Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:4960

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-06-2016
Datum publicatie
30-06-2016
Zaaknummer
C/10/460970 / HA ZA 14-1018
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Summary in English

Rail accident. CIM/Title 8.18 Dutch Civil Code (DCC). Mandatory liability regime for rail transport leaves room to compensate other damage than damage pursuant to loss of or damage to the goods. Analogous application of Dutch Supreme Court’s rulings in Cargofoor/RTT and Transfennica to rail carriage.

A train with five wagons containing extremely poisonous and highly flammable acrylonitrile derails near Wetteren (Belgium), because switches were crossed at a speed double the allowed maximum after the engine driver ‘missed’ a warning sign. A large fire, risk of explosion, environmental polution and evacuations follow; one person dies. DSM, that produced the hazardous cargo and that instructed DB Schenker to carry it, offers assistance and assists in the clean-up operation.

DSM claims compensation from contractual carrier DB Schenker BTT and actual carrier/substitute carrier DB Schenker NL. DSM claims compensation for the lost wagons, of the clean-up costs and of all further damage suffered as a consequence of the incident. It also demands that DB Schenker indemnify DSM from claims made by third parties. DB Schenker puts forward the defence that no other damages than those foreseen in CIM/Title 8.18 DCC may be claimed, because pursuant to articles 30 and 41 CIM/articles 8:1578 and 1587 DCC further actions in respect of liability, on whatever grounds, are excluded.

On rail carriage from Geleen (the Netherlands), through Belgium, to Hoek-Terneuzen (the Netherlands) Cotif-CIM does not compulsorily apply. CIM does apply as the regime chosen in the contract. The contract also contains a choice of law clause providing for the application of Dutch law. For extracontractual claims – claims not based on the contract of carriage – application of the Rome II Regulation leads to the applicability of Dutch law.

For the damage resulting from the loss of the wagons – that were part of the cargo offered for transport as recorded in the consignment note – DB Schenker BTT as carrier and DB Schenker NL as substitute carrier are liable. DB Schenker NL will be ordered to pay these damages because DSM – that was by law allowed to bring a claim either against the carrier or the substitute carrier - primarily claims them from DB Schenker NL.

The mandatory liability regime for rail transport does not preclude further damages being awarded. The Court sees no reason to deviate in rail transport cases from the reasoning of the Dutch Supreme Court with respect to the CMR for road transport cases (rulings of 15 April 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1333 (Cargofoor/RTT) and 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3624 (Transfennica)). The regime laid down in Title III CIM/section 3 of Title 8.18 DCC, taking into account also their headings (“Liability”), construction and contents, only regard the liability for loss or damage resulting from the total or partial loss of, or damage to, the goods between the time of taking over of the goods and the time of delivery and for the loss or damage resulting from the transit period being exceeded. It is with a view to that liability that the final articles of those sets of rules stipulate that actions in respect of liability, on whatever grounds, may only be brought subject to the conditions and limitations laid down in CIM and Title 8.18 DCC respectively.

For the clean-up costs made and other damage suffered by DSM as a result of the accident DB Schenker NL is liable because the accident was caused by faults of the engine driver who was fulfilling his duties in its service, and DB Schenker BTT is liable because DB Schenker NL was performing its activities in the conduct of DB Schenker BTT’s business and under its direction, with the proviso however that where certain damage must be qualified as damage resulting from loss of or damage to the goods or from exceeded transit time, DB Schenker is not liable for such damage beyond the limits imposed by CIM/Title 8.18 DCC.

The clean-up costs have a sufficient causal connection with the rail accident. By offering its specialist help DSM did not unnecessarily incur costs but took its social responsibility. It would from a legal point of view be unacceptable to leave the costs thereof for DSM’s own account because it would thus have ‘contributed to the damage’.

Spoorwegongeval. CIM/Titel 8.18 BW. Dwingend spoorvervoerregime laat ruimte voor vergoeding van andere schade dan schade wegens verlies van of schade aan de lading. Analoge toepassing van Cargofoor/RTT en Transfennica op spoorvervoer.

Bij Wetteren (België) ontspoort een trein met vijf wagons extreem giftig en licht ontvlambaar acrylonitril, doordat wissels met twee keer de toegestane maximumsnelheid worden bereden nadat de machinist een waarschuwingssein heeft ‘gemist’. Er volgen een grote brand, explosiegevaar, milieuverontreiniging en evacuaties; een omwonende overlijdt. DSM, van wie de gevaarlijke stof afkomstig was en in wiens opdracht de vijf beladen wagons werden vervoerd door DB Schenker, biedt hulp aan en assisteert bij de bereddingswerkzaamheden.

DSM vordert van contractueel vervoerder DB Schenker BTT en feitelijk vervoerder/ondervervoerder DB Schenker NL dat zij de verloren gegane wagons, de gemaakte bereddingskosten en alle verdere schade als gevolg van het ongeval vergoedt en dat zij DSM vrijwaart van aanspraken van derden. DB Schenker voert onder meer het verweer dat geen verdere schadevergoeding dan voorzien in de CIM/titel 8.18 BW kan zijn verschuldigd, omdat ingevolge artikelen 30 en 41 CIM/8:1578 en 8:1587 BW iedere andere schadevergoeding, op welke grondslag ook, is uitgesloten.

Op spoorvervoer van Geleen, door België, naar Hoek-Terneuzen is Cotif-CIM niet dwingendrechtelijk van toepassing. Wel is de CIM als contractueel overeengekomen regime van toepassing. Het contract bevat voorts een rechtskeuze voor Nederlands recht. Voor vorderingen op grondslagen die buiten de vervoerovereenkomst zijn gelegen leidt toepassing van de Rome II Vo tot toepasselijkheid van het Nederlandse recht.

Voor de schade als gevolg van het verloren gaan van de wagons – die blijkens de vrachtbrief onderdeel uitmaakten van de ten vervoer aangeboden lading - is DB Schenker BTT als vervoerder en DB Schenker NL als ondervervoerder aansprakelijk. DB Schenker NL wordt tot vergoeding van deze schade veroordeeld, nu DSM deze vordering, conform de in de wet voorziene keuzemogelijkheid, primair tegen haar instelt.

Aan vergoeding van verdere schade staat het dwingende spoorvervoerrecht niet in de weg. De rechtbank ziet geen reden om ten aanzien van het spoorvervoerrecht af te wijken van de door de Hoge Raad ten aanzien van de CMR gevolgde lijn (arresten van 15 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1333 (Cargofoor/RTT) en 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3624 (Transfennica)). De regeling geboden in titel III CIM/afdeling 3 van Titel 8.18 BW ziet, mede gelet op de titel (“Aansprakelijkheid”), opbouw en inhoud daarvan, uitsluitend op de aansprakelijkheid voor de schade ten gevolge van geheel of gedeeltelijk verlies of beschadiging van de goederen vanaf de aanneming ten vervoer tot aan de aflevering, alsmede ten gevolge van de vertraging in de aflevering. Het is die aansprakelijkheid waarvoor het slotartikel van voornoemde regeling bepaalt dat vorderingen ter zake, ongeacht de rechtsgrond, slechts kunnen worden ingesteld onder de voorwaarden en beperkingen van de CIM respectievelijk Titel 8.18 BW.

Voor de gemaakte bereddingskosten en de overige schade van DSM als gevolg van het ongeval is DB Schenker kwalitatief aansprakelijk voor de door de machinist gemaakte fouten, met dien verstande echter dat waar schadeposten moeten worden gekwalificeerd als schade ten gevolge van verlies of beschadiging van de vervoerde goederen tijdens het vervoer of vertraging in de aflevering, DB Schenker daarvoor niet verder aansprakelijk is dan is voorzien in CIM/titel 8:18 BW. De bereddingskosten staan in voldoende causaal verband met de ontsporing van de trein. Door haar specialistische hulp aan te bieden heeft DSM niet onnodig kosten over zich afgeroepen maar haar maatschappelijke verantwoordelijkheid genomen, en het zou rechtens onaanvaardbaar zijn om dit optreden in het kader van kostenverhaal als ‘eigen schuld’ voor rekening van DSM te laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2017/19
NTHR 2016, afl. 5, p. 290
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/460970 / HA ZA 14-1018

Vonnis van 29 juni 2016

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DSM ACRYLONITRILE B.V.,

gevestigd te Heerlen,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DSM FIBRE INTERMEDIATES B.V.,

gevestigd te Heerlen,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DSM SOURCING B.V.,

gevestigd te Heerlen,

eiseressen,

advocaat mr. R.W.J.M. te Pas,

tegen

1. de naamloze vennootschap

DB SCHENKER RAIL NEDERLAND N.V.,

gevestigd te Utrecht,

2. de vennootschap naar het recht van Duitsland

DB SCHENKER BTT GMBH,

gevestigd te Mainz, Duitsland,

gedaagden,

advocaat mr. A. al Mansouri.

