Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:4851

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-06-2016
Datum publicatie
28-06-2016
Zaaknummer
5040934
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verstoorde arbeidsrelatie; geen contact onderhouden met wg tijdens en na voorlopige hechtenis, initiatieven steeds vanuit wg; geen herplaatsingsmogelijkheden binnen kleine onderneming; situatieve arbeidsongeschiktheid dus geen loondoorbetaling tot datum ontbinding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-0691
AR 2016/1837
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 5040934 HA VERZ 16-84

uitspraak: 21 juni 2016

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht,

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Rob Heijkoop Trading B.V.,

gevestigd te Dordrecht,

verzoekster,

gemachtigde: mr. G. Sarier,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [verweerder],

verweerder,

gemachtigde: mr. N. Roek.

Partijen worden hierna aangeduid als “RHT” en “[verweerder]”.

1 Het verloop van de procedure:

1.1

Van de volgende processtukken is kennisgenomen:

- het verzoekschrift, met bijlagen, ontvangen op 28 april 2016;

- het verweerschrift tevens (voorwaardelijk) verzoek, ontvangen op 19 mei 2016;

- de brief van mr. Sarier van 19 mei 2016 met aanvullende producties;

- de brief van mr. Roek van 24 mei 2016 met aanvullende producties;

- de ter zitting overgelegde pleitaantekeningen van de zijde van RHT en [verweerder].

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 mei 2016. RHT heeft zich laten vertegenwoordigen door de heer [A.], procuratiehouder, en mevrouw [P.], personeelszaken, bijgestaan door genoemde gemachtigde. [verweerder] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden door de griffier.

1.3

De datum van de uitspraak van de beschikking is bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

Aan genoemde processtukken kunnen de volgende feiten worden ontleend:

2.1

[verweerder], geboren op [geboortedatum] 1982, is sinds 8 november 2004 bij RHT in dienst, laatstelijk in de functie van magazijnmedewerker. Het loon van [verweerder] bedraagt

€ 1.925,00 bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag.

2.2

RHT handelt in motoronderdelen van scheepsdieselmotoren. Op dit moment heeft zij 17 werknemers in dienst, waaronder 2 magazijnmedewerkers.

2.3

Bij brief van 3 augustus 2015 heeft RHT [verweerder] een officiële waarschuwing gegeven wegens ongeoorloofd verzuim.

2.4

Op 24 augustus 2015 hebben mevrouw [P.] en [verweerder] een gesprek gehad waarbij aan de orde kwam dat problemen in de privésfeer de achtergrond vormden voor het verzuim. Afgesproken werd dat [verweerder] zijn werkgeefster op de hoogte zou blijven houden omdat de problemen nog niet waren opgelost.

2.5

Op 7 oktober 2015 belde de vriendin van [verweerder] naar RHT met de mededeling dat [verweerder] zich bij de politie had moeten melden en vermoedelijk in hechtenis was genomen. Bij brief van dezelfde dag heeft RHT [verweerder] verzocht aan te geven wanneer hij op het werk kon verschijnen. Tevens kondigde zij een loonstop aan omdat [verweerder] de bedongen werkzaamheden niet kon verrichten.

2.6

Op 9 november 2015 nam [verweerder] telefonisch contact met RHT op en op 20 november 2015 stuurde RHT een aangetekende brief naar [verweerder].

2.7

De strafzaak tegen [verweerder] diende op 7 januari 2016. Een medewerker van RHT woonde de zitting bij. [verweerder] heeft na de zitting gebeld naar RHT met de mededeling dat hij op vrije voeten was gesteld in afwachting van de uitspraak.

2.8

RHT heeft op 20 januari 2016 een brief gestuurd aan [verweerder] met de mededeling dat zij sinds 7 januari 2016 niets meer heeft vernomen van [verweerder] en uiterlijk 25 januari 2016 een reactie van hem verwachtte, bij uitblijven waarvan ziet zij zich genoodzaakt zou zien een beëindigingsprocedure op te starten.

2.9

Op 21 januari 2016 werd [verweerder] vrijgesproken door de rechtbank.

