Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:5261

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-07-2016
Datum publicatie
02-08-2016
Zaaknummer
ROT 15/7094
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CBB:2018:10, Overig
Hoger beroep: ECLI:NL:CBB:2020:333
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet dieren, Verordening 852/2004, Verordening 853/2004, overschrijding temperatuurnorm

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:44
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JW 2016/47
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummer: ROT 15/7094

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2016 in de zaak tussen

[eiseres] , te [plaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. drs. K.J. Defares,

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, verweerder,

gemachtigde: mr.ing. H.D. Strookman.

Procesverloop

Bij besluit van 27 maart 2015 (het primaire besluit I, 201500153) heeft verweerder aan eiseres een boete opgelegd van € 10.000,= wegens overtreding op 16 december 2014 van de Wet dieren (de Wet), in samenhang gelezen met artikel 2.4, eerste lid, onder c en d, van de Regeling dierlijke producten (de Regeling) alsmede artikel 3, eerste lid, en bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII, punt 3 van Verordening (EG) 853/2004 en artikel 5 van Verordening (EG) 852/2004.

Bij besluit van 27 maart 2015 (het primaire besluit II, 201500488) heeft verweerder aan eiseres een boete opgelegd van € 10.000,= wegens overtreding op 30 december 2014 van de Wet, in samenhang gelezen met artikel 2.4, eerste lid, onder c en d, van de Regeling dierlijke producten (de Regeling) alsmede artikel 3, eerste lid, en bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII, punt 3 van Verordening (EG) 853/2004 en artikel 5 van Verordening (EG) 852/2004.

Bij besluit van 1 oktober 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de primaire besluiten gedeeltelijk gegrond verklaard en de primaire besluiten herroepen. Daarbij heeft verweerder in beide zaken de boetes verlaagd naar € 2.500,= (het totale boetebedrag voor beide feiten en voor beide data gezamenlijk is verlaagd van
€ 20.000,= naar € 5.000,=).

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2016. Namens eiseres is verschenen [naam] , bijgestaan door de gemachtigde van eiseres, vergezeld door
mr. J.N. Bruggers. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was namens verweerder aanwezig [naam deskundige] (senior toezichthouder bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit NVWA).

Overwegingen

Bij de doorkoeling van het vlees na slachting hanteert eiseres de handelwijze dat dat gebeurt in koelwagens die op het terrein van de slachterij staan. De rechtbank moet de vraag beantwoorden of dat een overtreding oplevert van de hierna aangehaalde bepaling van met name punt 1 van bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII van Verordening 853/2004 waarin staat dat de postmortemkeuring onmiddellijk moet worden gevolgd door koeling in het slachthuis om via een continue daling van de temperatuur overal in het vlees een temperatuur van 7 °C te verzekeren.

Aanvankelijk was de boete voor de vier feiten (twee op 16 december 2014 en twee op
30 december 2014) bepaald op € 20.000,=. In bezwaar is de verhoging wegens recidive er af gehaald en is wegens samenhang tussen de overtreden voorschriften voor de beide feiten per datum de boete verlaagd naar het bedrag voor één overtreding. Er resteert in beroep een boetebedrag van € 2500,= per datum; dus een totaal boetebedrag voor de beide feiten en beide data van € 5000,=, een kwart van het aanvankelijke bedrag.

De wettelijke bepalingen die van toepassing zijn:

1. Op grond van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet is het verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is.

Op grond van artikel 2.4, eerste lid, van de Regeling zijn voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de Wet:

c. de artikelen 3 en 4, eerste, tweede en derde lid, 5, eerste lid, tweede lid, laatste alinea, en vierde lid, 6, tweede lid, laatste alinea, en derde lid, van verordening (EG) nr. 852/2004;

d. de artikelen 3 en 4, eerste tot en met vierde lid, 5 en 7, eerste lid, van verordening (EG) nr. 853/2004;

Op grond van artikel 5, eerste lid, van Verordening 852/2004 dragen exploitanten van levensmiddelenbedrijven zorg voor de invoering, de uitvoering en de handhaving van één of meer permanente procedures die gebaseerd zijn op de HACCP-beginselen (Hazard Analysis and Critical Control Points).