Partijen zullen hierna DSM en DB Schenker genoemd worden. Eiseressen zullen waar nodig afzonderlijk als DSM ACN, DSM FI en DSM Sourcing worden aangeduid. Gedaagden zullen waar nodig afzonderlijk als DB Schenker NL en DB Schenker BTT worden aangeduid.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 18 maart 2015 en de daaraan ten grondslag liggende stukken, waaronder de abusievelijk in het vonnis niet genoemde akte houdende overlegging producties, met producties, en akte correctie aanduiding gedaagde sub 1, met producties,

  • -

    de akte houdende overlegging nadere producties van DSM, met producties 20 tot en met 27,

  • -

    de tweede akte houdende overlegging nadere producties van DSM, met productie 28,

  • -

    de aantekeningen comparitie van DSM,

  • -

    de pleitnotities van mr. A. Al Mansouri,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 1 september 2015 en de daaraan gehechte faxbrief van mr. Cox van 23 september 2015 met opmerkingen over het proces-verbaal,

  • -

    de antwoordakte na eiswijziging tevens houdende akte overlegging productie van DB Schenker, met productie 6,

  • -

    de antwoordakte (houdende bezwaar tegen akte gedaagden 7 oktober 2015) van DSM.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Tussen DSM Sourcing en DB Schenker BTT is op 1 januari 2011 een Strategic Partnership Framework Agreement for Rail Transport/Logistical Services (hierna: de ‘Framework Agreement’) gesloten.

DB Schenker BTT is uit hoofde van die overeenkomst de vaste spoorvervoerder voor de vennootschappen van de DSM groep.

2.2.

De Framework Agreement, waarin DSM Sourcing wordt aangeduid als ‘DS’ en DB Schenker BTT als ‘Carrier’, definieert in artikel 1 (in verbinding met Appendix 4):

- als ‘Customer’:any DSM Group Company’,

- als ‘Purchase Order’:the order issued by a Customer and accepted by Carrier for the supply of the Services on the terms and conditions of this Agreement’ en

- als ‘Agreement’: ‘This framework agreement, including the attached Appendices and any Sub-Agreement (...)’.

De Framework Agreement vermeldt DB Schenker NL in Appendix 3B op de List of Sub-carriers.

Artikel 2 Framework Agreement luidt, voor zover relevant:

“Purpose of the Agreement

Through this Agreement DS, a service organization of DSM, and Carrier lay down the framework for the supply of the Services between Customer and Carrier.

Under this Agreement Customer is entitled to purchase from Carrier any of the Services listed herein against the prices and upon the terms and conditions determined herein.

(...)

Carrier unconditionally and irrevocably agrees that this Agreement also inures to the benefit of each Customer.

DS does not accept any responsibility or liability for any of the obligations arising from or connected with any of the Purchase Orders pursuant to this Agreement. If and to the extent that any obligation may arise from a Purchase Order under this Agreement, Carrier will have recourse only to the relevant Customer and not to DS.”

Artikel 18 Framework Agreement luidt, voor zover relevant:

“This Agreement, any Sub-Agreement hereunder and all purchase in virtue of a Purchase Order under this Agreement shall be subject to the relevant provisions of Appendix 2 - General Purchase Conditions.”

Artikel 24 Framework Agreement luidt:

“This Agreement shall be governed exclusively by the laws of The Netherlands with the exception of its conflict of laws principles. The place of jurisdiction is Rotterdam.”

2.3.

Eind 2011 is tussen DSM FI en DB Schenker BTT in aansluiting op de Framework Agreement een Sub-Agreement to Framework Agreement for Rail Transport gesloten (hierna: de ‘Sub-Agreement’). De Sub-agreement bepaalt onder meer dat ook werkzaamheden ten behoeve van DSM ACN onder de Sub-Agreement vallen.

2.4.

Ingevolge artikel 18 van de Framework Agreement zijn daarop, op het Sub-Agreement en op iedere uit hoofde van de Framework Agreement gegeven opdracht van toepassing de als Appendix 2 aan de Framework Agreement gehechte Purchase Conditions (inclusief de daarop aangebrachte wijzigingen neergelegd in Appendix 1 bij de Framework Agreement).

Artikel 8 (‘General’) van de Purchase Conditions luidt, voor zover relevant:

“a. Applicable transport conditions. Notwithstanding anything contained herein the carriage of Goods under a Purchase Order shall subject to the transport mode be governed by:

(...)

if by rail the provisions of the Convention Internationale concernant le transport des Marchandises par chemins de fer (CIM), the European Agreement Concerning the International Carriage of Dangerous Goods by Rail (RID) and the Guidelines of European Chemical Industry Council (Cefic) -if conflicting in this order of precedence- unless and to the extent obligatory provisions of applicable country law prevail.

(...)

b. General liability and indemnification. Unless and to the extent Carrier’s liability is limited or restricted by the applicable treaties or regulations as mentioned above under 8.a., Carrier shall be liable and hold Customer and its affiliates (...) (herein referred to as “Indemnified Parties”), harmless from and indemnify them against any and all actual or contingent damage, loss, (personal) injury (including death), expense, cost, fine, penalty, claim, including reasonable attorney fees and litigation costs, suffered or incurred by or brought against indemnified Parties, resulting from or connected with the Purchase Order, its performance and the use and/or sale of Carrier’s Services by Indemnified Parties or any third party, except to the extent that such damage, loss (personal) injury, expense, cost, fine, penalty or claim is caused by Customer’s wilful misconduct or gross negligence.”

2.5.

In de vroege ochtend van 4 mei 2013 is te Wetteren, België, een goederentrein van DB Schenker ontspoord. In de eerste vijf wagons achter de twee locomotieven bevond zich een zending acrylonitril die in opdracht van DSM ACN werd vervoerd. Acrylonitril is zeer licht ontvlambaar en extreem giftig. Na de ontsporing vloeide acrylonitril uit een aantal wagons. Als gevolg van de ontsporing ontstond het gevaar dat de wagons zouden ontploffen en ontstond een grote brand waarbij giftige gaswolken vrijkwamen. Met acrylonitril verontreinigd bluswater verspreidde zich onder meer door het rioleringsstelsel. Bijna 2000 omwonenden werden dagenlang geëvacueerd, honderden personen meldden zich in het ziekenhuis en één inwoner overleed.

2.6.

DB Schenker heeft DSM over het ongeval geïnformeerd en DSM is direct te hulp geschoten. Zij heeft de gespecialiseerde bedrijfsbrandweer Sitech Site Services ingehuurd die direct ter plaatse is gegaan om bij het bestrijden van de chemische brand te assisteren. DSM heeft intern mensen vrijgemaakt, grote hoeveelheden met hoge concentraties acrylonitril verontreinigd blus/afvalwater afgevoerd en voor correcte afvalverwerking zorggedragen.

2.7.

Voor de zending acrylonitril had DSM ACN opdracht aan DB Schenker BTT gegeven om deze per spoor van Geleen naar Hoek-Terneuzen te vervoeren, ter aflevering aldaar in een landtank. DB Schenker BTT had het transport uitbesteed aan DB Schenker NL. DB Schenker verrichtte deze transporten meerdere keren per week. De route begint en eindigt in Nederland maar loopt voor een deel door België.

2.8.

De acrylonitril was geladen in vijf wagons die DSM van derden had gehuurd/geleased. Verhuurder en eigenaar van vier wagons was Nacco S.A.S., verhuurder en eigenaar van de vijfde wagon was Wascosa AG.

3 Het geschil

3.1.

DSM vordert - na wijziging van de eis (en de gronden daarvan) ter comparitie - dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht verklaart dat DB Schenker hoofdelijk, althans DB Schenker NL, althans DB Schenker BTT, jegens DSM, althans DSM ACN, althans DSM FI, althans DSM Sourcing, aansprakelijk is voor de schade die voor DSM is ontstaan en/of zal ontstaan door het op 4 mei 2013 te Wetteren, België, ontsporen van de goederentrein van DB Schenker en de daarvan onderdeel uitmakende vijf wagons bevattende een lading acrylonitril;

II. DB Schenker hoofdelijk, althans DB Schenker NL, althans DB Schenker BTT, veroordeelt:

a) om aan DSM ACN, althans DSM FI, althans DSM Sourcing, € 338.008,95 te vergoeden, te vermeerderen met wettelijke rente over € 323.008,95 vanaf 4 mei 2013 en over € 15.000,- vanaf 24 april 2014, alles tot aan de dag der algehele voldoening;

b) om aan DSM ACN, althans DSM FI, althans DSM Sourcing, € 413.491,20 te vergoeden, te vermeerderen met wettelijke rente daarover vanaf 4 mei 2013 tot aan de dag der algehele voldoening;

c) om aan DSM ACN, althans DSM FI, althans DSM Sourcing te vergoeden alle overige schade die zij hebben geleden en/of nog zullen lijden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

d) om DSM, althans DSM ACN, althans DSM FI, althans DSM Sourcing, te vrijwaren tegen eventuele aanspraken van derden, waaronder, maar niet beperkt tot, de Belgische overheid en slachtoffers/nabestaanden, in verband met het op 4 mei 2013 te Wetteren, België, ontsporen van de goederentrein van DB Schenker en de daarvan onderdeel uitmakende vijf wagons bevattende een lading acrylonitril, en om hun te vergoeden al datgene dat DSM, althans DSM ACN, althans DSM FI, althans DSM Sourcing gehouden mocht(en) zijn aan derden te betalen;

e) in de kosten van dit geding vermeerderd met de nakosten ad € 131, althans € 199 indien het vonnis wordt betekend, en wettelijke rente over die bedragen vanaf de veertiende dag na datum vonniswijzing.

3.2.

DB Schenker voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van DSM met veroordeling van DSM, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

formele aspecten

4.1.

DSM heeft haar eis en de gronden daarvan ter comparitie gewijzigd. Daartegen heeft DB Schenker geen bezwaar gemaakt op voorwaarde dat zij daarop bij akte mocht reageren, hetgeen zij heeft gedaan. De rechtbank ziet ambtshalve geen bezwaar tegen de eiswijziging en zal bij de beoordeling uitgaan van de gewijzigde eis, zoals weergegeven onder 3.1 hierboven.

4.2.

Het geschil betreft een overeenkomst van grensoverschrijdend spoorvervoer, bij de uitvoering waarvan zich in België een ernstig ongeval heeft voorgedaan. Alle partijen zijn in Nederland gevestigd, behoudens DB Schenker BTT die in Duitsland is gevestigd. Het gaat dan ook om een geschil met internationale aspecten.

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat deze rechtbank rechtsmacht heeft en bevoegd is om over de vorderingen van DSM te oordelen.

4.4.

De vraag aan welke van de eisende DSM-vennootschappen welk vorderingsrecht toekomt, speelt in het partijdebat geen rol van betekenis. In navolging van partijen zal ook de rechtbank het onderscheid tussen de juridische posities van DSM ACN, DSM FI en DSM Sourcing in het midden laten.

4.5.

Aan de zijde van DB Schenker is, gelet op het partijdebat, een onderscheid tussen DB Schenker BTT en DB Schenker NL wel noodzakelijk.

Niet in geschil is dat de opdracht tot het vervoer van vijf wagons beladen met acrylonitril van Geleen naar Hoek-Terneuzen is verstrekt door DSM ACN aan DB Schenker BTT. Vast staat ook dat deze vervoersopdracht werd verstrekt en aangenomen op de voorwaarden neergelegd in de Framework Agreement, de Purchase Conditions en de Sub-Agreement. Partijen zijn het er terecht over eens dat DB Schenker BTT de contractuele vervoerder is onder de aldus tot stand gekomen vervoerovereenkomst en DB Schenker NL de feitelijk vervoerder.

DSM stelt echter dat ook DB Schenker NL van meet af aan is gebonden aan de vervoerovereenkomst. Zij onderbouwt dat echter niet anders dan door de ontoereikende stelling dat DB Schenker NL betrokken was bij de totstandkoming van de overeenkomst. Voor zover DSM de stelling dat DB Schenker BTT de overeenkomst mede namens DB Schenker NL heeft gesloten niet reeds ter comparitie heeft verlaten, vindt deze geen steun in de inhoud van de overeenkomst. De rechtbank verwerpt dus het standpunt van DSM dat DB Schenker NL contractueel is gebonden jegens DSM.

toepasselijk recht

4.6.

De vraag rijst naar welk recht de vorderingen van DSM dienen te worden beoordeeld. Het antwoord op die vraag dient aan de hand van de voor die vorderingen aangevoerde grondslagen te worden bepaald.

Daarbij past een onderscheid tussen enerzijds de vorderingen strekkend tot vergoeding van het verlies van de vijf wagons en anderzijds de vorderingen strekkend tot - samengevat - vergoeding van schade en kosten en tot vrijwaring voor aanspraken van derden.

4.7.

DSM vordert schadevergoeding wegens het verlies van de vijf wagons primair op grond van schending van de resultaatsverplichting van de vervoerder neergelegd in artikel 24 lid 1 Cotif-CIM althans Boek 8 BW.

Alternatief primair legt DSM aan deze vordering ten grondslag dat DB Schenker de schadevergoedings- en vrijwaringsverplichting neergelegd in artikel 8.b van de Purchase Conditions moet nakomen.

Ook alternatief primair stelt DSM dat DB Schenker voor deze schade aansprakelijk is wegens schending van haar verzekeringsverplichting neergelegd in Appendix 9 bij de Framework Agreement.

Eveneens alternatief primair stelt DSM dat DB Schenker, althans DB Schenker NL, aansprakelijk is op grond van een eigen onrechtmatige daad, omdat zij heeft verzuimd de machinist tevoren deugdelijk te informeren en omdat de machinist blijkbaar zodanig is ingezet dat hij ten tijde van het ongeval ernstig vermoeid was hetgeen onaanvaardbaar is bij een risicovol transport als het onderhavige. Voor deze fout van DB Schenker NL is DB Schenker BTT evenzeer aansprakelijk, aldus DSM.

Subsidiair baseert DSM deze vordering op de kwalitatieve aansprakelijkheid van DB Schenker voor de fout van de treinmachinist.

4.8.

Aan de vorderingen strekkend tot vergoeding van schade en kosten en tot vrijwaring voor aanspraken van derden legt DSM primair ten grondslag dat de machinist van DB Schenker een fout heeft gemaakt - die een onrechtmatige daad maar ook een wanprestatie onder de vervoerovereenkomst oplevert - waarvoor DB Schenker kwalitatief aansprakelijk is.

Alternatief primair doet DSM een beroep op nakoming van de in artikel 8b Purchase Conditions neergelegde contractuele verplichting tot vrijwaring en schadevergoeding.

Ook alternatief primair is DB Schenker voor deze kosten aansprakelijk wegens schending van haar verzekeringsverplichting, zo stelt DSM.

Eveneens alternatief primair stelt DSM dat DB Schenker, althans DB Schenker NL, aansprakelijk is op grond van een eigen onrechtmatige daad, omdat zij heeft verzuimd de machinist tevoren deugdelijk te informeren en omdat de machinist blijkbaar zodanig is ingezet dat hij ten tijde van het ongeval ernstig vermoeid was hetgeen onaanvaardbaar is bij een risicovol transport als het onderhavige. Voor deze fout van DB Schenker NL is DB Schenker BTT evenzeer aansprakelijk, aldus DSM.