2.10

Op 26 januari 2016 belde [verweerder] met [P.] waarbij er een telefonische afspraak werd gemaakt voor 27 januari 2016. Op 27 januari 2016 spraken [verweerder] en [P.] af dat [verweerder] zich maandag 1 februari 2016 op het werk zou melden.

2.11

Op 1 februari 2016 hebben [verweerder], [P.] en de heer [A.] een gesprek gehad. De inhoud van dit gesprek is bevestigd in de brief van 2 februari 2016 van RHT aan [verweerder]. Deze brief luidt -voor zover relevant-:

"Wij hebben gesproken omtrent de situatie van de afgelopen maanden tijdens jouw detentie en het gebrek aan contact van jouw zijde op 1 telefoontje in november 2015 na.

In de tijd dat jij in detentie zat zijn jouw certificaten verlopen van jouw Heftruckrijbewijs en de veilige afzender.

Jij geeft zelf aan eerst te willen afwachten of dat er wel of niet in hoger beroep gegaan wordt door het OM alvorens je terugkeert bij RHT. Arjan heeft jou het advies gegeven om je Privé zaken op orde te brengen in de tussenliggende tijd.

Voordat je terug zou kunnen keren bij RHT moet jij eerst een nieuwe VOG (welke wij nodig hebben voor het veilig verzenden), een nieuwe cursus voor het heftruckrijbewijs en een nieuwe cursus voor veilige afzender volgen. Wij verwachten van jou dat jij al deze kosten zelf betaald. Jij gaf zelf aan dit geen probleem te vinden, je wilde er alles aan doen om terug te keren bij RHT. Al gaf jij zelf aan dat jij eigenlijk nog niet wist hoe.

Indien jij het niet ziet zitten terug te keren bij RHT dan zijn wij uiteraard bereid om met jou te zoeken naar een passende oplossing.

Wij horen graag a.s. vrijdag 5 februari naar aanleiding van de uitkomst van de Rechtbank op donderdag 4 februari 2016."

2.12

Op 8 februari 2016 heeft [verweerder] gebeld met RHT en op 9 februari 2016 heeft er een gesprek plaatsgevonden op het kantoor van RHT. Tijdens dit overleg is een beëindiging van de arbeidsovereenkomst besproken. [verweerder] is tot 11 februari 2016 bedenktijd gegeven. Op 11 februari 2016 heeft [verweerder] medegedeeld nog een dag bedenktijd nodig te hebben.

2.13

Op 15 februari 2016 heeft [verweerder] gebeld met RHT en aan RHT medegedeeld advies gevraagd te hebben, maar nog in afwachting te zijn van dit advies.

2.14

De gemachtigde van [verweerder] heeft Heijkoop op 24 februari 2016 een brief gestuurd met de navolgende -voor zover relevant- inhoud:

"[…]

De heer [verweerder] heeft zich na zijn vrijlating op 21 januari jl. gemeld voor werkhervatting. Op 1 februari jl. heeft een gesprek plaatsgevonden tussen u, mevrouw [P.] en mijn cliënt. U heeft in dat gesprek aangegeven dat het beter voor mijn cliënt zou zijn wanneer hij nog niet aan het werk zou gaan maar hij voor de psychische gevolgen ten gevolge van de (onterechte) detentie professionele hulp zou zoeken.

[…]

De situatie is nu als volgt voor de heer [verweerder]. Mijn cliënt is van oordeel dat hij arbeidsongeschikt is. Hij heeft zich heden, 24 februari, ziek gemeld bij u. Cliënt is op uw advies ook al onder behandeling. Helaas hebt u de heer [verweerder] niet voorgehouden dat zij zich ook beter ziek kon melden. De heer [verweerder] heeft van u begrepen dat hij zich niet mocht ziek melden.

Voorts is het zo dat mijn cliënt zich beschikbaar houdt voor arbeid en loonbetaling daarover claimt. Dit met ingang van 21 januari jl. Client is van oordeel dat hij ook werkzaamheden kan verrichten waarvoor de door u aangegeven certificaten niet nodig zijn. De heer [verweerder] bestrijdt de stelling dat hij zonder de certificaten niet zijn werk zou kunnen doen. De heer [verweerder] wil de benodigde certificaten op de kortst mogelijk termijn behalen. Dit voor zover zijn arbeidsongeschiktheid dit toelaat. De heer [verweerder] heeft al aangegeven dat hij op dit moment niet beschikt over de financiële middelen om dit te doen. Client stelt voor dat u de kosten daarvan voorlopig voor uw rekening neemt. Hierover kunnen nog nadere afspraken worden gemaakt.

Ik verzoek u mij per omgaande te bevestigen dat u met terugwerkende kracht de salarisbetaling zult hervatten en cliënt zult oproepen voor een consult bij de arbo-arts. […]"

2.15

Per brief van 9 maart 2016 heeft de gemachtigde van [verweerder] RHT om een reactie op haar brief van 24 februari 2016 gevraagd.

2.16

Op 1 april 2016 heeft de arbo-arts gesproken met [verweerder]. De arbo-arts concludeerde dat er aanwijzingen waren dat de reden voor de ziekmelding gelegen was in een gerezen arbeidsconflict. Met inachtneming van de STECR-richtlijnen werd een interventieperiode van 14 dagen ingelast. Tijdens deze periode dienden werkgever en werknemer in gesprek te gaan om het conflict op te lossen. De arbo-arts achtte [verweerder] per 15 april 2016 weer volledig arbeidsgeschikt.

2.17

Op 18 april 2016 hebben Heijkoop, [verweerder] en de gemachtigden een gesprek gevoerd dat niet tot een gewenst resultaat heeft geleid.

3 Het verzoek en het verweer op het tegenverzoek

3.1

Het verzoek strekt tot ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:671b juncto artikel 7:669 lid 1 en lid 3 aanhef en onder g, van het Burgerlijk Wetboek (BW) zonder inachtneming van de opzegtermijn en zonder toekenning van een vergoeding aan [verweerder] en met veroordeling van [verweerder] in de proceskosten.

3.2

Aan het verzoek legt RHT -verkort weergegeven- ten grondslag dat sprake is van een zodanig verstoorde arbeidsrelatie dat van RHT niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. [verweerder] was een gewaarschuwd man na

3 augustus 2015. Toch heeft hij tijdens, maar zeker na zijn detentie verzuimd contact te onderhouden met RHT. Pas op de zitting op 7 januari 2016 bleek dat [verweerder] verdacht werd van poging tot doodslag en openbare geweldpleging. Ook bleek [verweerder] een strafblad te hebben met diverse geweldsdelicten en verboden wapenbezit. Dit heeft er bij RHT ingehakt. Daarnaast zag RHT zich vanwege de langdurige afwezigheid van [verweerder] genoodzaakt haar bedrijfsvoering aan te passen. De werkzaamheden van [verweerder] zijn bij een andere werknemer ondergebracht. Ten slotte heeft [verweerder] toen hij vrij kwam niet zijn stinkende best gedaan zijn baan te behouden. Integendeel, hij heeft geruime tijd niets van zich laten horen en ook niets ondernomen om de inmiddels verlopen certificaten te halen. Het initiatief moest steeds van RHT komen. De ziekmelding is correct afgehandeld. De brief van 24 februari 2016 waarin dit stond is echter pas op 3 maart 2016 ontvangen. Inmiddels is sprake van een duurzaam verstoorde arbeidsrelatie.

RHT is een klein bedrijf. Binnen het bedrijf ligt herplaatsing in een andere passende functie binnen redelijke termijn niet in de rede.

RTH karakteriseert het handelen van [verweerder] als ernstig verwijtbaar handelen en zij meent dan geen transitievergoeding ad € 8.489,25 verschuldigd te zijn, noch hoeft er rekening gehouden te worden met de voor [verweerder] geldende opzegtermijn van drie maanden.

