Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:5007

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-06-2016
Datum publicatie
01-07-2016
Zaaknummer
C/10/501033 / KG ZA 16-494
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Riolering loopt over erf buren. Afsluiting onrechtmatig? Art. 5:57 lid 1 BW. Art. 5:58 lid 1 BW. Erfdienstbaarheid. Opstalrecht. Recht van overpad. Bijzondere omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/501033 / KG ZA 16-494

Vonnis in kort geding van 8 juni 2016

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. A. Goudriaan,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats2] ,

gedaagde in conventie,

eiser in voorwaardelijk reconventie

advocaat mr. L.P. Quist.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de overgelegde producties

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van [gedaagde] , tevens conclusie van eis in voorwaardelijke reconventie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is eigenaar van een woning gelegen aan de [adres] . [eiser] woont niet zelf in de woning. [eiser] verhuurt de woning aan derden.

De riolering van deze woning is (in ieder geval) niet rechtstreeks aangesloten op de hoofdriolering, maar loopt naar het erf van de naastgelegen woning op het adres [adres2] .

2.2.

De woning op het adres [adres2] behoort in eigendom toe aan [gedaagde] en toekomstige echtgenote [persoon1] . Deze woning is aan hen geleverd op 9 oktober 2015. [gedaagde] en [persoon1] zijn de woning aan het opknappen en zij wonen er nog niet in.

2.3.

In opdracht van [gedaagde] heeft het bedrijf RGZ Rioolgroep op 22 en 23 oktober 2015 diverse werkzaamheden verricht aan de riolering van de woning van [gedaagde] , zoals het leegzuigen van putten en het ontstoppen/ reinigen van de rioolafvoer. Voor deze werkzaamheden is blijkens een factuur van 24 oktober 2015 een bedrag van

€ 2.756,26 inclusief BTW in rekening gebracht aan [gedaagde] .

2.4.

De gemeente Zwijndrecht heeft op 15 april 2016 een brief gestuurd naar onder meer [eiser] en [gedaagde] . In deze brief staat onder meer, samengevat:

- dat de gemeente Zwijndrecht in 2014 een nieuwe (hoofd)riolering heeft aangelegd in

de [straat] ;

- dat bij het vervangen van het hoofdriool in de straat alle huisaansluitingen die de gemeente Zwijndrecht heeft aangetroffen op de erfgrens zijn overgenomen en opnieuw zijn aangesloten;

- dat in sommige gevallen de gemeente Zwijndrecht namens de eigenaar de huisaansluiting tot aan de gevel heeft overgenomen en opnieuw heeft aangesloten;

- dat bewoners van de [straat] (op de nrs. 84, 86, 88, 90 en 92) recentelijk klachten hebben ingediend bij de gemeente Zwijndrecht over de riolering/ een rioollucht in de woning/ vuil water op het perceel;

- dat uit onderzoek is gebleken dat de hoofdriolering in orde is;

- dat de klachten derhalve betrekking hebben op particulier terrein, waarvoor de gemeente Zwijndrecht niet verantwoordelijk is;

- dat de riolering vanaf de woning [adres] geen huisaansluiting heeft aan de voorzijde van de woning, maar vermoedelijk loopt langs de achtergevel van [adres2] , daarop aansluit en zo naar het hoofdriool loopt.

2.5.

[gedaagde] heeft recentelijk, op zijn eigen erf, de riolering afgesloten die vanaf de woning aan de [adres] naar het erf van [gedaagde] loopt.

2.6.

De advocaat van [eiser] heeft per aangetekende brief van 19 april 2016, gericht aan “ [gedaagde] ” gesommeerd om de afsluiting van de riolering ongedaan te maken. Deze aangetekende brief is niet bezorgd op het adres van [gedaagde] noch afgehaald op het postkantoor.

3 Het geschil in conventie en reconventie

3.1.

