Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:5098

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-06-2016
Datum publicatie
12-07-2016
Zaaknummer
10/994576-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat zij valsheid in geschrifte heeft gepleegd door (namens bedrijf) meerdere vrachtbrief-vervoerdocumenten voor ontvangst te tekenen en af te stempelen, terwijl de lading daar niet daadwerkelijk is gelost. Door de verdachte is niet weersproken dat de lading niet is gelost. De vraag is echter of het lossen van de lading een voorwaarde is om te kunnen spreken van de ontvangst daarvan. Voor het antwoord op die vraag zoekt de rechtbank aanknoping bij het begrip “afleveren” in het vervoersrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/994576-13

Datum uitspraak: 2 juni 2016

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] ,

raadsvrouw mr. P.M.L. Schmelzer, advocaat te Leiden.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 19 mei 2016.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. L.W. Boogert heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het tenlastegelegde, voor zover het betreft de vrachtbrief-vervoerdocumenten van 23 april 2009, 11 mei 2009, 22 mei 2009 en 25 mei 2009;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een geldboete ter hoogte van € 1000,-.

4 Vrijspraak

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 23 april, 11 mei, 22 mei en 25 mei 2009 valsheid in geschrifte heeft gepleegd door namens [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) onder andere op vrachtbrief-vervoerdocumenten voor ontvangst te tekenen, terwijl de lading niet bij [bedrijf 1] is gelost en daarmee dus niet daadwerkelijk is ontvangen, waarbij het ook niet de bedoeling was dat de lading bij [bedrijf 1] in ontvangst werd genomen, omdat de lading uiteindelijk in Duitsland afgeleverd moest worden.

Standpunt verdediging

Bepleit is onder meer dat de verdachte dient te worden vrijgesproken omdat primair, anders dan door de officier van justitie gesteld, de lading wel degelijk door [bedrijf 1] is ontvangen. Immers de lading is op het terrein van [bedrijf 1] gebracht, de vrachtbrief is aan (de verdachte als

de vertegenwoordigster van) [bedrijf 1] overhandigd, door de verdachte getekend en verwerkt in de administratie van [bedrijf 1] . Voor de ontvangst is niet noodzakelijk dat de lading bij [bedrijf 1] wordt gelost. Dat de verdachte de lading vervolgens met een uitgaande CMR opnieuw aan de vervoerder heeft afgegeven, doet daar niet aan af. Subsidiair is gesteld dat er geen bewijs is van het oogmerk om de documenten als echt en onvervalst te gebruiken in de zin van artikel 225 Wetboek van Strafrecht.

Beoordeling

Aan de verdachte wordt - kort gezegd - ten laste gelegd dat zij valsheid in geschrifte heeft gepleegd door (namens [bedrijf 1] ) meerdere vrachtbrief-vervoerdocumenten voor ontvangst te tekenen en af te stempelen, terwijl de lading daar niet daadwerkelijk is gelost.

Door de verdachte is niet weersproken dat de lading niet is gelost. De vraag is echter of het lossen van de lading een voorwaarde is om te kunnen spreken van de ontvangst daarvan.

Voor het antwoord op die vraag zoekt de rechtbank aanknoping bij het begrip “afleveren” in het vervoersrecht. Immers zijn de vrachtbrief-vervoerdocumenten, waarvan de verdachte wordt verweten dat zij deze valselijk heeft opgemaakt, vervoerdocumenten waarbij de afzender en vervoerder de tussen hen gesloten vervoersovereenkomst hebben vastgelegd, terwijl ondertekening van die vrachtbrief-vervoerdocumenten door de ontvanger, dient als bewijs dat de lading is afgeleverd.

In een recent arrest heeft de Hoge Raad het begrip “aflevering” in de zin van artikel 8:1095 van het Burgerlijk Wetboek nader bepaald (HR 17 februari 2012, rov. 3.5; ECLI:NL:HR:2012:BT8464 – [namen partijen] ). Daarbij heeft de Hoge Raad overwogen dat aflevering geen eenzijdige handeling van de vervoerder is, maar moet berusten op wilsovereenstemming tussen partijen in die zin dat de vervoerder de macht over het vervoerde goed met uitdrukkelijke of stilzwijgende instemming van de geadresseerde opgeeft en deze in de gelegenheid stelt de feitelijke macht over het goed uit te oefenen. Aan de hand van de inhoud van de desbetreffende vervoerovereenkomst en de feitelijke omstandigheden van het geval moet worden vastgesteld of aflevering in voormelde zin daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

De rechtbank gaat - voor zover hier van belang - uit van de volgende feiten.

[bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ) is een internationaal handelsbedrijf in oliën en vetten. Zij verkocht dierlijk zwoerdvet aan [bedrijf 3] in Duitsland (hierna: [bedrijf 3] ), welk vet zij inkocht bij [bedrijf 4] (hierna: [bedrijf 4] ).

Uit de facturen van [bedrijf 4] aan [bedrijf 2] kan worden opgemaakt dat [bedrijf 1] is aangewezen als ontvanger van het vet. (pagina’s 54, 65, 75 en 81 van het zaaksproces-verbaal). Ten behoeve van de levering van het vet heeft [bedrijf 4] een vervoerder [bedrijf 5] ingeschakeld voor het transport. Blijkens de door [bedrijf 4] voor deze transporten opgemaakte vrachtbrief-vervoerdocumnten is zij, als opdrachtgever en afzender van het transport, met de vervoerder overeengekomen dat de lading diende te worden afgeleverd op het adres van [bedrijf 1] te Dodewaard. (zie onder punt 3 van de vrachtbrieven). Door de vervoerder is vervolgens de lading ook naar [bedrijf 1] vervoerd, waarna de vrachtbrief-vervoerdocumenten namens [bedrijf 1] voor ontvangst van de lading zijn ondertekend, waarmee is bevestigd dat de lading is afgeleverd.

[bedrijf 1] heeft vervolgens - overeenkomstig haar afspraak met [bedrijf 2] - op dezelfde dag de lading weer aan de vervoerder afgegeven voor transport naar [bedrijf 3] in Duitsland en een vrachtbrief-vervoerdocument afgegeven voor dit transport.

Op grond van het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank de conclusie gerechtvaardigd dat de lading door de vervoerder is afgeleverd aan [bedrijf 1] , als de aangewezen ontvanger. Op het moment dat de lading door [bedrijf 1] is ontvangen en namens haar voor ontvangst is getekend, kon [bedrijf 1] daarover feitelijk beschikken, hetgeen zijn heeft gedaan door - overeenkomstig de tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] gemaakte afspraak - de lading weer mee te geven aan dezelfde vervoerder voor transport naar [bedrijf 3] in Duitsland en daarbij een nieuw vrachtbrief-vervoerdocument af te geven. Het voor ontvangst ondertekenen en afstempelen van de vrachtbrief-vervoerdocumenten door de verdachte is in de gegeven omstandigheden dan ook niet in strijd met de waarheid. Het feit dat de lading bij [bedrijf 1] niet is gelost doet daar niet aan af.

De verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.

Overigens kunnen bij de juistheid van de door de verdachte opgestelde vrachtbrieven voor het (vervolg) transport van de lading van [bedrijf 1] naar [bedrijf 3] in Duistland wel vraagtekens worden geplaatst, met name daar waar onder punt 4 van de vrachtbrief dient te worden vermeld waar de vervoerder de goederen in ontvangst neemt - in dit geval het adres van [bedrijf 1] in Dodewaard - terwijl daar een ander adres is opgenomen. Nu echter het opmaken van deze vrachtbrieven geen deel uitmaakt van de aan de verdachte verweten gedraging zal de rechtbank hierover geen oordeel geven.

5 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

6 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.C. Franken, voorzitter,

en mrs. J.A.M. Jansen en E.G. Fels, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.E.G. Busemeijer genaamd Lagemann, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 juni 2016.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

zij in of omstreeks het tijdvak van 30 januari 2009 tot en met 28 mei 2009 te

Dodewaard,

in elk geval in Nederland,

samen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

één of meer vrachtbrief-vervoerdocumenten (CMR), gedateerd

- 30 januari 2009, en/of

- 12 februari 2009, en/of

- 17 april 2009, en/of

- 23 april 2009, en/of

- 27 april 2009, en/of

- 11 mei 2009, en/of

- 22 mei 2009, enof

- 25 mei 2009, en/of

- 28 mei 2009,

(telkens) betreffende een transport van een lading dierlijk vet (categorie 3

materiaal overeenkomstig Verordening EG 1774/2002) van afzender [bedrijf 4]

[bedrijf 4] te Dongen naar geadresseerde [bedrijf 1] te Dodewaard,

- zijnde een vrachtbrief-vervoerdocument een geschrift dat bestemd is om tot

bewijs van enig feit te dienen -,

valselijk heeft opgemaakt of vervalst, met het oogmerk om het als echt en

onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

door in vak 24 'Goederen ontvangen'

- de plaatsnaam 'Dodewaard' en een ontvangstdatum te vermelden, en/of

- een stempel van [bedrijf 1] te plaatsen, en/of

- voor ontvangst van de goederen te tekenen,

terwijl in werkelijkheid dat dierlijk vet niet bij [bedrijf 1] te Dodewaard werd

gelost;

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht