Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:4973

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-06-2016
Datum publicatie
30-06-2016
Zaaknummer
C/10/483377 / HA ZA 15-883
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Begeleiding door gemeente bij schuldhulpverlening. Nakoming van ter zitting getroffen regeling. Tekortkoming. Schade in dagvaarding niet onderbouwd. Zonder instructie of leeswijzer 172 producties overgelegd. Causaal verband niet aangetoond. Compensatie proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/483377 / HA ZA 15-883

Vonnis van 22 juni 2016

in de zaak van

[eiser]

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. R. Zwiers,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE SCHIEDAM,

gevestigd te Schiedam,

gedaagde,

advocaat mr. J.C.G. Franken.

Partijen zullen hierna [eiser] en de gemeente genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 23 juli 2015, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, tevens incidentele conclusie in de zin van artikel 223 Rv, met producties;

  • -

    het incidentele vonnis van 16 maart 2016;

  • -

    de brief van de rechtbank van 20 april 2016 waarbij een comparitie is gelast;

  • -

    de namens [eiser] overgelegde producties 1 t/m 172;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 2 juni 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] heeft zich in 2009 bij de gemeente gemeld voor schuldhulpverlening.

2.2.

Het schuldhulpverleningstraject is met grote problemen gepaard gegaan, zodanig dat het niet tot daadwerkelijke schuldhulpverlening of schuldsanering is gekomen.

2.3.

In 2014 is [eiser] een civiele bodemprocedure tegen de gemeente begonnen, waarin hij schadevergoeding heeft gevorderd wegens onrechtmatig handelen van de gemeente in het kader van de schuldhulpverlening.

2.4.

In die procedure heeft op 9 september 2014 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Tijdens die zitting hebben partijen een minnelijke regeling getroffen. Deze is als volgt vastgelegd in het proces-verbaal van de zitting, weergegeven voor zover van belang:

“1. De gemeente Schiedam zegt toe dat zij zo spoedig mogelijk een derde zal inschakelen voor schuldhulpverlening aan [eiser] en eventueel (mocht een minnelijke regeling met de schuldeisers niet mogelijk blijken te zijn) een WSNP-aanvraag.

[…]

4. Behoudens het vorenstaande hebben partijen, ter zake van hetgeen in deze procedure in geschil was, niets meer van elkaar te vorderen.”

2.5.

Ter uitvoering van deze overeenkomst heeft de gemeente in eerste instantie gepoogd [eiser] te laten deelnemen aan een schuldhulpverleningsprogramma van de gemeente Rotterdam. Dit is op niets uitgelopen, omdat op enig moment bleek dat [eiser] als niet-ingezetene van de gemeente Rotterdam niet aan dit programma kon deelnemen.

2.6.

Bij e-mail van 21 november 2014 heeft de advocaat van [eiser] de gemeente verzocht binnen zeven dagen “alsnog volledig uitvoering” te geven aan de ter zitting van 9 september 2014 gemaakte afspraken, bij gebreke waarvan [eiser] aanspraak maakt op schadevergoeding terzake van wanprestatie.

2.7.

De gemeente heeft vervolgens de heer [contactpersoon] als contactpersoon van [eiser] geïntroduceerd. [contactpersoon] was niet in dienst van de gemeente, maar werd als zzp’er door de gemeente ingehuurd. [contactpersoon] presenteerde zichzelf als “procescoördinator” van de gemeentelijke schuldhulpverlening en communiceerde met [eiser] op briefpapier van de gemeente.

2.8.

[eiser] heeft geweigerd zich door [contactpersoon] te laten begeleiden.

2.9.

Op voorstel van [eiser] heeft de gemeente vervolgens op 16 februari 2015 een overeenkomst gesloten met [persoon] van [persoon] Financiële Dienstverlening, waarbij [persoon] opdracht heeft gekregen tot het verrichten van

“activiteiten noodzakelijk voor een minnelijke schuldhulpverlening of voor de voorbereiding van een aanvraag WSNP ten behoeve van [eiser] .”

2.10.