[eiser] vordert in conventie, samengevat, na eisvermindering ter zitting, veroordeling van [gedaagde] om de afsluiting van de riolering ongedaan te maken, op straffe van verbeurte van een dwangsom, alsmede veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een voorschot op schadevergoeding van € 975,-. [eiser] stelt daartoe het volgende.

3.2.

De riolering van de woning van [eiser] is niet rechtstreeks op de openbare riolering aangesloten maar loopt via de riolering van de woning van [gedaagde] . Onlangs heeft [gedaagde] deze riolering afgesloten. Deze afsluiting is onrechtmatig. [eiser] heeft een recht van overpad ter zake van deze riolering. De afsluiting dient ongedaan te worden gemaakt. [eiser] lijdt schade, die [gedaagde] dient te vergoeden. [eiser] verhuurde de woning voor € 650,- per maand. De huurders (Poolse werknemers) hebben opgezegd per 15 april 2016 vanwege de afsluiting van de riolering, maar zij hebben per 1 juni 2016 een nieuwe huurovereenkomst gesloten, er van uitgaande dat de riolering dan weer zal zijn aangesloten.

3.3.

[gedaagde] voert verweer in conventie. [gedaagde] vordert in voorwaardelijke reconventie - voor het geval de vordering van [eiser] in conventie mocht worden toegewezen - veroordeling van [eiser] om de helft van de kosten te dragen die [gedaagde] heeft gemaakt om de riolering van [eiser] aan te sluiten op de hoofdriolering. [gedaagde] stelt daartoe het volgende.

3.4.

[eiser] heeft niet het recht om zijn riolering via het erf van [gedaagde] te laten lopen. Afsluiting was gerechtvaardigd. De riolering van [eiser] bleek niet te zijn aangesloten op de hoofdriolering maar te lozen in de grond van het erf (de achtertuin) van [gedaagde] . Er bestond voor omwonenden als gevolg daarvan een ondraaglijke stank en overlast. [gedaagde] heeft aan [eiser] het voorstel gedaan om op gezamenlijke kosten de aansluiting van [eiser] op de hoofdriolering te bewerkstelligen. [eiser] heeft dit geweigerd. Daarom heeft [gedaagde] , als oplossing voor het probleem waarvoor niet [gedaagde] maar alleen [eiser] verantwoordelijk was, zelf opdracht gegeven tot deze heraansluiting. Dat is geschied op 13 mei 2016. De kosten daarvan bedragen € 3.800,-. [eiser] dient daarvan de helft te dragen.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

Het verweer van [gedaagde] dat hij rauwelijks is gedagvaard

kan in het midden blijven, nu de vordering, zoals hierna zal blijken, zal worden afgewezen.

4.2.

Het spoedeisend belang volgt uit de aard der zaak.

4.3.

[gedaagde] heeft ter zitting verklaard dat de riolering van [eiser] op 13 mei 2016 door een - door [gedaagde] ingeschakelde - vakman is aangesloten op de hoofdriolering, via de riolering van [gedaagde] . De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van deze stelling. In zoverre is het belang aan de vordering van [eiser] tot heraansluiting van zijn riolering inmiddels komen te vervallen.

4.4.

[eiser] heeft ter zitting nog verzocht om de uitspraak in de onderhavige procedure aan te houden in afwachting van de terugkeer van de huurders per 1 juni 2016. Volgens [eiser] dient de woning eerst een paar dagen in gebruik te zijn geweest alvorens kan worden vastgesteld of zijn riolering weer deugdelijk werkt. De voorzieningenrechter wijst dit verzoek af. De heraansluiting dateert van 13 mei 2016. De zitting vond plaats op 25 mei 2016. De tussenliggende periode moet ruim voldoende zijn geweest voor [eiser] om de deugdelijkheid van de heraansluiting van zijn riolering te onderzoeken.

4.5.

De geldvordering van [eiser] zal worden afgewezen reeds omdat uit zijn stellingen niet blijkt van een spoedeisend belang bij zijn geldvordering.