Op grond van artikel 5, tweede lid, van Verordening 852/2004 betreffen de in het eerste lid bedoelde HACCP-beginselen:

a. a) het onderkennen van elk gevaar dat voorkomen, geëlimineerd of tot een aanvaardbaar niveau gereduceerd moet worden;

b) het identificeren van de kritische controlepunten in het stadium of de stadia waarin controle essentieel is om een gevaar te voorkomen of te elimineren dan wel tot een aanvaardbaar niveau te reduceren;

c) het vaststellen van kritische grenswaarden voor de kritische controlepunten teneinde te kunnen bepalen wat aanvaardbaar en wat niet aanvaardbaar is op het vlak van preventie, eliminatie of reductie van een onderkend gevaar;

d) het vaststellen en toepassen van efficiënte bewakingsprocedures op de kritische controlepunten;

e) het vaststellen van corrigerende maatregelen wanneer uit de bewaking zou blijken dat een kritisch controlepunt niet volledig onder controle is;

f) het vaststellen van procedures om na te gaan of de onder a) tot en met e) bedoelde maatregelen naar behoren functioneren, waarbij regelmatig verificatieprocedures worden uitgevoerd, en

g) het opstellen van aan de aard en de omvang van het levensmiddelenbedrijf aangepaste documenten en registers, teneinde aan te tonen dat de onder a) tot en met f) omschreven maatregelen daadwerkelijk worden toegepast.

Op grond van artikel 3, eerste lid, van Verordening 853/2004 dienen exploitanten van levensmiddelenbedrijven te voldoen aan de toepasselijke bepalingen van de bijlagen II en III.

Op grond van bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII, punt 1 en 3 van Verordening 853/2004 moeten exploitanten van levensmiddelenbedrijven ervoor zorgen dat de opslag en het vervoer van vlees van als landbouwhuisdier gehouden hoefdieren geschiedt volgens de volgende eisen:

1.

a. a) Tenzij andere specifieke bepalingen in een andere regeling voorzien, moet de postmortemkeuring onmiddellijk worden gevolgd door koeling in het slachthuis om via een continue daling van de temperatuur overal in het vlees een temperatuur van niet meer dan 3 °C voor slachtafvallen en 7 °C voor ander vlees te verzekeren. Vlees mag evenwel overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk V, punt 4, tijdens het koelen worden versneden en uitgebeend.

b) Tijdens het koelen dient voldoende ventilatie aanwezig te zijn om condensvorming aan de oppervlakte van het vlees te voorkomen.

3. Vlees moet de in punt 1 bedoelde temperatuur hebben bereikt alvorens het kan worden vervoerd, en moet die temperatuur tijdens het vervoer behouden. Vlees mag evenwel ook worden vervoerd indien de bevoegde autoriteit zulks toestaat om de bereiding van specifieke producten mogelijk te maken, op voorwaarde dat:

a. a) een dergelijk transport verloopt in overeenstemming met de voorwaarden die de bevoegde autoriteiten vaststelt met betrekking tot het vervoer tussen bepaalde inrichtingen,

en

b) het vlees onmiddellijk het slachthuis of een zich aldaar bevindende uitsnijderij verlaat en het vervoer niet meer dan twee uur duurt.

In artikel 10, tweede lid, onder h van Verordening 882/2004 is bepaald dat officiële controles van diervoeders en levensmiddelen onder meer controles omvatten door de bevoegde autoriteit, met eigen instrumenten, van de door de exploitant van het diervoeder- of levensmiddelenbedrijf verrichte metingen.

Ten aanzien van 16 december 2014:

2. Uit het op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte, gedagtekende en ondertekende boeterapport van 16 december 2014 (83366) blijkt dat toezichthouders van de NVWA op 16 december 2014 van omstreeks 10.00 – 12.00 uur aanwezig waren op het bedrijf van eiseres naar aanleiding van een regulier permanent toezicht.

Toezichthouder 2 zag met behulp van een door de NVWA ter beschikking gestelde gekalibreerde thermometer, dat vlees boven de wettelijk vereiste temperatuur werd verladen.

Toezichthouder 1 kreeg de registratiegegevens van zijn ATDA en constateerde verlading van vlees boven de wettelijke grens van 7o C. Tevens constateerde toezichthouder 1 verlading van vleesdelen boven de 11o C, hetgeen niet alleen ruim boven de wettelijke grens is, maar tevens boven de grens is van het eigen, inmiddels door de NVWA bij herhaling vervallen verklaarde (brief 15 november 2013 kenmerk NVWA/2013/11905) protocol, deel van het HACCP-plan van genoemde firma. Uit raadpleging van de database met registraties van verladingstemperaturen is bovendien gebleken dat overschrijding van de wettelijke grens van 7o C een structureel karakter vertoont, ook na het op 28 januari 2014 aangezegde boeterapport en meerdere meldingen en blokkeringen van te warme verladingen.

Hieruit bleek volgens de toezichthouder dat werd gehandeld in strijd met bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII, punt 3 van Verordening 853/2004 juncto artikel 3, eerste lid, van deze verordening, hetgeen een overtreding is van het bepaalde in artikel 2.4, eerste lid, onder d, van de Regeling juncto artikel 6.2, eerste lid, van de Wet.

Daarnaast is toezichthouder 1 na overleg met de exploitant van het slachthuis gebleken dat deze onvoldoende had zorggedragen voor correcte uitvoering en handhaving van permanente procedures die gebaseerd zijn op HACCP-beginselen. Het eigen HACCP-plan voorziet in een procedure die moet uitsluiten dat karkassen of delen boven de 11o C worden verladen, hetgeen niet het geval bleek te zijn bij de controle op 16 december 2014.

Hieruit bleek de toezichthouder dat werd gehandeld in strijd met artikel 5, eerste lid, van Verordening 852/2004, hetgeen een overtreding is van artikel 2.4, eerste lid, onder c, van de Regeling juncto artikel 6.2, eerste lid, van de Wet.

De toezichthouder heeft [naam] , plantmanager van eiseres, op de hoogte gebracht van de bevindingen en hem medegedeeld dat een bestuurlijke boete kan worden opgelegd. [naam] heeft geen verklaring afgelegd.

2.1.

Op basis van het boeterapport van 16 december 2014 heeft verweerder bewezen geacht dat bij de verlading vlees van als landbouwhuisdier gehouden hoefdieren niet werd voldaan aan de eis dat het vlees een temperatuur van 7o C had bereikt. Dit is volgens verweerder een overtreding van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet, in samenhang gelezen met artikel 2.4, eerste lid, onder d, van de Regeling, alsmede artikel 3, eerste lid, en bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII, punt 3 van Verordening 853/2004. In het bestreden besluit waarbij verweerder het primaire besluit I heeft herroepen, heeft verweerder tevens verwezen naar punt 1 van bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII van Verordening 853/2004.

2.1.2.

Eiseres heeft als beroepsgrond aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat eiseres de wettelijke norm heeft overschreden door vlees boven 7o C te verladen. Verordening 853/2004 heeft het uitsluitend over “vervoer” en “transport” en niet over “verladen”. Verweerder heeft het toepasselijke Unierecht niet juist uitgelegd door “vervoer” uit te leggen dan wel gelijk te stellen aan “verladen”. “Vervoer” is een Unierechtelijk begrip en het staat lidstaten niet vrij om een eigen uitleg te geven aan begrippen die voorkomen in de verordening. Eiseres heeft daarbij gewezen op het arrest van het gerechtshof Den Haag van 13 maart 2013 waarin is overwogen dat de verordening niet vereist dat het vlees na de postmortemkeuring tijdens het stadium van opslag op ieder moment tot het vervoerd kan worden maximaal 7 graden Celsius is. Daarnaast heeft eiseres zich beroepen op een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 september 2015 (ROT 14/8462 en ROT 14/8926).

2.1.3.

De beroepsgrond van eiseres slaagt niet. In het bestreden besluit heeft verweerder verwezen naar zowel punt 1 als punt 3 van bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII van Verordening 853/2004. In punt 1 is expliciet vermeld dat de postmortemkeuring onmiddellijk moet worden gevolgd door koeling in het slachthuis (cursivering door de rechtbank) om uiteindelijk overal in het vlees een temperatuur van 7o C te verzekeren. Dat in Verordening 853/2004 volgens eiseres uitsluitend wordt gesproken over “vervoer” en niet over “verladen” acht de rechtbank daarom niet relevant.

2.1.4.