Ook stelt DSM dat zij de kosten heeft gemaakt ter vergoeding, beperking en voorkoming van grotere schade, zodat zij op die grond voor vergoeding in aanmerking komen, en dat sprake is van zaakwaarneming.

Subsidiair baseert DSM deze vordering op het vervoerrecht.

4.9.

Voor zover de vorderingen zijn gegrond op de vervoerovereenkomst geldt het volgende.

In de overeenkomst is een geldige rechtskeuze gedaan voor het Nederlandse recht.

De vervoerovereenkomst tussen DSM en DB Schenker BTT is een overeenkomst als bedoeld in artikel 8:1550 lid 1 BW. Titel 8.18 BW is dus van toepassing op het vervoer, tenzij dwingendrechtelijk de CIM van toepassing zijn (Uniforme Regelen betreffende de overeenkomst van internationaal spoorwegvervoer van goederen (‘Règles uniformes concernant le contrat de transport international ferroviaire des marchandises’ hierna: ‘CIM’), Aanhangsel B bij het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer van 9 mei 1980 (‘Convention relative aux transports internationaux ferroviaires’, hierna: ‘Cotif’), beide laatstelijk gewijzigd bij Protocol van 3 juni 1999).

Paragrafen 1 en 2 van artikel 1 CIM vereisen beide voor de toepasselijkheid van de CIM dat de plaats waar de goederen ten vervoer worden aangenomen en de voor de aflevering voorgeschreven plaats zijn gelegen in twee verschillende lidstaten. Nu de goederen ten vervoer zijn aangenomen in Geleen en moesten worden afgeleverd te Hoek-Terneuzen, is het CIM niet op grond van deze bepalingen van toepassing.

Ook de gevallen bedoeld in de overige paragrafen van artikel 1 CIM doen zich niet voor.

Van dwingendrechtelijke toepassing van de CIM is dan ook geen sprake.

Nu echter de CIM in artikel 8.a. van de Purchase Conditions van toepassing zijn verklaard, maken deze regels wel deel uit van de vervoerovereenkomst, maar dan als geïncorporeerde contractsvoorwaarden.

Terecht betoogt DB Schenker dat artikel 8:1553 BW leidt tot nietigheid van bepalingen in de vervoerovereenkomst - inclusief het gekozen CIM-regime - die afwijken van het in titel 8.18 BW bepaalde.

Nu partijen het erover eens zijn dat deze beide regimes materieel tot hetzelfde resultaat leiden en het springende punt is of dwingendrechtelijk spoorvervoerrecht tot bepaalde consequenties leidt, zal de rechtbank in het navolgende uitgaan van de (van het Cotif-CIM afgeleide) tekst van titel 8.18 BW.

4.10.

Voor zover DSM haar vorderingen grondt op een buitencontractuele grondslag moet het toepasselijke recht worden bepaald door toepassing van de Rome II Vo (de eventuele gevolgen van artikel 41 paragraaf 1 CIM daargelaten).

4.11.

Voor de vorderingen tegen DB Schenker BTT die zijn gegrond op aan haar verweten eigen onrechtmatig handelen, of op het verwijt dat DB Schenker NL en/of de treinmachinist fouten heeft/hebben gemaakt die aan DB Schenker BTT zijn toe te rekenen, ziet de rechtbank in de sterke samenhang met de overeenkomst(en) tussen DB Schenker BTT en DSM aanleiding om artikel 4 lid 3, tweede zin, Rome II Vo toe te passen en aan te knopen bij het door partijen gekozen Nederlandse recht. Voor de vordering op de grondslag zaakwaarneming leidt toepassing van artikel 11 lid 1 Rome II Vo tot hetzelfde resultaat.

4.12.

Voor de vorderingen tegen DB Schenker NL die zijn gegrond op aan haar verweten eigen onrechtmatig handelen, of op het verwijt dat de machinist fouten heeft gemaakt die aan DB Schenker NL zijn toe te rekenen, leidt toepassing van artikel 4 lid 2 Rome II Vo tot toepasselijkheid van het Nederlandse recht, omdat zowel DSM als DB Schenker NL in Nederland zijn gevestigd en hier kantoor houden. Voor de vordering op de grondslag zaakwaarneming leidt toepassing van artikel 11 lid 2 Rome II Vo tot hetzelfde resultaat.

4.13.

Zowel de contractuele als de buitencontractuele vorderingen worden dus beheerst door het Nederlandse recht.

4.14.

Centraal in het partijdebat staat de vraag of, en zo ja, in hoeverre, dwingend vervoerrecht aan toewijsbaarheid van de vorderingen van DSM in de weg staat. Om die reden zal de rechtbank eerst de vorderingen uit hoofde van de vervoerovereenkomst beoordelen. Daarna wordt het verweer beoordeeld dat het dwingend spoorvervoerrecht geen ruimte laat voor toewijzing van meer of andere vorderingen.

de vordering op grond van de vervoerovereenkomst

4.15.

DSM vordert onder de vervoerovereenkomst schadevergoeding wegens het verloren gaan van de vijf wagons waarin de acrylonitril was geladen. DSM vordert geen vergoeding van verdere ladingschade, omdat deze reeds door haar verzekeraar is vergoed. Nu de ten vervoer ontvangen wagons niet in dezelfde staat ter bestemming zijn afgeleverd maar geheel verloren zijn gegaan, moet DB Schenker deze schade vergoeden, aldus DSM onder verwijzing naar de artikelen 8:1571 lid 1, 8:1572 lid 1, 8:1586 en 8:1578 lid 3 BW. Aanvankelijk vorderde DSM schadevergoeding op te maken bij staat maar ter comparitie heeft zij verklaard dat de schade ter zake van de vier door haar van Nacco gehuurde dan wel geleasede wagons inmiddels kan worden begroot op € 413.491,20 plus rente vanaf 4 mei 2013. Naar de rechtbank begrijpt beoogt DSM de schade wegens het verlies van de vijfde wagon nog wel in de schadestaatprocedure te begroten.

4.16.

De rechtbank verwerpt het verweer van DB Schenker dat de wagons geen deel uitmaken van de ten vervoer aangeboden lading. Het tegendeel blijkt uit de voor het vervoer afgegeven vrachtbrief die onderdeel uitmaakt van de processtukken.

4.17.

Vast staat dat de vijf wagons gedurende het vervoer verloren zijn gegaan. Voor de als gevolg daarvan geleden schade is de vervoerder aansprakelijk op grond van artikel 8:1572 lid 1 BW.

Als vervoerder in deze zin heeft DB Schenker BTT te gelden, nu met haar de vervoerovereenkomst is gesloten (vgl. artikel 8:1551 BW in verbinding met artikel 8:1591 lid 1 BW).

DB Schenker NL, aan wie DB Schenker BTT de uitvoering van het vervoer heeft uitbesteed, is ondervervoerder in de zin van artikel 8:1551 BW.

Uit lid 1 van artikel 8:1575 BW volgt dat het inschakelen van een ondervervoerder niet afdoet aan de aansprakelijkheid van de vervoerder. Uit lid 2 van dit artikel volgt dat alle bepalingen van titel 8.18 BW die zien op de aansprakelijkheid van de vervoerder ook gelden voor de aansprakelijkheid van de ondervervoerder met betrekking tot het door hem verrichte vervoer. Nu de schade tijdens het door DB Schenker NL verrichte vervoer is ontstaan, volgt hieruit dat ook DB Schenker NL als ondervervoerder aansprakelijk is voor schade die het gevolg is van het verlies van de wagons.

Artikel 8:1591 leden 1, 6 en 7 BW brengt mee dat DSM tegen ofwel DB Schenker BTT ofwel DB Schenker NL een rechtsvordering ter zake van deze schade kan instellen maar niet tegen beiden. DSM heeft voor dit geval in de dagvaarding aangegeven dat zij haar vordering primair instelt tegen DB Schenker NL.

De vordering tegen DB Schenker BTT ter zake van de schade aan de wagons zal daarom worden afgewezen.

4.18.

Dat DSM niet zelf eigenaar was van de wagons, is niet van belang voor het vorderingsrecht van DSM. Dit vorderingsrecht van DSM als afzender is immers geabstraheerd van de eigendomspositie, zoals blijkt uit artikel 8:1590 BW.

4.19.

DSM heeft gesteld en met haar productie 23 onderbouwd dat zij door de eigenaar van vier van de wagons en door diens verzekeraar tot vergoeding van € 413.491,20 is aangesproken en DB Schenker heeft dit niet bestreden.

DB Schenker heeft wel betoogd dat deze aansprakelijkstelling niet zonder meer betekent dat DSM aansprakelijkheid heeft erkend of de bedragen heeft voldaan. Aan dit verweer gaat de rechtbank voorbij. Zij ziet geen aanleiding te betwijfelen dat DSM als lessee van de wagons gehouden is om de verhuurders/eigenaars daarvan te compenseren voor het verloren gaan daarvan. Terecht betoogt DSM dan ook dat door het verlies van de wagons een schuld in haar vermogen is ontstaan. Of zij die aansprakelijkheid reeds heeft erkend of de schuld reeds heeft voldaan is daarvoor niet van belang.

4.20.

Dat deze schuld € 413.491,20 beloopt heeft DB Schenker op zichzelf niet bestreden, zodat dit vaststaat.

Dat dit schadebedrag de limiet omschreven in artikel 8:1578 lid 3 BW overschrijdt, is gesteld noch gebleken. De rechtbank gaat er daarom van uit dat dit niet het geval is.

4.21.

Het verdere verweer van DB Schenker tegen deze vordering doet aan dit oordeel niet af. Het door DB Schenker ingeroepen GCU (‘General Contract of Use for Wagons’) is niet van toepassing, nu DSM niet een wagon keeper is die wagons exploiteert, maar in de context van de GCU als shipper moet worden beschouwd.

4.22.

De slotsom op dit onderdeel is dat DB Schenker NL zal worden veroordeeld om aan DSM ter zake van de schade aan de vier Nacco-wagons € 413.491,20 te vergoeden, vermeerderd met de op zichzelf onbestreden wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 4 mei 2013.

Daarnaast is DB Schenker NL gehouden om de schade als gevolg van het verlies van de vijfde wagon (van Wascosa) te vergoeden, welke schade kan worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet.

het verweer dat verdere schadevergoeding is uitgesloten

4.23.

Ter bestrijding van alle overige vorderingen van DSM, die geen grondslag vinden in de niet-nakoming van de hoofdverplichtingen van DB Schenker als (onder)vervoerder, voert DB Schenker als meest verstrekkend verweer aan dat het spoorvervoerrecht eraan in de weg staat dat enig andere schadevergoeding, op welke grondslag ook, wordt toegekend. Zij wijst op de artikelen 30 CIM/8:1578 BW (“met uitsluiting van elke andere schadevergoeding”) en 41 paragraaf 1 CIM/artikel 8:1587 lid 1 BW (“In alle gevallen waar deze Uniforme Regelen van toepassing zijn/deze titel van toepassing is, kan tegen de vervoerder slechts een vordering wegens aansprakelijkheid, ongeacht de rechtsgrond, worden ingesteld onder de voorwaarden en beperkingen van deze Uniforme Regelen/deze titel.”).

4.24.

Het verweer faalt. Het dwingendrechtelijke spoorvervoerregime brengt niet per definitie mee dat iedere verdere aansprakelijkheid van DB Schenker in verband met het ongeval te Wetteren is uitgesloten.

De Hoge Raad heeft in het wegvervoerrecht aangenomen dat de CMR niet voorziet in een uitputtende regeling voor de aansprakelijkheid van de wegvervoerder, maar dat artikel 17 CMR alleen diens aansprakelijkheid regelt voor verlies van of schade aan de vervoerde zaken en voor vertraging in de aflevering. De CMR regelt niet de aansprakelijkheid van de vervoerder wegens tekortkomingen - onder de vervoerovereenkomst of anderszins - die niet zien op verlies van of schade aan de vervoerde zaken of op vertraging in de aflevering als bedoeld in de CMR. De CMR staat niet aan het aannemen van zodanige aansprakelijkheid in de weg. Die aansprakelijkheid moet worden beoordeeld naar het toepasselijke nationale recht. Aldus kort samengevat de Hoge Raad in zijn arresten van 15 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1333 (Cargofoor/RTT) en 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3624 (Transfennica).

De rechtbank ziet geen reden om ten aanzien van het spoorvervoerrecht af te wijken van de ten aanzien van de CMR gevolgde lijn. De regeling geboden in titel III CIM/afdeling 3 van Titel 8.18 BW ziet, mede gelet op de titel (“Aansprakelijkheid”), opbouw en inhoud daarvan, uitsluitend op de aansprakelijkheid voor de schade ten gevolge van geheel of gedeeltelijk verlies of beschadiging van de goederen vanaf de aanneming ten vervoer tot aan de aflevering, alsmede ten gevolge van de vertraging in de aflevering. Het is die aansprakelijkheid waarvoor het slotartikel van voornoemde regeling bepaalt dat vorderingen ter zake, ongeacht de rechtsgrond, slechts kunnen worden ingesteld onder de voorwaarden en beperkingen van de CIM respectievelijk Titel 8.18 BW.

4.25.

Het voorgaande brengt mee dat het dwingende spoorvervoerrecht alleen in de weg staat aan vorderingen tegen DB Schenker BTT of DB Schenker NL indien en voor zover deze strekken tot een zwaardere aansprakelijkheid van de vervoerder voor schade ten gevolge van - samengevat - verlies of beschadiging van de vervoerde goederen tijdens het vervoer of vertraging in de aflevering, dan is voorzien in CIM/titel 8:18 BW of in - voor wat betreft DB Schenker BTT - het contract (ingevolge artikel 5 CIM/8:1553 BW mag de vervoerder contractueel een zwaardere aansprakelijkheid op zich nemen).

Of dit het geval is, kan zo nodig per vordering of schadepost nader worden beoordeeld, eventueel pas in de schadestaatprocedure.

4.26.

Omwille van de duidelijkheid merkt de rechtbank reeds hier op dat een redelijke uitleg van de vrijwarings- en vergoedingsverplichting neergelegd in artikel 8b van de Purchase Conditions meebrengt dat deze niet leidt tot een verzwaring van de aansprakelijkheid van DB Schenker BTT als voorzien in artikel 5 CIM/8:1553 BW voor wat betreft haar aansprakelijkheid als vervoerder voor schade ten gevolge van verlies of beschadiging van de vervoerde goederen tijdens het vervoer of vertraging in de aflevering. De eerste woorden van dit artikel 8b, gelezen in samenhang met het artikel 8a waarin naar de CIM wordt verwezen, verwijzen immers uitdrukkelijk naar de aansprakelijkheidsbeperkingen voortvloeiend uit de CIM c.q. het spoorvervoerrecht (‘Unless and to the extent Carrier’s liability is limited or restricted by the applicable treaties or regulations as mentioned above under 8.a.’) en beogen kennelijk niet af te doen aan de gelding van deze beperkingen. Ook DB Schenker gaat in haar laatste akte van deze lezing uit.

4.27.

Met inachtneming van de aldus uit het vervoerrecht voortvloeiende beperkingen zal de rechtbank de verschillende vorderingen van DSM op de daartoe aangevoerde grondslagen beoordelen.

de vordering onder I

4.28.

DSM vordert onder I een verklaring voor recht dat DB Schenker, althans DB Schenker NL, althans DB Schenker BTT, jegens DSM aansprakelijk is voor de schade die voor DSM is ontstaan en/of zal ontstaan door het spoorwegongeval van 4 mei 2013.

4.29.

DSM voert primair aan dat de in dienst van DB Schenker NL zijnde treinmachinist een fout heeft gemaakt door een sein te ‘missen’ - geen gevolg te geven aan een waarschuwingssein langs het spoor - waardoor hij met ruim 80 km per uur wissels naderde en bereed die met maximaal 40 km per uur bereden mochten worden. Voor deze fout van de machinist, die ook als onrechtmatige daad kan worden aangemerkt, is DB Schenker kwalitatief aansprakelijk, aldus DSM.