Deze afwijzing betekent niet dat de voorzieningenrechter het verweer van [gedaagde] onderschrijft dat [eiser] zijn schade had moeten beperken door een mobiel toilet in zijn woning te plaatsen. Volgens [gedaagde] hadden de huurders - Poolse werknemers die volgens [gedaagde] niet naar Nederland zijn gekomen om te wonen maar om te

werken - niet de huur hoeven op te zeggen bij aanwezigheid van een mobiel toilet. Dit verweer miskent dat een mobiel toilet evident geen gelijkwaardig alternatief is voor een rioolafvoer van een huurwoning, ongeacht nationaliteit en hoedanigheid van de huurder (s).

4.6.

Dan resteert in conventie de vraag wie in de proceskosten moet worden veroordeeld. In dit kader is van belang dat de datum van betekening van de dagvaarding 13 mei 2016 is. Dit is dezelfde dag als de dag van de heraansluiting van de riolering van [eiser] , maar, naar het zich voorlopig laat aanzien, na het uitbrengen van dagvaarding. Dan kan niet zonder meer gezegd worden dat [eiser] [gedaagde] onnodig in rechte heeft betrokken, respectievelijk dat [eiser] al kon weten dat de kwestie was opgelost voordat hij de procedure aanhangig maakte.

4.7.

Er kan in de gegeven omstandigheden niet tot het oordeel worden gekomen dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld, op grond van het volgende.

4.8.

In beginsel bestaat geen recht om een riolering te laten lopen via het erf van de buren. De wet, waaronder met name de artikelen 5:57 lid 1 BW en 5:58 lid 1 BW, voorziet niet in een dergelijk recht. Wel blijkt uit de parlementaire geschiedenis dat van dit uitgangspunt in bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken (Parlementaire Geschiedenis van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, Invoering Boeken 3, 5 en 6. Boek 5, Zakelijke rechten, M.v.A. II Inv.), als volgt:

Is een erf niet vanaf de openbare weg te bereiken en is om die reden overeenkomstig artikel 5.4.18 een noodweg aangewezen, dan zullen in beginsel langs deze noodweg ook de hier bedoelde leidingen naar dat erf kunnen worden geleid. Daarbij zal moeten worden gelet op wat met een normale exploitatie van het erf in overeenstemming is, nu daardoor wordt bepaald wat kan worden aangemerkt als een „behoorlijke toegang" in de zin van artikel 5.4.18 lid 1; men zie de Parlementaire Geschiedenis van Boek 5, p. 217 (N.v.W., laatste alinea). Dat stemt overeen met wat door verschillende schrijvers en rechterlijke uitspraken voor het huidige recht reeds wordt aangenomen; men zie Smalbraak, Burenrecht en erfdienstbaarheden, p. 111, Pitlo, Zakenrecht, p. 283 en Rb. Assen, 19 augustus 1968, N.J. 1969,214, en 26 mei 1969, N.J. 1969,457.

Gelet op dit alles is er onvoldoende reden om de strakke regel van artikel 5.4.19, waarbij blijkens de Parlementaire Geschiedenis van Boek 5, p. 217 vooral is gedacht aan water dat niet van een nutsbedrijf afkomstig is, tot leidingen van andere aard uit te breiden. Daarbij verdient nog aandacht dat blijkens de memorie van toelichting1: de artikelen 5.4.16-19 een analogische toepassing op vergelijkbare gevallen niet uitsluiten, hetgeen voor de onderhavige leidingen aldus moet worden opgevat dat het in bijzondere omstandigheden, waarin enerzijds voor de normale exploitatie van het erf de aanleg van de leiding bepaald onontbeerlijk is en anderzijds geen andere oplossing kan worden gevonden, onrechtmatig kan zijn om als eigenaar van een buurerf aan iemand een passend recht tot het leggen van die leiding over dat erf te weigeren, wanneer deze een voldoende schadevergoeding aanbiedt.