Het beroep van eiseres op de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
1 september 2015 treft geen doel. Anders dan in die uitspraak heeft verweerder in onderhavige zaak wel verwezen naar punt 1 van bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII waarin uitdrukkelijk wordt gesproken van koeling in het slachthuis. Een koelwagen op het parkeerterrein van het slachthuis maakt geen deel uit van het slachthuis. In het hoger beroepschrift, dat is ingediend tegen de hiervoor genoemde uitspraak van 1 september 2015, heeft verweerder een aantal argumenten naar voren gebracht waarom afkoeling niet in koelwagens op het parkeerterrein van het slachthuis mag plaatsvinden. Zo valt het koelproces van vers geslacht vlees tot beneden 7o C in een koelwagen niet of nauwelijks meer te controleren. Daarnaast is de vuistregel die eiseres hanteert – in een koelwagen vindt een temperatuursafname van 1o C per uur plaats – van zo veel verschillende factoren afhankelijk en niet in alle gevallen bruikbaar, aldus verweerder. De rechtbank is van oordeel dat deze argumenten steekhoudend zijn en maken dat verweerder terecht vasthoudt aan de letterlijke tekst van punt 1 van bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII van Verordening 853/2004.

2.1.5.

Eiseres kan ook geen geslaagd beroep doen op het arrest van het gerechtshof Den Haag van 13 maart 2013. In dat arrest heeft het gerechtshof overwogen dat de verordening niet vereist dat het vlees na de postmortemkeuring tijdens het stadium van opslag op ieder moment tot het vervoerd kan worden maximaal 7 graden Celsius is. Immers, het vereiste van een continue daling tot (maximaal) 7 graden Celsius veronderstelt dat het vlees eerst warmer is. Pas op het moment waarop het vlees kan worden vervoerd (en tijdens dat vervoer) moet de temperatuur niet meer dan 7 graden Celsius zijn, zo staat in het arrest. Ook hieruit kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat het vlees een temperatuur van 7o C moet hebben bereikt, voordat het kan worden verladen voor transport.

2.1.6.

Nu eiseres op 16 december 2014 vlees met een temperatuur van meer dan 7o C heeft verladen, heeft zij in strijd gehandeld met artikel 6.2, eerste lid, van de Wet, in samenhang gelezen met artikel 2.4, eerste lid, onder d, van de Regeling, alsmede artikel 3, eerste lid, en bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII, punt 1 en punt 3 van Verordening 853/2004.

2.2.

Daarnaast heeft verweerder op basis van het boeterapport van 16 december 2014 bewezen geacht dat de exploitant van het levensmiddelenbedrijf geen zorg droeg voor de uitvoering en de handhaving van één of meer permanente procedures die gebaseerd zijn op de HACCP-beginselen. Hiermee is volgens verweerder overtreden: artikel 6.2, eerste lid, van de Wet, in samenhang gelezen met artikel 2.4, eerste lid, onder c, van de Regeling, alsmede artikel 5 van Verordening 852/2004.

2.2.1

In het HACCP-plan van eiseres is het voorschrift opgenomen dat bij overschrijding van 11o C niet wordt verladen en moet worden doorgekoeld in de cel. Verweerder heeft aan eiseres tegengeworpen dat zij in strijd met haar eigen voorschrift uit het HACCP-plan heeft gehandeld door vlees te verladen met een temperatuur hoger dan 11o C. Uit het door verweerder overgelegde overzicht van temperatuurmetingen (zoals gevoegd bij het boeterapport) blijkt dat er op 16 december 2014 om 11:30 uur drie metingen zijn met een temperatuur van meer dan 11o C: 11,3o C, 11,2o C en 12o C. Eiseres heeft dit niet ontkend, zodat verweerder haar terecht heeft tegengeworpen dat zij met het verladen van vlees een temperatuur van hoger dan 11o C heeft gehandeld in strijd met haar eigen voorschrift uit het HACCP-plan.

2.2.2.

Voor zover eiseres ten aanzien van dit beboetbare feit heeft gesteld dat verweerder zich niet op de metingen van de NVWA heeft mogen baseren, omdat er op een onjuiste wijze is gemeten, verwijst de rechtbank naar de overwegingen op dit punt onder 3.2.3.

2.2.3.

Nu eiseres op 16 december 2014 in strijd met haar eigen voorschrift uit het HACCP-plan vlees met een temperatuur van hoger dan 11o C heeft verladen, heeft zij gehandeld in strijd met artikel 6.2, eerste lid, van de Wet, in samenhang gelezen met artikel 2.4, eerste lid, onder c, van de Regeling, alsmede artikel 5 van Verordening 852/2004.

2.3.