4.30.

DB Schenker heeft erkend dat er een sein is gemist en dat te hard is gereden maar betwist dat dit een fout van de machinist oplevert, op de grond dat in de strafzaak nog niet over diens schuld is geoordeeld. Zij voert voorts aan dat nog niet is vastgesteld dat het negeren van het sein en het overtreden van de maximumsnelheid door de machinist aan DB Schenker kunnen worden toegerekend, nu in haar visie NMBS Logistics het gezag had over de spoorwegcapaciteit en dus over de machinist.

4.31.

De rechtbank verwerpt deze verweren.

Het negeren van een sein en de daarmee samenhangende overtreding van de maximumsnelheid (niet in geschil is dat met 84 km per uur is gereden waar 40 was toegestaan) leveren fouten op van de machinist reeds omdat daarmee de toepasselijke wet- en regelgeving is overtreden. Noch uit de stellingen van partijen noch uit de overgelegde stukken komen aanwijzingen naar voren die de conclusie kunnen dragen dat deze gedragingen niet aan de machinist kunnen worden toegerekend.

De machinist was in dienst van DB Schenker NL en vervulde zijn taak - het besturen van de trein - dus in haar dienst. Aldus had DB Schenker NL zeggenschap over de gedragingen waarin de fout was gelegen als bedoeld in artikel 6:170 BW. Hetgeen DB Schenker betoogt over zeggenschap van het Belgische overheidsbedrijf NMBS leidt niet tot een ander oordeel.

Gelet op hetgeen in de door DB Schenker overgelegde rapportage van het Belgische Onderzoeksorgaan voor Ongevallen en Incidenten op het Spoor (p. 163 e.v.) is vermeld over een (voorspelbaar) hoog vermoeidheidsniveau van de machinist op de dag van het ongeval na eerdere nachtdiensten, acht de rechtbank aannemelijk dat de inzet van DB Schenker NL van de machinist voor dit (nachtelijke) vervoer de kans op de fout heeft vergroot.

De slotsom is dat DB Schenker NL op grond van artikel 6:170 BW jegens DSM aansprakelijk is voor schade die aan DSM is toegebracht door de fouten van de machinist.

4.32.

Dit oordeel omtrent DB Schenker NL, die als niet ondergeschikte de werkzaamheden ten behoeve van DB Schenker BTT heeft uitgevoerd, leidt op grond van het bepaalde in artikel 6:171 BW ook tot aansprakelijkheid van DB Schenker BTT voor deze schade.

4.33.

Vervolgens moet worden beoordeeld of de fouten van de machinist hebben geleid tot de ontsporing van de trein.

Anders dan DB Schenker betoogt acht de rechtbank dit aannemelijk.

Voornoemde rapportage geeft immers aan (zie p. 11) dat het Onderzoeksorgaan uitgaat van het scenario dat de trein is ontspoord door het kantelen van de eerste drie wagons bij het passeren van de wissels ter plaatse. Dit kantelen was het resultaat van een combinatie van (i) een niet aangepaste snelheid, (ii) twee opeenvolgende korte bochten van wissels, die met maximaal 40 km per uur dienden te worden bereden, (iii) het hoge zwaartepunt van de betreffende (correct beladen) wagons, en (iv) de ingezette noodremming. Bij gebrek aan aanwijzingen voor het tegendeel, neemt de rechtbank de juistheid van deze bevindingen tot uitgangspunt. Daaruit volgt dat de te hoge snelheid cruciaal was voor het ontsporen van de trein. Dat zonder deze te hoge snelheid (die niet werd verlaagd omdat het waarschuwingssein werd gemist) de trein ook zou zijn ontspoord is gesteld noch gebleken.

4.34.

Op deze gronden zijn DB Schenker NL en DB Schenker BTT kwalitatief aansprakelijk jegens DSM voor schade die aan DSM is toegebracht door het ontsporen van de trein, welk ontsporen het gevolg was van één of meer fouten van de machinist.

4.35.

Nu beide DB Schenker vennootschappen voor dezelfde schade aansprakelijk zijn, zijn zij hoofdelijk aansprakelijk.

4.36.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de gevorderde verklaring voor recht toewijsbaar is op de daartoe primair aangevoerde grondslag, met dien verstande echter dat DB Schenker BTT of DB Schenker NL voor wat betreft schade ten gevolge van verlies of beschadiging van de vervoerde goederen tijdens het vervoer of vertraging in de aflevering niet verder aansprakelijk zijn dan is voorzien in CIM/titel 8:18 BW. De rechtbank zal de gevraagde verklaring voor recht met deze clausulering toewijzen.

4.37.

Nu de vordering slaagt op de eerste primaire grondslag hoeft de rechtbank voor deze vordering niet de andere aangevoerde grondslagen te beoordelen.

de vordering onder II a

4.38.

DSM vordert onder II a een veroordeling tot vergoeding van € 338.008,95 met rente. Dit bedrag omvat acht verschillende schadeposten, zoals vermeld in de dagvaarding onder 16 en in productie 6 van DSM.

4.39.

Indien en voor zover deze schade is ontstaan door het ongeval van 4 mei 2013, kunnen vorderingen gelet op de toewijsbaarheid van de vordering onder I worden toegewezen, behoudens voor zover het vervoerrecht daaraan in de weg staat.

Indien de vorderingen niet kunnen worden toegewezen op de eerste primaire grondslag zal de rechtbank - met inachtneming van de beperkingen van het spoorvervoerrecht - onderzoeken of zij op een van de andere grondslagen kunnen worden toegewezen.

4.40.

De eerste vijf posten zien op kosten gemaakt in verband met bereddingsmaatregelen:

(1) € 148.580,17 voor de inhuur en inzet van gespecialiseerde bedrijfsbrandweer op de rampplek, onderbouwd met een factuur van Sitech Site Services B.V. (productie 7 van DSM);

(2) € 22.910,-- voor uren van medewerkers die zijn vrijgemaakt om deskundige assistentie te verlenen, zorg te dragen voor coördinatie en afvalverwerking vanaf de rampplek, onderbouwd met een urenoverzicht (productie 8 van DSM);

(3) € 21.390,15 voor de inhuur van zes containerwagens van vervoerder Dohmen voor afvoer van met hoge concentraties acrylonitril vervuild blus-/afvalwater, onderbouwd met vijf facturen van Dohmen (productie 9);

(4) € 5.752,-- voor de inhuur van tankcontainers Dohmen voor opslag van met hoge concentraties acrylonitril vervuild blus-/afvalwater, 5 containers 141 dagen, 1 container 14 dagen, onderbouwd met een factuur van Dohmen (productie 10);

(5) € 22.102,99 voor afvalverwerking van met hoge concentraties acrylonitril vervuild blus-/afvalwater: analysekosten, bouw on-site installatie voor legen tankcontainers, opzet en uitwerking hiervan door technologen en uren productie, extra kosten waterzuiveringsbedrijf.

4.41.

Ten aanzien van al deze posten betoogt DB Schenker dat DSM niet gehouden was deze kosten te maken maar dat zij ofwel vrijwillig ofwel op verzoek of in opdracht van de Belgische autoriteiten blus- en opruimwerkzaamheden heeft verricht. Er is daarom geen (voldoende) causaal verband tussen de ontsporing van de trein en deze kostenposten, aldus DB Schenker.

In reactie hierop heeft DSM betoogd dat zij niet uit hobbyisme hulp is gaan verlenen maar haar specialistische kennis heeft aangeboden toen zich een ramp voltrok met het hoogst giftige acrylonitril, en dat de autoriteiten om die hulp ook verzochten toen iemand was overleden en het acrylonitril in de Schelde terecht dreigde te komen. Daarop heeft DSM een rampenteam samengesteld dat de werkzaamheden heeft verricht waarop de gemaakte kosten zien (maar geen bluswerkzaamheden heeft uitgevoerd). De kosten zijn het rechtstreeks gevolg van de ontsporing, zijn in ieder geval in redelijkheid daaraan toe te rekenen en komen op grond van artikel 8b van de Purchase Conditions hoe dan ook voor rekening van DB Schenker, aldus DSM.