4 Het verweer en het tegenverzoek

[verweerder] voert -zakelijk weergegeven en voor zover van belang- het volgende aan. [verweerder] heeft tijdens zijn detentie geen mededelingen gedaan over de aard en de inhoud van het strafproces nu zijn advocaat hem dit had opgedragen. Daarnaast is [verweerder] hiertoe niet verplicht gelet op het privé karakter ervan. [verweerder] heeft direct na zijn vrijlating contact opgenomen en zich vanaf 26 januari 2016 beschikbaar gehouden zijn werkzaamheden te hervatten. Het is juist RHT geweest die erop aandrong dat [verweerder] eerst professionele hulp zocht voor zijn problemen in de privé sfeer en voor de problemen die de ten onrechte ondergane detentie veroorzaakt had en daarna onnodig belemmeringen opwierp voor een terugkeer op de werkvloer.

Op 24 februari 2016 heeft [verweerder] zich volgens de regels van het ziekteverzuimreglement ziek gemeld. Pas 6 weken later ontving hij een oproep voor de arbo-arts. RHT heeft op deze wijze [verweerder] in strijd met het goed werkgeverschap tegengewerkt in het kader van zijn reguliere ziektemelding.

Er is geen sprake van een verstoorde arbeidsverhouding, en als daar wel sprake van is, is deze veroorzaakt door de opstelling van RHT. Daarnaast komt het voor rekening en risico van RHT dat zij het werk van [verweerder] heeft laten opvullen door een collega.

Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst dient te worden afgewezen. RHT dient in dat geval te worden veroordeeld tot wedertewerkstelling van [verweerder], op straffe van een dwangsom van € 100,00 voor elke dag dat RHT in gebreke blijft. Nu [verweerder] zich vanaf 26 januari 2016 beschikbaar heeft gehouden voor het verrichten van werk is RHT hem loon verschuldigd vanaf die datum.

Bij een eventuele ontbinding van de arbeidsovereenkomst dient rekening te worden gehouden met een opzegtermijn van drie maanden.

Daarnaast heeft [verweerder] recht op een transitievergoeding van € 8.489,25, vermeerderd met de wettelijke rente indien betaling niet plaats vindt binnen een maand na einde arbeidsovereenkomst. [verweerder] maakt eveneens aanspraak op een billijke vergoeding van

€ 12.474,00 nu een ontbinding van de arbeidsovereenkomst te wijten is aan ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van RHT. Tevens dient [verweerder] binnen een maand na het einde van de arbeidsovereenkomst een schriftelijke deugdelijke netto/bruto specificatie te verstrekken van de transitievergoeding en de billijke vergoeding op straffe van een dwangsom van € 100,00 dag.

5 De beoordeling

5.1

Op grond van artikel 7:671 b lid 2 BW kan een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst slechts worden ingewilligd indien voldaan is aan de voorwaarden voor opzegging van de arbeidsovereenkomst, bedoeld in artikel 7:669 BW, en er geen opzegverbod geldt. Dat er sprake is van enig opzegverbod is niet gesteld of anderszins komen vast te staan.

5.2

RHT baseert haar vordering op een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van haar in redelijkheid niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

Hoewel (langdurige) voorlopige hechtenis op zichzelf geen grond is voor ontbinding, mede omdat gedurende die periode geen verplichting tot loondoorbetaling bestaat, is het toch mogelijk dat daardoor de situatie ontstaat waarbij partijen afscheid van elkaar moeten nemen. In het onderhavige geval staat vast dat [verweerder] -via zijn vriendin- op 7 oktober 2015 weliswaar melding gemaakt heeft van het feit dat hij opgepakt was, maar dat er daarna bijna een maand, te weten tot 9 november 2015, voorbij ging voor hij zelf contact op nam met RHT. Daarna heeft [verweerder] weer ruim acht weken niets van zich laten horen, terwijl een goed werknemer tekst en uitleg geeft en in elk geval contact blijft onderhouden met zijn werkgever. Deze moet immers weten waar hij aan toe is in verband met aanpassingen in de bedrijfsvoering. [verweerder] heeft niet aangevoerd dat hij tijdens de detentie niet in de gelegenheid was contact te hebben met RHT. Dat hij er, wellicht in overleg met zijn raadsman, voor gekozen heeft zijn werkgeefster niet bij zijn problemen te betrekken is zijn goed recht maar de keerzijde is wel dat hij RHT daarmee van zich heeft vervreemd. Blijkbaar meende hij ten onrechte vast te zitten – hij is tenslotte vrijgesproken – en niet valt in te zien waarom hij RHT niet wat meer bij de zaak heeft willen betrekken. In elk geval was de situatie waarbij tijdens de behandeling ter zitting op 7 januari 2016 de aard van de beschuldiging en Winklaars strafblad als een bom bij RHT insloegen vermeden.

