur) een telefonisch contact (middels FaceTime), hetzij doordat de minderjarige zelf belt hetzij dat [belanghebbende] dit voor haar doet;

d. minimaal éénmaal per jaar een week vakantie, in overleg te plannen met [belanghebbende] .

3.2.2.

Voorts verzoekt [verzoekster] [belanghebbende] te verplichten haar maandelijks per e-mail te informeren omtrent het welzijn van de minderjarige en haar ontwikkelingen, zulks vergezeld van enkele recente foto’s van de minderjarige.

3.2.3.

[belanghebbende] voert gemotiveerd verweer.

3.2.4.

Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting acht de rechtbank zich onvoldoende ingelicht om reeds thans een beslissing te nemen ten aanzien van:

- de regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht;

- de informatie- en consultatieregeling.

Alvorens ten aanzien van deze onderwerpen te kunnen beslissen, acht de rechtbank het noodzakelijk dat de raad voor de kinderbescherming Rotterdam -Dordrecht hieromtrent onderzoek doet en de rechtbank van advies dient.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

verleent [naam verzoekster] , geboren op [geboortedatum 2] 1979 , [geboorteplaats 2] vervangende toestemming voor erkenning van:

[naam 3] , geboren op [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats 1] ;

en alvorens verder te beslissen:

4.2.

bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden tot 1 oktober 2016 pro forma;

4.3.

verzoekt de raad voor de kinderbescherming, regio Rotterdam -Dordrecht om onderzoek of andere bemoeienis met betrekking tot de regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht en de informatieplicht en tegen bedoelde datum aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;

4.4.

bepaalt dat - zodra de rechtbank in de onderhavige zaak de verzochte rapportage heeft ontvangen - partijen in de gelegenheid gesteld zullen worden hierop schriftelijk te reageren, waarna - indien nodig - de mondelinge behandeling van de zaak zal worden voortgezet op een dan te bepalen datum en tijdstip.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.L. de Gruijl-van Benthem, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier C. Naujoks op 29 juni 2016.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.