Vervolgens heeft DB Schenker in haar standpunt volhard.

Naar het oordeel van de rechtbank staan de door DSM gemaakte kosten in voldoende causaal verband met de ontsporing van de trein. Zonder ongeval zou DSM deze werkzaamheden niet hebben (doen) verricht(en). Dat zij haar hulp aanbood toen een trein ontspoorde met voor haar vervoerde, van haar afkomstige en zeer giftige acrylonitril, welk aanbod zij nakwam toen de autoriteiten dit aanvaardden, beschouwt de rechtbank - kennelijk anders dan DB Schenker - niet als het nodeloos over zich afroepen van schade en kosten, maar als het nemen van maatschappelijke verantwoordelijkheid op een moment dat ernstig gevaar dreigde voor de omwonenden en het milieu, waarvan DSM met haar specialistische kennis en ervaring en haar middelen de verwezenlijking kon voorkomen althans de gevolgen daarvan kon beperken. Het zou onder deze omstandigheden rechtens onaanvaardbaar zijn om dit optreden in het kader van kostenverhaal als ‘eigen schuld’ voor rekening van DSM te laten.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat DB Schenker BTT deze schade en kosten ook op grond van artikel 8b van de Purchase Conditions (zie onder 2.4 hierboven) dient te vergoeden, zoals DSM terecht aanvoert.

4.42.

De omvang van schadepost (1), € 148.580,17, is voldoende onderbouwd met productie 7 van DSM en deze zal als verder onbestreden worden toegewezen zoals gevorderd.

4.43.

De omvang van schadepost (2), € 22.910,--, is onderbouwd met productie 8 van DSM. DB Schenker betoogt echter dat niet blijkt dat de daarin genoemde personen medewerkers van DSM zijn, dat deze werk hebben verricht dat anders uitbesteed had moeten worden en dat de kosten dus geen reguliere loonkosten zijn.

Aan deze verweren gaat de rechtbank voorbij. Nu niet is betwist dat DSM een rampenteam heeft samengesteld en evenmin dat de gestelde uren zijn besteed en dat voor deze uren van deze personen de in het overzicht opgenomen kosten zijn gemaakt, acht de rechtbank niet van belang dat komt vast te staan dat deze medewerkers bij DSM in dienst waren. Voldoende is dat zij naar aanleiding van het ongeval uren hebben besteed als door DSM gesteld en door DB Schenker niet betwist.

Deze schadepost zal dus worden toegewezen zoals gevorderd.

4.44.

De schadeposten (3), (4) en (5), groot respectievelijk € 21.390,15, € 5.752,-- en € 22.102,99, zijn niet anders bestreden dan met het in r.o. 4.41 verworpen verweer. Zij zullen worden toegewezen zoals gevorderd.

4.45.

De verder onder II a gevorderde schade ziet op:

(6) € 836,69 ter zake van de doorlopende huur van de wagon van Wascosa, onderbouwd met een factuur van Wascosa (productie 11);

(7) € 47.600,-- ter zake van de doorlopende huur van de vier treintankwagons van Nacco, onderbouwd met de facturen voor één maand (productie 12);

(8) € 53.836,95 voor de extra kosten van belevering van DSM’s klant in Terneuzen, onderbouwd met documenten van onder meer Vopak (producties 13 en 27).

4.46.

De schade bedoeld onder (6) en (7) komt niet voor vergoeding in aanmerking, omdat de kosten, gemoeid met het (gestelde maar betwiste) doorlopen van de huur ondanks het verloren gaan van de wagons, schade opleveren ten gevolge van het verlies van de vervoerde goederen tijdens het vervoer, welke (gevolg)schade wordt bestreken door het vervoerrecht en dus is gelimiteerd tot de vergoeding die ter zake van het verlies van de wagons zal worden toegewezen. Verdere schadevergoeding is niet verschuldigd.

Op grond van hetgeen in r.o. 4.26 is overwogen over artikel 8b van de Purchase Conditions kan deze schade evenmin op deze alternatieve grondslag worden toegewezen.

Gelet op het dwingende karakter van het vervoerrecht kunnen de eveneens alternatief primaire grondslagen onrechtmatige daad, zaakwaarneming en artikel 6:96 BW voor deze schade niet tot een ander resultaat leiden.

Ook de door DSM ingeroepen verzekeringsplicht biedt geen voldoende grondslag voor vergoeding van deze schade. In Appendix 9 bij de Framework Agreement is wel een verzekeringsplicht uitgewerkt, welke door DB Schenker - naar inmiddels moet worden geconcludeerd - niet is nagekomen, maar de omschrijving van de vereiste verzekeringen in Appendix 9 geeft geen aanleiding te vermoeden dat ook aansprakelijkheid van DSM jegens haar lessor/verhuurder voor doorlopende huurtermijnen c.q. gevolgschade als hier bedoeld onder die verzekeringen moest zijn gedekt. DSM heeft dat ook niet specifiek gesteld.

4.47.

Over schadepost (8) heeft DSM in de dagvaarding gesteld dat zij door het beschadigd en niet beschikbaar zijn van het spoor door het ongeval enige tijd haar klant in Terneuzen via een alternatieve route moest beleveren, via Vopak en per schip naar Terneuzen. DSM vordert de meerkosten die zij heeft moeten maken ten opzichte van de reguliere belevering per spoor.

In het overzicht dat DSM als productie 6 heeft overgelegd staat echter “Kosten om vervolgschade te voorkomen (klant zonder product) - Extra kosten om klant van product te voorzien (2841 mt), noodgedwongen via alternatieve route. (...)”. Die omschrijving doet vermoeden dat de hier bedoelde kosten zijn gemaakt om te voorkomen dat de klant stilligschade lijdt als gevolg van het bij het ongeval verloren gaan van de lading acrylonitril in de wagons. Productie 13 van DSM ondersteunt dit vermoeden, nu in deze vijfde pagina van een kennelijk twaalf pagina’s tellend invoice detail sheet van Vopak sprake is van dienstverlening (pagina 5/12) - DSM stelt uiteindelijk dat deze kosten zien op het lossen van treinwagons - op 14 tot en met 17 mei 2013. Dat de stremming op het spoor langer heeft geduurd, tot eind juni 2013, is op te maken uit onderdelen van productie 27 van DSM. Van een langdurig via de alternatieve route beleveren van de klant wegens stremming op het spoor blijkt niets uit de stukken (daargelaten of onder die omstandigheden grond voor vergoeding zou bestaan).

Bij gebreke van een duidelijke onderbouwing die anders uitwijst, zal de rechtbank er daarom van uitgaan dat deze kosten zien op vervangende levering(en) ter voorkoming van gevolgschade/stilligschade als gevolg van het verlies van de vervoerde acrylonitril. Ter zake van het verlies van de vervoerde acrylonitril had DSM (of haar verzekeraar) niet meer of anders kunnen vorderen dan de door het dwingende vervoerrecht gelimiteerde schadevergoeding. Verdere schadevergoeding, waaronder vergoeding van gevolgschade/stilligschade, is niet verschuldigd.

Voor het overige geldt voor deze post (voor zoveel nodig naar analogie) hetgeen in r.o. 4.46 is overwogen over het falen van de andere grondslagen.

4.48.

De slotsom ten aanzien van de vordering onder II a is dat aan hoofdsom zal worden toegewezen € 220.735,31 (€ 148.580,17 + € 22.910,-- + € 21.390,15 + € 5.752,-- + € 22.102,99). De daaraan verbonden rentevordering is overigens niet bestreden en zal worden toegewezen als gevorderd met uitzondering van de rente over € 15.000,-- die naar de rechtbank uit de dagvaarding begrijpt ziet op buitengerechtelijke incassokosten die zelf geen deel uitmaken van de vordering onder II a.

de vordering onder II b (nieuw)

4.49.