Na zijn vrijlating in januari 2016 had van [verweerder] verwacht mogen worden dat hij, zoals RHT het uitdrukt, zijn stinkende best zou doen zijn baan te behouden. Dit is niet gebeurd. Weliswaar stelde [verweerder] RHT van zijn voorlopige invrijheidsstelling in kennis maar hij liet vervolgens wederom drie weken voorbij gaan waarin hij geen contact opnam. Uiteindelijk hadden partijen, en wel op initiatief van RHT op 26 januari 2016 contact. Dat [verweerder] zich toen beschikbaar heeft gesteld voor het verrichten van zijn werkzaamheden blijkt nergens uit. De lezingen over de gang van zaken daarna lopen enigszins uiteen. Hoe dit zij, onbegrijpelijk is dat [verweerder] geen werk heeft gemaakt van het alsnog behalen van de verlopen certificaten zodat hij weer door RHT ingezet kon worden want dat ze verlopen waren kwam voor zijn rekening en risico. In plaats daarvan meldde [verweerder] zich (uiteindelijk) ziek. Dit was voor RHT de druppel die de emmer deed overlopen. Er was volgens haar sprake van een arbeidsgeschil en zo oordeelde ook de bedrijfsarts. Na de interventieperiode van twee weken liep het gesprek op 18 april 2016 op niets uit omdat voor RHT de maat vol was en zij alle vertrouwen in een goed functionerende [verweerder] had verloren. Volgens [verweerder] valt het allemaal wel mee maar de kantonrechter is van oordeel dat er inmiddels sprake is van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat van RHT in redelijkheid niet gevergd kan worden deze te laten voortduren. Omdat er een redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst is, herplaatsing van [verweerder] binnen een redelijke termijn in een andere passende functie in de kleine onderneming van RHT niet in de rede ligt en niet mogelijk is, zal de verzochte ontbinding dan ook worden toegewezen.

5.3

De kantonrechter zal op grond van het bepaalde in artikel 7:671 b lid 8 onder a BW het einde van de arbeidsovereenkomst bepalen op 1 augustus 2016. Van de onder 7:671 b lid 8 onder b BW bepaalde afwijking is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake, getuige ook het feit dat RHT deze e-grond van artikel 7:669 lid 3 BW (ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door de werknemer) niet aan haar verzoek ten grondslag heeft gelegd.

5.4

Nu de kantonrechter voornemens is de arbeidsovereenkomst per 1 augustus 2016 te ontbinden, heeft [verweerder] onvoldoende belang om nog tot die datum tot zijn gebruikelijke werkzaamheden te worden toegelaten, indien RHT dit niet wenst. Dit verzoek zal worden afgewezen.

5.5

[verweerder] heeft verzocht hem een transitievergoeding toe te kennen. Uitgangspunt is dat [verweerder], indien de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever komt te eindigen, en de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd, zoals in dit geval, recht heeft op een transitievergoeding. Dit ligt anders wanneer het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. Daar is hier -zoals onder 6.4 overwogen- geen sprake van. RHT heeft de door [verweerder] gemaakte berekening niet weersproken zodat van de juistheid daarvan zal worden uitgegaan. RHT zal daarom worden veroordeeld tot betaling van een transitievergoeding van

€ 8.489,25 bruto. Met toepassing van artikel 7:686a lid 1 BW zal de gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding worden toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.

5.6

Ten aanzien van het verzoek van [verweerder] om hem een billijke vergoeding toe te kennen op grond van artikel 7:671b lid 8 onder c BW overweegt de kantonrechter het volgende. Een billijke vergoeding kan worden toegewezen indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Daar is in dit geval geen sprake van. Zoals op de zitting besproken, had RHT duidelijker kunnen zijn tegen [verweerder] door meer 'harde' grenzen te stellen. Een en ander leidt er echter niet toe dat haar daarvan een verwijt gemaakt kan worden, laat staan een ernstig verwijt.. Er is dan ook geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door RHT zodat er geen billijke vergoeding zal worden toegekend.