Bij vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 26 februari 2015 is de gemeente veroordeeld tot betaling aan [eiser] van een voorschot op de door hem na 9 september 2014 geleden schade van € 500,--.

2.11.

Bij e-mail van 14 mei 2015 heeft [eiser] de gemeente onder andere het volgende geschreven:

“conform de vaststellingsovereenkomst aangaande de zitting van 09-09-2014, is de gemeente wederom reeds schuldig bevonden aan grove nalatigheid en buitensporige vertraging in deze.

[…]

de reden dat er nog geen verdere stappen zijn genomen aangaande een S.H.V. [schuldhulpverlening; toevoeging rechtbank] traject is omdat wij de gemeente nog éénmaal de kans hebben gegeven om hierin ook de gemaakte kosten/schades op schappelijke wijze op te lossen.

[…]

het traject kan eventueel gestart worden na een schikkings-gesprek met de gemeente Schiedam waarin op papier duidelijke afspraken worden gemaakt.

de gemeente krijgt van mij nog 5 werkdagen vanaf 18-05-2015 om hierin te reageren.

bij geen reactie het volgende:

-het volledige schade bedrag zal gevorderd gaan worden bij de gemeente schiedam daar verdere medewerking dan uitblijft van hun zijde dit betreft alle schade vanaf januari 2009

2.12.

Op 15 mei 2015 heeft [eiser] het volgende aan de gemeente bericht, weergegeven voor zover van belang:

LAATSTE RAPPEL

[…]

Ik wil u met klem adviseren om binnen 5 dagen te reageren naar Mr. Zwiers aangaande verder verloop van oplossen, inzake de kosten vanaf 2009.

mocht u dit nalaten, dan zal er geen schikking meer mogelijk zijn

2.13.

Bij besluit van 22 mei 2015 heeft de gemeente besloten de schuldhulpverlening aan [eiser] te beëindigen op grond van schending van de medewerkingsplicht in de zin van artikel 7 Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. Het tegen dit besluit ingediende bezwaar van [eiser] is ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing op bezwaar is [eiser] in beroep gegaan bij de rechtbank. Die procedure loopt nog.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert veroordeling van de gemeente tot betaling van een schadevergoeding van € 79.829,71 en tot vergoeding van de proceskosten, een en ander bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

3.2.

De gemeente voert verweer. Zij concludeert tot afwijzing van de vordering.

4 De beoordeling

4.1.

De vordering is gebaseerd op wanprestatie. In de visie van [eiser] is de gemeente toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van de overeenkomst die partijen op 9 september 2014 hebben gesloten. Als gevolg van die tekortkoming heeft [eiser] schade geleden, die volgens hem door de gemeente vergoed moet worden.

4.2.

Om te kunnen beoordelen of de gemeente tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst moet allereerst worden vastgesteld welke verplichting voor de gemeente voortvloeit uit de overeenkomst van 9 september 2014. Daartoe moet de overeenkomst worden uitgelegd. Die uitleg moet plaatsvinden aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en van de betekenis die zij redelijkerwijs aan die verklaringen hebben kunnen geven. Hierbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang, steeds gewaardeerd naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid.

4.3.

Naar het oordeel van de rechtbank moet de overeenkomst aldus worden uitgelegd dat de gemeente de verplichting op zich heeft genomen om een derde – dat wil zeggen iemand van buiten de eigen organisatie van de gemeente – in te schakelen teneinde [eiser] te begeleiden bij het schuldhulpverleningstraject en een eventuele WSNP-aanvraag. Uit de stellingen van partijen en de overgelegde stukken leidt de rechtbank af dat met deze regeling is beoogd het vastgelopen schuldhulpverleningstraject weer in beweging te krijgen. De verplichting om iemand van buiten de organisatie in te schakelen was kennelijk ingegeven door de omstandigheid dat [eiser] als gevolg van de sinds 2009 door hem ervaren problemen geen vertrouwen meer had in begeleiding door de gemeente. Voor zover [eiser] zich op het standpunt zou willen stellen – zijn uitlatingen op de zitting lijken daarop te wijzen – dat uit de regeling volgt dat de gemeente hem met voorbij gaan aan de uit de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening voortvloeiende verplichtingen naar een WSNP-aanvraag zou moeten begeleiden, volgt de rechtbank hem niet in die uitleg. Een dergelijke verstrekkende uitleg volgt niet uit de tekst van overeenkomst. [eiser] kan de tekst ook redelijkerwijs niet in die zin begrepen hebben, nu het niet voor de hand ligt dat de gemeente op voorhand akkoord zou gaan met het opzij zetten van wettelijke bepalingen, nog daargelaten of zij daartoe bevoegd zou zijn.

