Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:4925

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-06-2016
Datum publicatie
04-07-2016
Zaaknummer
C/10/491581 / HA ZA 15-1275
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2017:3304
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inhoudsindicatie: Fietser lijdt schade na botsing met een kat. Naar verkeersopvatting en/of op grond van uiterlijke feiten worden gedaagden niet als houders/bezitters van de kat in de zin van art. 3:108 BW aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2016-0208
Prg. 2016/179
NJF 2016/383
VR 2017/46
Onder redactie van mr. M. van der Linden en mr. C.C.M. Kroeks – de Raaij annotatie in IR 2016/157, UDH:IR/13832
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/491581 / HA ZA 15-1275

Vonnis van 29 juni 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. J.M.B. Cramwinckel,

tegen

1 [woonplaats 1] ,

2. [gedaagde 2],

beiden wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagden,

advocaat mr. P.J. klein Gunnewiek.

Eiser zal hierna ‘ [eiser] ’ genoemd worden. Gedaagden zullen gezamenlijk ‘gedaagden’ en afzonderlijk ‘ [gedaagde 1] ’ en ‘ [gedaagde 2] ’ genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis (de brief) van 2 maart 2016,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 19 mei 2016,

  • -

    de akte ten behoeve van de comparitie d.d. 28 april 2016, met productie, aan de zijde van [eiser] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

In de vroege ochtend van 26 mei 2015 is [eiser] op zijn fiets ter hoogte van de woning van gedaagden in botsing gekomen met een overstekende kat, als gevolg waarvan [eiser] ten val is gekomen. Gedaagden, die door het hulpgeroep van [eiser] wakker zijn geworden, zijn naar buiten gesneld, waarbij [gedaagde 1] en een buurman zich over [eiser] hebben ontfermd en [gedaagde 2] over de kat. [eiser] is met een ambulance naar het ziekenhuis gebracht. De kat is met de dierenambulance naar een dierenarts gebracht en heeft aldaar een spuitje gekregen.

2.2.

Uit verschillende onderzoeken in het ziekenhuis is gebleken dat als gevolg van het ongeval onder meer het linkerbekken en een borstwervel van [eiser] zijn gebroken.

2.3.

Op 27 februari 2013, drie jaar vóór het ongeval, heeft [gedaagde 1] een foto van de kat op zijn facebookprofiel geplaatst. Bij de foto zijn de volgende berichten geplaatst:

‘ [woonplaats 1] , 27 februari 2013

Gelukkig de kat is ook weer terug, meisjes blij (…)

[persoon 1] , 27 februari 2013

STREEEEEEEEEEEEP

(persoon A), 27 februari 2013

Gelukkig!! Had geen dagboekje bij zich met waar ze heeft gezeten zeker?

(persoon B), 27 februari 2013

Je weet Martin , als de kat van huis is ………….!!!

(persoon C), 28 februari 2013

Vanaf zaterdagavond op stap, en nu pas terug. Een echte [gedaagde 1]

(persoon D), 28 februari 2013

Aaaaaaaaaaaah diezzzz liefffff

2.4.

Op 29 mei 2013 heeft de dochter van gedaagden een foto geplaatst op Twitter, waarop de kat in huis en in een dekentje gerold te zien is. De foto is voorzien van het bijschrift ‘STREEEPJE´ en een icoontje in de vorm van een hartje.

2.5.

Bij brief van 2 juli 2015 zijn gedaagden namens [eiser] aansprakelijk gesteld voor de schade die [eiser] als gevolg van het ongeval heeft geleden. Bij brief van 5 juli 2015 hebben gedaagden aansprakelijkheid van de hand gewezen.

2.6.

Mevrouw [persoon 2] heeft op 11 april 2016 schriftelijk het volgende verklaard:

‘(…)

Op 26 mei 2015, de datum van het fietsongeluk van Dhr. [eiser] , heb ik in de ochtend op de Facebookpagina van 112-Puttershoek gelezen dat er op de (…) gemeente Oud-Beijerland een fietsongeluk was gebeurd. Ik las dat een fietser door een overstekende kat ten val was gekomen.

Ik las, tussen de reacties die op het Facebook-bericht werden gegeven, dat één van de volgers aan een ander persoon (een dame) vroeg of de kat van die betreffende dame was. De naam van deze dame werd in dit bericht ook genoemd (zij werd in dat bericht “getagd”). Ik kan mij de naam van die dame alleen niet meer herinneren. De betreffende dame antwoordde daarop dat het inderdaad om haar kat ging en plaatste achter haar reactie een huilende emoticon.

Later die dag hoorde ik van een vriendin van mij dat haar neef, achteraf bleek het om dhr. [eiser] te gaan, een fietsongeluk had gehad door een overstekende kat. Ik vertelde haar, mijn vriendin, dat ik daarover een bericht op de Facebook-pagina van 112-Puttershoek had gelezen, met bijbehorende hierboven besproken reacties op dat bericht. Ik heb later geprobeerd dat bericht inclusief reacties op de Facebookpagina terug te zoeken, maar helaas was de melding op de Facebook-pagina van 112-Puttershoek verdwenen.

(…)’

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert een verklaring voor recht dat gedaagden aansprakelijk zijn voor de nader bij staat op te maken schade die [eiser] als gevolg van het ongeval heeft geleden en nog zal lijden, met hoofdelijke veroordeling van gedaagden in de proceskosten en de nakosten vermeerderd met wettelijke rente.

3.2.

Aan de vordering legt [eiser] het volgende ten grondslag. Gedaagden zijn als eigenaar/bezitter van de kat aan te merken en zijn daarmee op grond van artikel 6:179 BW aansprakelijk voor de als gevolg van het ongeval door [eiser] geleden schade.

3.3.

Gedaagden betwisten dat zij eigenaar/bezitter zijn van de kat en zij concluderen tot afwijzing van de vordering.

4 De beoordeling

4.1.

Krachtens artikel 6:179 BW is de bezitter van een dier aansprakelijk voor de door het dier aangerichte schade, tenzij aansprakelijkheid op grond van afdeling 6.3.1 BW zou hebben ontbroken indien hij de gedraging van het dier waardoor de schade werd toegebracht, in zijn macht zou hebben gehad. Of iemand een dier houdt en of hij dit voor zichzelf doet (en dus op grond van artikel 3:107 lid 1 BW bezitter is) of voor een ander, wordt op grond van artikel 3:108 BW beoordeeld naar verkeersopvatting en op grond van uiterlijke feiten, met inachtneming van de in titel 6.5 BW omschreven regels.

4.2.

[eiser] stelt dat op grond van verkeersopvattingen en uiterlijke feiten kan worden vastgesteld dat gedaagden bezitter zijn van de kat. Het bezit blijkt volgens [eiser] uit de volgende omstandigheden:

- de kat rende richting het huis van gedaagden voordat deze met [eiser] in botsing kwam,

- [gedaagde 2] bekommerde zich eerst om de kat alvorens [gedaagde 1] zich om [eiser] bekommerde,

- [gedaagde 2] heeft de kat meegenomen naar huis,

- [gedaagde 1] heeft beslist dat de kat diende te worden onderzocht en hij heeft zich daarbij bereid verklaard de kosten van de dierenarts te dragen; vervolgens heeft hij beslist om de kat te laten inslapen en heeft [gedaagde 1] ook daadwerkelijk de kosten van de dierenarts betaald,

- de inhoud van het facebookbericht van januari 2013, waaruit kan worden afgeleid dat de kat als onderdeel van het gezin kan worden beschouwd en dat het gezin [gedaagde 1] ongerust was wanneer de kat meerdere dagen van huis was,

- de door de dochter gemaakte foto van de kat in huis,

- de schriftelijke verklaring van [persoon 2] .

4.3.

Gedaagden voeren het volgende aan. De kat was een van de vier zwerfkatten die ruim 10 jaar geleden in de buurt werden gevonden. Ze liepen door de voortuinen van de woningen op zoek naar eten, waarbij gedaagden en andere buurtbewoners etensresten en water buiten zetten voor de katten en ook voor andere dieren. Het lukte de jongste dochter van gedaagden om met twee katten, Streep (de kat in kwestie) en Vlekje genaamd, een zekere band op te bouwen. Gedaagden hebben de kat nooit onderdak geboden. Wel kwam het eens voor dat er ineens een kat vanwege een openstaande deur in de woning stond, maar dat was altijd van korte duur. De kat heeft nooit overnacht in de woning van gedaagden. De foto op Twitter waarop de kat zichtbaar onder een dekentje in huis ligt, is te verklaren doordat de kat toen ziek was. Anders dan gebruikelijk was de kat hierdoor benaderbaar en is het dier door de dochter van gedaagden toen onder een dekentje gelegd. Omdat dit bijzonder was, is er een foto van gemaakt en door de dochter op Twitter geplaatst. Uit het facebookbericht kan worden afgeleid dat de kat een zwerfkat betrof, aangezien de kat al dagen niet was gesignaleerd in de omgeving. Van vangst en inbezitneming (in de zin van artikel 3:113 BW) door gedaagden is nooit sprake geweest. Gedaagden hebben de kat nooit verzorgd en ook nooit laten ontvlooien, ontwormen en/of chippen en zij zijn ook nooit met de kat naar een dierenarts geweest. Gedaagden hadden ook geen kattenluik en zij troffen evenmin voorzieningen wanneer zij op vakantie gingen. Van bezit van de kat is dan ook geen sprake geweest. Uit dierenliefde en omdat de dochter overstuur was door de botsing met [eiser] , hebben gedaagden de kosten voor de dierenarts voor hun rekening genomen. De dierenarts heeft vervolgens gebeld dat de kat zou worden ingeslapen, aldus gedaagden.