Conclusie is dat eiseres op 16 december 2014 verwijtbaar zowel de bepaling van artikel 3, eerste lid, en bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII, punt 1 en punt 3 van Verordening 853/2004 als de bepaling van artikel 2.4, eerste lid, onder c, van de Regeling, alsmede artikel 5 van Verordening 852/2004 heeft overtreden. Verweerder was bevoegd daarvoor een boete op te leggen.

Ten aanzien van 30 december 2014:

3. Uit het op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte, gedagtekende en ondertekende boeterapport van 30 december 2014 (83620) blijkt dat toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) op 30 december 2014 omstreeks 07:00 uur aanwezig waren op het bedrijf van eiseres naar aanleiding van een regulier toezicht.

Toezichthouder 2 constateerde, met behulp van een door de NVWA ter beschikking gestelde gekalibreerde thermometer, dat vlees boven de wettelijk vereiste temperatuur werd verladen. Hij rapporteert dat hem daaruit bleek dat werd gehandeld in strijd met bijlage II, sectie I, hoofdstuk VII, punt 3, van Verordening 853/2004 juncto artikel 3, eerste lid, van deze verordening, hetgeen een overtreding is van artikel 2.4, eerste lid, onder d, van de Regeling juncto artikel 6.2, eerste lid, van de Wet.

Toezichthouder 2 heeft het bedrijf van zijn waarnemingen op de hoogte gesteld en gezegd dat de betreffende delen niet geladen dan wel uitgeladen moesten worden. De toezichthouder werd gezegd dat medewerkers opdracht hadden niet boven de 11o C te mogen laden en dat er gehandeld werd volgens het eigen protocol. Er is geen gevolg gegeven aan de aanwijzing van toezichthouder 2. Toezichthouder 2 heeft geen vordering gedaan en heeft dit gemeld bij toezichthouder 1.

Toezichthouder 1 kreeg de registratiegegevens van zijn ATDA en constateerde verlading van vlees boven de wettelijke grens van 7o C. Uit raadpleging van de database met registraties van verladingstemperaturen bleek dat overschrijding van de wettelijke grens van 7o C een structureel karakter vertoont, ook na alle eerder aangezegde boeterapporten. Tevens constateerde toezichthouder 1 in één geval dat de eigen metingen van het bedrijf niet representatief waren voor de hoogste temperaturen in de partij. Uit het gesprek met algemeen directeur [naam directeur] bleek dat de medewerkers op de expeditie handelden in opdracht van de directie en het bedrijf geenszins bereid was het verladen tussen 7o C en 11o C te staken en zal volharden in de eigen werkwijze. Alhoewel deze werkwijze door de NVWA als niet conform wordt beschouwd, leeft het bedrijf deze wel na. De betreffende vrachtwagens blijven daadwerkelijk enige uren op het terrein.

Hieruit bleek dat werd gehandeld in strijd met artikel 5, eerste lid, van Verordening 852/2004, hetgeen een overtreding is van het bepaalde in artikel 2.4, eerste lid, onder c, van de Regeling juncto artikel 6.2, eerste lid, van de Wet.

3.1.

Verweerder heeft op basis van het boeterapport van 30 december 2014 bewezen geacht dat bij de opslag en het vervoer van vlees van als landbouwhuisdier gehouden hoefdieren niet werd voldaan aan de eis dat het vlees een temperatuur van 7o C had bereikt. Vlees en vleesdelen werden verladen boven de wettelijke temperatuur. Dit is volgens verweerder een overtreding van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet, in samenhang gelezen met artikel 2.4, eerste lid, onder d, van de Regeling, alsmede artikel 3, eerste lid, en bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII, punt 3 van Verordening 853/2004. In het bestreden besluit waarbij verweerder het primaire besluit II heeft herroepen, heeft verweerder tevens verwezen naar punt 1 van bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII van Verordening 853/2004.

3.1.1.

Voor zover eiseres ook ten aanzien van het feit op 30 december 2014 als beroepsgrond heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat zij de wettelijke norm heeft overschreden door vlees boven 7o C te verladen, verwijst de rechtbank naar de overwegingen onder 2.1.3 tot en met 2.1.5.

3.1.2.

Nu eiseres op 30 december 2014 vlees met een temperatuur van meer dan 7o C heeft verladen, heeft zij in strijd gehandeld met artikel 6.2, eerste lid, van de Wet, in samenhang gelezen met artikel 2.4, eerste lid, onder d, van de Regeling, alsmede artikel 3, eerste lid, en bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII, punt 1 en punt 3 van Verordening 853/2004.