4.4.

Het gaat in deze procedure om schadevergoeding. Schadevergoeding is verschuldigd indien sprake is van een toerekenbare tekortkoming en, nu geen sprake is van een verbintenis waarvan de nakoming blijvend onmogelijk is, indien de gemeente met de nakoming in verzuim is (artikel 6:74 BW). In dit geval is de gemeente in verzuim geraakt door middel van de namens [eiser] verstuurde e-mail van 21 november 2014 (zie 2.6). Niet ter discussie staat immers dat de gemeente binnen de in die e-mail gestelde termijn geen derde in de zin van de overeenkomst heeft ingeschakeld. Dit betekent dat de gemeente per 29 november 2014 in verzuim is geraakt.

4.5.

De rechtbank wijst erop dat de gemeente vóór het verstrijken van die termijn niet in verzuim is geraakt. In de overeenkomst van 9 september 2014 is immers geen voor nakoming bepaalde termijn bepaald (artikel 6:83 onder a BW) noch doet zich de situatie voor als bedoeld in artikel 6:83 onder b en c BW. Dat het traject via de gemeente Rotterdam is mislukt – hetgeen op zichzelf voor risico van de gemeente komt, zoals ook de gemeente erkent – leidt dus niet tot schadeplichtigheid van de gemeente. Nu het in deze procedure gaat om schadeplichtigheid als gevolg van de tekortkoming van de gemeente in de nakoming van de overeenkomst van 9 september 2014, bestaat evenmin grond om eventuele schade geleden voor die datum voor rekening van de gemeente te laten komen. Dat geldt te meer, nu partijen in de overeenkomst uitdrukkelijk hebben verklaard niets meer van elkaar te vorderen te hebben. Dit is van belang, omdat de rechtbank uit de uitlatingen van [eiser] op de zitting afleidt dat het door hem gevorderde bedrag voor het grootste deel betrekking heeft op schade die hij voor 9 september 2014 meent te hebben geleden.

4.6.

De inschakeling door de gemeente van [contactpersoon] kan niet worden beschouwd als handelen in overeenstemming met haar verplichting uit hoofde van de overeenkomst. Vanwege het ontbreken van vertrouwen van [eiser] in begeleiding door de gemeente ging het er immers om dat die begeleiding werd verricht door iemand die op afstand van de gemeente stond. Redelijkerwijs moet dit zo worden begrepen dat niet voldoende is dat de begeleiding wordt verricht door iemand die weliswaar niet in loondienst is van de gemeente maar zichzelf als zzp’er aan de gemeente heeft verhuurd, en vervolgens voor de gemeente een kennelijk reguliere functie (“procescoördinator”) vervult en zich ook naar buiten toe presenteert namens de gemeente op briefpapier van de gemeente. Met de inschakeling van [contactpersoon] is de gemeente haar verplichting dus niet alsnog nagekomen.

4.7.

Niet ter discussie staat dat [persoon] wel gold als derde in de zin van de overeenkomst. Met het tot stand komen van de overeenkomst tussen de gemeente en [persoon] inzake de begeleiding van [eiser] (zie 2.9) is de gemeente haar verbintenis alsnog nagekomen. Niet van belang is dat [persoon] is ingeschakeld op voorspraak van [eiser] . Uit de overeenkomst kan immers niet worden afgeleid dat de gemeente per se zelf iemand zou moeten vinden om de begeleiding van [eiser] ter hand te nemen.