Van bijzondere omstandigheden is in dit geval echter niet gebleken. De woning van [eiser] is een woning met directe toegang tot openbare weg. De stelling van [eiser] dat rechtstreekse aansluiting van zijn woning op de hoofdriolering technisch onmogelijk is, is niet onderbouwd en is ook niet zonder meer aannemelijk.

4.9.

Wel kan een opstalrecht, erfdienstbaarheid of persoonlijk recht worden gevestigd, teneinde het recht om de riolering via het erf van de buren te laten lopen, te bewerkstelligen. Dit is echter in casu niet gebeurd. En een recht van overpad voor een riolering, zoals door [eiser] bepleit, bestaat niet.

4.10.

Voor zover [eiser] zich op verjaring mocht beroepen als grondslag voor zijn recht om zijn riolering naar het erf van [gedaagde] te voeren, heeft te gelden dat [eiser] onvoldoende feitelijke gegevens heeft gesteld om de juistheid van dit beroep te kunnen beoordelen. Nergens blijkt uit hoe lang deze riolering al naar het erf van [gedaagde] loopt.

4.11.

Vooralsnog dient het er derhalve voor te worden gehouden dat [eiser] geen recht heeft om zijn riolering te laten lopen via het erf van [gedaagde] .

4.12.

Dan dient vervolgens de vraag te worden beantwoord of [gedaagde] [eiser] niet van tevoren had moeten waarschuwen voor afsluiting van diens riolering. Er wordt op voorhand niet uitgesloten dat het onrechtmatig kan zijn om onaangekondigd de riolering van een ander af te sluiten, gelet op de grote consequenties die deze afsluiting kan hebben voor de bewoonbaarheid van de woning waarvan de riolering wordt afgesloten.

4.13.

Volgens [eiser] heeft [gedaagde] onaangekondigd de riolering afgesloten. [gedaagde] betwist dit. [gedaagde] voert aan dat hij van tevoren telefonisch aan [eiser] kenbaar heeft gemaakt genoodzaakt te zijn om de riolering af te sluiten vanwege de enorme water- en stankoverlast. De voorzieningenrechter kan niet goed vaststellen wie hier het gelijk aan zijn zijde heeft. Daarvoor is bewijslevering nodig en daartoe leent een kort gedingprocedure zich niet (goed). Bovendien is de vraag of men van tevoren is gewaarschuwd voor de afsluiting van zijn riolering weliswaar van zwaarwegend belang bij de beoordeling of deze afsluiting onrechtmatig is, maar niet steeds doorslaggevend. In dit geval heeft [gedaagde] aangevoerd dat de riolering van [eiser] niet was aangesloten op de hoofdriolering maar eindigde in de grond van het erf van [gedaagde] , zodat het rioolafval terechtkwam in de tuin van [gedaagde] . In een dergelijk geval acht de voorzieningenrechter niet onrechtmatig om zonder voorafgaande waarschuwing tot afsluiting van de riolering over te gaan. Men hoeft immers niet te dulden dat in/ op eigen erf het rioolafval van de buren wordt gestort. Dat sprake was van overlast vanwege een ondeugdelijke rioolafvoer vindt voldoende steun in de (onder “de feiten” aangehaalde) brief van de gemeente Zwijndrecht, alsmede in de inschakeling door [gedaagde] van het onder rov. 2.3 genoemde bedrijf.

4.14.

[eiser] zal als de in conventie in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde] . Deze kosten worden begroot op € 1.104,-, zijnde

€ 816,- aan salaris advocaat (standaard tarief kort geding volgens de Liquidatietarieven) en

€ 288,- aan griffierecht.

in reconventie

4.15.

De voorwaarde voor indiening van de eis in reconventie is niet vervuld, zodat aan de beoordeling daarvan niet meer wordt toegekomen. De (extra) proceskosten van de eis in reconventie worden begroot op nihil, zodat ook daarover niet beslist hoeft te worden.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagde] , tot op heden begroot op € 1.104,-;

5.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

5.4.

verstaat dat de voorwaarde voor indiening van de eis in reconventie niet is vervuld.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2016.

2517/2009