3.2.

Daarnaast heeft verweerder op basis van het boeterapport van 30 december 2014 bewezen geacht dat de exploitant van het levensmiddelenbedrijf geen zorg droeg voor de uitvoering en de handhaving van één of meer permanente procedures die gebaseerd zijn op de HACCP-beginselen. Hiermee is volgens verweerder overtreden: artikel 6.2, eerste lid, van de Wet, in samenhang gelezen met artikel 2.4, eerste lid, onder c, van de Regeling, alsmede artikel 5 van Verordening 852/2004.

3.2.1.

Eiseres heeft als beroepsgrond aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat zij artikel 5 van Verordening 852/2004 heeft geschonden. In het HACCP-plan van eiseres (Handboek Deel D [eiseres] D09.19 Laden koelwagens van het HACCP Handboek van 6 januari 2014) zijn voorschriften opgenomen over de wijze van temperatuurmeten en het registreren van verladingstemperaturen. De wijze waarop verweerder de metingen heeft uitgevoerd, komt volgens eiseres niet overeen met de voorschriften uit het HACCP-plan. Eiseres heeft gesteld dat de NVWA andere vleesdelen heeft gemeten dan eiseres. De handelwijze van verweerder verdraagt zich volgens eiseres niet met artikel 10, tweede lid, onder h, van Verordening 882/2004 inzake officiële controles op de naleving van levensmiddelenwetgeving. Uit deze bepaling volgt volgens eiseres dat de verantwoordelijkheid voor voedselveiligheid in de eerste plaats berust bij de exploitant. De NVWA heeft een toezichthoudende taak en moet nagaan of een exploitant zich van de op haar rustende verantwoordelijkheid heeft gekweten. Eiseres heeft ook verwezen naar een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 28 april 2015.

3.2.2.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Ten aanzien van het feit op 30 december 2014 heeft verweerder niet aan eiseres tegengeworpen dat zij in strijd met haar HACCP-plan heeft gehandeld door vlees met een temperatuur hoger dan 11o C te verladen, maar dat tijdens de controle op 30 december 2014 in één geval is geconstateerd dat de eigen metingen van eiseres niet representatief waren voor de hoogste temperatuur in de partij. Dit blijkt uit de meetgegevens van 30 december 2014 “Afwijking registratie temperatuur NVWA”, waarop is te zien dat de NVWA hogere temperatuurwaarden heeft gemeten dan eiseres.

3.2.3.

De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat uit artikel 10, tweede lid, onder h, van Verordening 882/2004 volgt dat verweerder moet meten conform het meetvoorschrift uit het HACCP-plan en moet uitgaan van de meetgegevens die eiseres heeft verstrekt. Deze uitleg zou immers betekenen dat verweerder gebonden zou zijn aan die meetgegevens, ook wanneer eiseres (in strijd met haar eigen HACCP-plan) niet in de dikste vleesdelen heeft gemeten. Volgens de voorschriften uit het HACCP-plan moet in de dikste vleesdelen worden gemeten, omdat de daar gemeten temperatuur representatief is voor de temperatuur in de rest van het vlees. Verweerder heeft op 30 december 2014 om 6:50 uur hogere temperaturen gemeten dan eiseres op die dag om 6:45 uur. Hieruit valt af te leiden dat eiseres niet in de representatieve delen heeft gemeten. Uit het boeterapport blijkt dat de toezichthouder heeft gemeten met een gekalibreerde thermometen. Eiseres heeft ook niet gesteld dat verweerder onjuist zou hebben gemeten, maar zij heeft enkel gesteld dat verweerder kennelijk in de onjuiste vleesdelen heeft gemeten.

3.2.4.

Nu eiseres op 30 december 2014 temperaturen heeft gemeten die afwijken van de door de toezichthouder van de NVWA gemeten temperaturen, heeft eiseres artikel 5 van Verordening 852/2004 overtreden.

3.3.

Conclusie is dat eiseres ook op 30 december 2014 verwijtbaar zowel de bepaling van artikel 3, eerste lid, en bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII, punt 1 en punt 3 van Verordening 853/2004 als de bepaling van artikel 2.4, eerste lid, onder c, van de Regeling, alsmede artikel 5 van Verordening 852/2004 heeft overtreden. Verweerder was bevoegd daarvoor een boete op te leggen.