Na eiswijziging vordert DSM onder II b € 413.491,20 ter zake van de schade aan de vier Nacco-wagons, met de wettelijke rente daarover vanaf 4 mei 2013. Uit r.o. 4.15 tot en met 4.22 volgt dat deze vordering zal worden toegewezen jegens DB Schenker NL maar afgewezen jegens DB Schenker BTT.

de vordering onder II c (hernummerd)

4.50.

DSM vordert onder II c dat DB Schenker wordt veroordeeld tot vergoeding van alle overige schade die zij heeft geleden of nog zal lijden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

Deze vordering is - zoals DB Schenker terecht aanvoert - weinig specifiek, en is zo algemeen geformuleerd dat deze niet in de voorgestelde bewoordingen kan worden toegewezen.

Onduidelijk is of DSM van de rechtbank verwacht dat zij een keuze maakt uit de vele grondslagen waarop aansprakelijkheid voor de hier bedoelde schade moet worden gevestigd, of dat zij een veroordeling geeft voor iedere aangevoerde grondslag.

Uitgangspunt is dat in een schadestaatprocedure slechts aan de orde behoort te zijn of de gestelde schade is geleden, of de schade is geleden als gevolg van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, de omvang van de schade, en of en in hoeverre deze op grond van bijzondere omstandigheden voor rekening van de gelaedeerde zou moeten blijven. Daarom zal de rechtbank deze vordering slechts toewijzen voor wat betreft de grondslagen voor aansprakelijkheid waarover voldoende mate van zekerheid bestaat en waaraan zelfstandig belang toekomt.

4.51.

De vordering is toewijsbaar op de grondslag kwalitatieve aansprakelijkheid waarvoor de onder I gevorderde verklaring voor recht zal worden uitgesproken, met inachtneming van de in die verklaring genoemde beperkingen.

4.52.

De rechtbank ziet, ook bij gebreke van uitgekristalliseerd debat ter zake, niet in dat op de grondslagen zaakwaarneming, onrechtmatige daad of artikel 6:96 BW van DB Schenker een aansprakelijkheid voor meer of andere schade kan worden gebaseerd, zodat aan deze grondslagen geen zelfstandig belang toekomt en de vordering op die grondslagen wordt afgewezen.

4.53.

Over de nakoming van de in Appendix 9 bij de Framework Agreement neergelegde verzekeringsplicht van DB Schenker BTT is tijdens de comparitie onduidelijkheid ontstaan. Uit de aktewisseling nadien is komen vast te staan dat DB Schenker BTT in Europa niet beschikt over drie van de vier verzekeringen (Automobile Liability Insurance, Additional Automobile Liability Insurance, Automobile Liability Insurance for Transport of Dangerous Goods) waarvan zij met DSM was overeengekomen dat zij deze mede ten behoeve van DSM uit zou nemen. Voorts is komen vast te staan dat DSM in strijd met de gemaakte afspraken niet door DB Schenker BTT is meeverzekerd onder haar Commercial General Liability Insurance. Er is niets gesteld of gebleken dat leidt tot de conclusie dat deze toerekenbare tekortkoming niet aan DB Schenker BTT kan worden toegerekend.

Onjuist is het standpunt van DB Schenker BTT dat zij niet gehouden was te verzekeren indien zij zelf niet aansprakelijk is voor de bewuste schade. Waar DB Schenker BTT zich expliciet jegens haar contractuele wederpartij verbindt om diens aansprakelijkheid (mede) te verzekeren, staat deze verplichting los van de vraag of DB Schenker BTT (ook) zelf aansprakelijk is.

Dit leidt tot het oordeel dat de gevorderde veroordeling ook toewijsbaar is op de grondslag dat DB Schenker BTT voornoemde contractuele verzekeringsplicht geheel niet is nagekomen.

Het verweer van DB Schenker dat onvoldoende is uitgewerkt dat en in hoeverre schade is geleden als gevolg van deze toerekenbare tekortkoming kan in de schadestaatprocedure aan de orde komen.

4.54.

Artikel 8b van de Purchase Conditions kan niet leiden tot een veroordeling tot vergoeding van schade op te maken bij staat, omdat de schadestaatprocedure ziet op wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding en niet op vorderingen die strekken tot nakoming van een contractuele vergoedingsverbintenis. Op deze grondslag zal de vordering worden afgewezen.

de vordering onder II d (hernummerd)

4.55.

DSM vordert onder II d dat DB Schenker wordt veroordeeld om, samengevat, haar te vrijwaren tegen aanspraken van derden in verband met het ongeval op 4 mei 2013 en om aan haar te vergoeden al hetgeen waartoe DSM gehouden mocht zijn aan derden te betalen. Naar de rechtbank begrijpt is deze vordering gegrond op artikel 8b van de Purchase Conditions. Op die grondslag is de vordering, gelet op het vaststaan van het overeengekomen zijn van deze verplichting, toewijsbaar met dien verstande dat ook hier geldt dat geen vrijwaringsverplichting bestaat voor schade die door het dwingende vervoerrecht wordt bestreken.

proceskosten

4.56.

DB Schenker zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan de zijde van DSM. Het liquidatietarief zal worden gewaardeerd op grond van het toegewezen bedrag.

Deze kosten worden begroot op € 3.829,00 voor griffierecht, € 145,04 voor overige verschotten en € 8.027,50 voor salaris van de advocaat (2,5 punt x € 3.211,-- per punt), in totaal € 12.001,54.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat DB Schenker BTT en DB Schenker NL hoofdelijk jegens DSM aansprakelijk zijn voor de schade die voor DSM is ontstaan of zal ontstaan door het op 4 mei 2013 te Wetteren, België, ontsporen van de goederentrein van DB Schenker en de daarvan onderdeel uitmakende vijf wagons bevattende een lading acrylonitril, met dien verstande dat DB Schenker BTT of DB Schenker NL voor wat betreft schade ten gevolge van verlies of beschadiging van de vervoerde goederen tijdens het vervoer of vertraging in de aflevering niet verder aansprakelijk zijn dan is voorzien in CIM/titel 8:18 BW,

5.2.

veroordeelt DB Schenker BTT en DB Schenker NL hoofdelijk om aan DSM te betalen een bedrag van € 220.735,31, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 4 mei 2013 tot de dag van algehele voldoening,

5.3.

veroordeelt DB Schenker NL om aan DSM te betalen een bedrag van € 413.491,20, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 4 mei 2013 tot de dag van algehele voldoening,

5.4.

veroordeelt DB Schenker BTT en DB Schenker NL hoofdelijk om aan DSM te vergoeden alle overige schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, waarvoor zij aansprakelijk zijn volgens de verklaring voor recht in 5.1 hierboven,

5.5.

veroordeelt DB Schenker BTT om aan DSM te vergoeden alle overige schade , nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, die zij heeft geleden of nog zal lijden als gevolg van de toerekenbare tekortkoming door DB Schenker BTT van haar contractuele verzekeringsplicht neergelegd in Appendix 9 van de Framework Agreement,

5.6.

veroordeelt DB Schenker BTT om DSM te vrijwaren tegen eventuele aanspraken van derden, waaronder, maar niet beperkt tot, de Belgische overheid en slachtoffers/ nabestaanden, in verband met het op 4 mei 2013 te Wetteren, België, ontsporen van de goederentrein van DB Schenker en de daarvan onderdeel uitmakende vijf wagons bevattende een lading acrylonitril, en om haar te vergoeden al datgene dat DSM gehouden mocht zijn aan derden te betalen, met dien verstande dat DB Schenker BTT voor wat betreft schade ten gevolge van verlies of beschadiging van de vervoerde goederen tijdens het vervoer of vertraging in de aflevering niet verder aansprakelijk is dan is voorzien in CIM/titel 8:18 BW,

5.7.

veroordeelt DB Schenker in de proceskosten, aan de zijde van DSM tot op heden begroot op € 12.001,54, te vermeerderen met de nakosten ad € 131,--, althans € 199,-- indien het vonnis wordt betekend, en met de wettelijke rente over die bedragen vanaf de veertiende dag na de datum van dit vonnis,

5.8.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.9.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. van Schouwenburg-Laan, mr. J.W. van den Hurk en mr C. Sikkel en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2016.

1885/427/1573