4.8.

Van [eiser] mocht redelijkerwijs verwacht worden zijn volledige medewerking te geven aan de begeleiding door [persoon] , en dus de op hem rustende verplichtingen uit hoofde van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening volledig na te komen. Dit geldt te meer nu [eiser] op dat moment al voorzien was van een voorschot op de door hem geleden schade ingevolge het kortgedingvonnis van 26 februari 2015. Voor zover hij van mening was dat hij sinds het intreden van het verzuim van de gemeente meer schade zou hebben geleden, geldt dat uit zijn stellingen niet kan worden afgeleid dat dit meerdere zodanig was dat hij om die reden gerechtigd was de nakoming door de gemeente te weigeren (vergelijk artikel 6:86 BW). [eiser] heeft die medewerking echter niet verleend, nu hij die medewerking afhankelijk heeft gemaakt van een vergoeding van zijn schade geleden vanaf 2009 (zie 2.11 en 2.12). Uit het overwogene onder 4.5 volgt dat hij die voorwaarde ten onrechte heeft gesteld. Hij heeft in zoverre de nakoming door de gemeente zelf verhinderd, waardoor hij in schuldeisersverzuim is geraakt en het verzuim van de gemeente is geëindigd (artikelen 6:58 en 6:61 BW). Voor de goede orde wijst de rechtbank er op dat hiermee geen oordeel is gegeven over de vraag of de gemeente terecht het schuldhulpverleningstraject heeft beëindigd. Die vraag is aan de orde in de procedure bij de bestuursrechter (zie 2.13).

4.9.

De gemeente heeft dus in verzuim verkeerd in de periode van 29 november 2014 tot 16 februari 2015. Slechts ten aanzien van de in die periode eventueel geleden schade is de gemeente schadeplichtig.

4.10.

[eiser] heeft echter niet aannemelijk gemaakt, laat staan aangetoond, dat hij dergelijke schade heeft geleden. Ter toelichting op dit oordeel overweegt de rechtbank het volgende.

4.11.

In de eerste plaats is van belang dat [eiser] bij dagvaarding, in strijd met artikel 111 sub d Rv, geen enkele onderbouwing heeft gegeven van de gevorderde schadevergoeding. Ter voorbereiding op de zitting heeft hij weliswaar 172 producties overgelegd, maar daarbij ontbreekt enige vorm van leeswijzer of instructie. Pas op de zitting heeft hij verklaard dat vanwege de wanprestatie van de gemeente de rente op en de kosten in verband met zijn schulden verder zijn opgelopen. Ook die stelling heeft hij echter niet geconcretiseerd. De rechtbank verwerpt de door [eiser] geopperde mogelijkheid om een accountant in te schakelen teneinde de schade te onderzoeken. Van [eiser] had verwacht mogen worden zijn schade al in een eerder stadium van een deugdelijke onderbouwing te voorzien. In de tweede plaats is van belang dat [eiser] onvoldoende heeft gesteld om causaal verband te kunnen aannemen tussen de hier bedoelde schade en de tekortkoming van de gemeente. Niet zonder meer aannemelijk is immers dat rente en kosten niet verder zouden zijn opgelopen als en zodra de gemeente tijdig een derde zou hebben ingeschakeld. Die enkele inschakeling leidt niet tot beëindiging van het verzuim van [eiser] jegens zijn schuldeisers. Hij heeft wel verwezen naar een productie waaruit volgens hem blijkt dat de desbetreffende schuldeiser bereid zou zijn tot een “rentestop” als het schuldhulpverleningstraject zou beginnen, maar die brief dateert uit 2012 en is dus van ver voor het sluiten van de overeenkomst van 9 september 2014.

4.12.

De rechtbank zal de vordering dus afwijzen. Ondanks die afwijzing zullen de proceskosten worden gecompenseerd. In dit vonnis is immers ook vastgesteld dat de gemeente wanprestatie heeft gepleegd en schadeplichtig is. In zoverre zijn beide partijen deels in het gelijk gesteld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2016.

1980/1573