Ten aanzien van ne bis in idem:

4. Voorts heeft eiseres aangevoerd dat het beginsel van ne bis in idem is geschonden. Voor de vraag of sprake is van dezelfde overtreding als bedoeld in artikel 5:43 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is niet van belang is dat sprake is van verschillende (pleeg)data.

4.1.

De rechtbank volgt eiseres hierin niet. De overtredingen hebben op verschillende data plaatsgevonden. Bij het toezichtbezoek op 16 december 2014 is de plantmanager van eiseres er uitdrukkelijk op gewezen dat eiseres met haar handelwijze overtredingen begaat. Gelet daarop kon voor de overtredingen op beide data een bestuurlijke boete worden opgelegd.

Het voorgaande laat onverlet dat het totale bedrag van de boetes evenredig moet zijn. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van
7 oktober 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3138) toetst de rechter zonder terughoudendheid of het besluit van het bestuur met betrekking tot de boete voldoet aan de daaraan te stellen eisen en leidt tot een evenredige sanctie. Nu eiseres meermaals de gestelde norm heeft overtreden, zelfs nadat zij daarop is aangesproken, bestaat geen grond voor het oordeel dat de boetes niet evenredig zijn.

5. Verder heeft eiseres naar voren gebracht dat verweerder ervoor heeft gekozen om de temperatuurnorm strafrechtelijk te handhaven en dat vervolging reeds heeft plaats gehad. Eiseres heeft verwezen naar een arrest van de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Den Haag van 13 maart 2013, waar het ook ging om het verladen van vlees met een temperatuur hoger dan 7o C.

5.1.

De rechtbank volgt eiseres hierin evenmin. Uit artikel 5:44, eerste lid, van de Awb volgt dat het bestuursorgaan geen bestuurlijke boete oplegt indien tegen de overtreder wegens dezelfde gedraging een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting is begonnen, dan wel een strafbeschikking is uitgevaardigd.

5.2.

Aan eiseres is in een strafrechtelijk traject ten laste gelegd dat zij vlees met een hogere temperatuur dan de normtemperatuur heeft verladen. Uit het arrest van het hof van
13 maart 2013 blijkt dat het gaat om dezelfde soort feiten die eiseres heeft gepleegd op
29 maart 2012 en op 19 juni 2012. De feiten waarvoor nu een bestuurlijke boete is opgelegd zijn gepleegd op andere data. Verweerder kon aan eiseres een bestuurlijke boete opleggen.

Ten aanzien van de hoogte van de boete en eendaadse samenloop:

6. Tot slot heeft eiseres aangevoerd dat verweerder de boetes ten onrechte niet op nihil heeft gesteld. Er is immers sprake van eendaadse samenloop in de zin van artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht dan wel een voortgezette handeling in de zin van artikel 56, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Volgens eiseres moet het verladen van vlees in de koelwagen en het meten van de temperatuur ervan als één fysieke, voortgezette handeling worden gezien. Op deze fysieke voortgezette handeling zijn zowel artikel 3, eerste lid en bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII, punt 3 van Verordening 853/2004 van toepassing als artikel 5 van Verordening 852/2004. Beide voorschriften strekken tot het waarborgen van de voedselveiligheid om een hoog niveau van consumentenbescherming te garanderen. Daarom is sprake van eendaadse samenloop, zodat de bestuurlijke boete vanwege het evenredigheidsbeginsel moet worden gematigd, aldus eiseres.

6.1.

Van eendaadse samenloop is sprake wanneer een feit in twee delictsomschrijvingen valt. In dat geval wordt uitsluitend de bepaling met de hoogste sanctie toegepast.

6.2.

Zowel voor overtreding van artikel 3, eerste lid en bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII, punt 3 van Verordening 853/2004 als overtreding van artikel 5 van Verordening 852/2004 kan een boete worden opgelegd van € 5.000,=. In dit geval heeft verweerder de beboetbare feiten (per datum) inderdaad als samenhangende feiten beschouwd en in het kader van de evenredigheid aanleiding gezien voor matiging van de voor beide overtredingen opgelegde boetes. De hoogte van deze boetes heeft verweerder verlaagd naar € 2.500,= per boetezaak. Eiseres heeft geen belang meer bij een beoordeling van deze grond.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Houweling, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.L. Mehlbaum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.