4.4.

[eiser] heeft de door gedaagden aangevoerde feiten en omstandigheden niet weersproken zodat die vaststaan. Gedaagden hebben gemotiveerd betwist dat sprake is van bezit en zij hebben een plausibele verklaring gegeven voor het feit dat de kat regelmatig in de nabijheid van hun woning verbleef alsmede voor de foto van de kat die de dochter van gedaagden op Twitter heeft geplaatst. Zij hebben ook verklaringen van drie (voormalige) buurtbewoners overgelegd die hun standpunt ondersteunen dat de kat een zwerfkat was.

4.5.

Ook voor het feit dat gedaagden de kosten voor de dierenarts voor hun rekening hebben genomen hebben zij een plausibele verklaring gegeven door aan te voeren dat zij dit uit dierenliefde hebben gedaan en ook omdat hun dochter zeer gehecht was aan de kat. In dit verband heeft [eiser] zijn stelling dat gedaagden (en dus niet de dierenarts zelf) de beslissing hebben genomen om de kat in te laten slapen niet onderbouwd, gelet op het verweer van gedaagden dat de dierenarts hen had gebeld met de mededeling ‘We laten hem inslapen’.

4.6.

Uit het facebookbericht valt af te leiden dat er tussen de familie [gedaagde 1] en de kat een band bestond (hetgeen gedaagden ook niet betwisten), maar het facebookbericht biedt geen, dan wel onvoldoende, aanknopingspunten om daaruit te concluderen dat gedaagden ook houder/bezitter van het dier waren. Het feit dat de kat vlak voor de botsing met [eiser] richting het huis van gedaagden zou zijn gerend alsmede de stelling dat [gedaagde 2] zich eerst om de kat zou hebben bekommerd alvorens [gedaagde 1] zich over [eiser] ontfermde, is evenmin voldoende om daaruit af te leiden dat gedaagden houders/bezitters van de kat zouden zijn geweest. Ook de door [eiser] overgelegde verklaring van [persoon 2] dat zij een bericht op Facebook heeft gezien waarin een vrouw zou hebben verklaard dat het ‘haar kat’ betrof (zie r.o. 2.6.), is te vaag om deze conclusie te kunnen trekken, gelet op het feit dat [persoon 2] zich in haar verklaring de naam van de desbetreffende vrouw niet kan herinneren.

4.7.

Gelet op het voorgaande worden gedaagden naar verkeersopvatting en/of op grond van uiterlijke feiten (zowel afzonderlijk als in onderling verband bezien) niet als houders/bezitters van de kat in de zin van artikel 3:108 BW aangemerkt. Van aansprakelijkheid van gedaagden op grond van artikel 6:179 BW voor de als gevolg van het ongeval door [eiser] geleden en nog te lijden schade is dan ook geen sprake. Onder verwijzing naar de Memorie van Antwoord (MvA 2, Boek 6, pagina 745) heeft [eiser] er in dit verband nog op gewezen dat vanuit het aspect van slachtofferbescherming “aansprakelijkheid in beginsel behoort te rusten op iemand die voor de benadeelde gemakkelijk als aansprakelijke is op te sporen en voor wie het ook als een voor de hand liggende maatregel kan worden beschouwd zich tegen het risico van deze aansprakelijkheid te verzekeren zo hij dit risico niet zelf wenst te dragen”. Dit moge juist zijn, maar dat betekent niet dat men aansprakelijk is voor de door het dier aangerichte schade wanneer men niet als houder/bezitter van het dier kan worden aangemerkt. De vordering van [eiser] zal dan ook worden afgewezen.

4.8.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiser] in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van gedaagden worden begroot op:

- griffierecht € 285,00

- salaris advocaat € 904,00 (2 punten × tarief II ad € 452,00 per punt)

Totaal € 1.189,00.

5 De beslissing

De rechtbank

wijst de vordering af,

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van gedaagden begroot op € 1.189,00,

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D. van Dooren en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2016.

2438/2457