5.7

[verweerder] heeft voorts het verzoek gedaan RHT te veroordelen om aan hem te betalen het door RHT verschuldigde loon vanaf 26 januari 2016 tot het moment van rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst, vakantietoeslag over voormeld loon, wettelijke verhoging over deze bedragen en wettelijke rente over alle bedragen.

Uitgangspunt van de wetgever is dat de werkgever op grond van de arbeidsovereenkomst verplicht is de werknemer loon te betalen (artikel 7:616 BW), maar dat geen loon is verschuldigd voor de tijd gedurende welke de werknemer de bedongen arbeid niet heeft verricht (artikel 6:627 BW). Hierop is echter een uitzondering gemaakt voor de situatie dat de werknemer de overeengekomen arbeid niet heeft verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen. Daar is volgens [verweerder] sprake van nu hij zich sinds 26 januari 2016 beschikbaar zou hebben gehouden voor het verrichten van zijn werkzaamheden, maar RHT hem nimmer daartoe in staat heeft gesteld of daarvoor diverse belemmeringen opwierp, aldus [verweerder]. Anders dan [verweerder] meent, is de kantonrechter van oordeel dat hij geen enkele concrete en specifieke feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit kan komen vast te staan dat hij zich beschikbaar heeft gesteld voor het verrichten van werkzaamheden vanaf 26 januari 2016. Niet eerder dan bij brief van 24 februari 2016 is daarvan gebleken zodat de loonvordering over de periode van 26 januari tot 24 februari 2016 zal worden afgewezen.

Terwijl [verweerder] zich per 24 februari 2016 beschikbaar heeft gesteld voor het verrichten van zijn werkzaamheden, heeft hij zich per die datum ook ziek gemeld. Of deze ziekmelding correct is gegaan en of deze door RHT ontvangen en verwerkt is of niet kan in het midden blijven en wel om het volgende. De bedrijfsarts heeft geconcludeerd dat het verzuim van [verweerder] vermoedelijk zijn oorsprong vindt in een arbeidsconflict. De bedrijfsarts heeft een interventieperiode van twee weken voorgesteld, waarna [verweerder] weer arbeidsgeschikt zou zijn. Deze geschetste situatie wordt wel aangeduid als situatieve arbeidsongeschiktheid en hierop is artikel 7:629 BW van toepassing. [verweerder] heeft alleen recht op loondoorbetaling als die situatieve arbeidsongeschiktheid in redelijkheid voor rekening van RHT dient te komen. [verweerder] maakt RHT een aantal verwijten. Kort samengevat komen deze erop neer dat RHT [verweerder] heeft belet terug te keren op de werkvloer door hem dringend te verzoeken eerst zijn privé problemen op te lossen -onder de mededeling: de rest komt later wel- en door onredelijke eisen te stellen met betrekking tot de VOG en een tweetal certificaten. Zoals hiervoor overwogen heeft RHT [verweerder] wellicht teveel met fluwelen handschoenen aangepakt, maar de kantonrechter ziet niet in hoe dit een verwijt kan zijn dat ertoe leidt dat de situatieve arbeidsongeschiktheid voor rekening van RHT dient te komen. Daarnaast kan het RHT niet verweten worden dat [verweerder] is opgepakt en in detentie is gezet en dat [verweerder] daar zodanige problemen van ondervindt. Dat RHT wellicht te vroeg de eis stelt een nieuwe VOG te overleggen en dat zij niet heeft meegewerkt aan een financiële oplossing voor de kosten van de twee (herhalings)cursussen, is naar het oordeel van de kantonrechter ook onvoldoende haar het verwijt te kunnen maken dat de situatieve arbeidsongeschiktheid voor haar rekening dient te komen. De loonvordering over de periode vanaf 24 februari 2016 zal daarom worden afgewezen.

5.8

De gevorderde verstrekking van schriftelijke en deugdelijke netto/bruto specificatie betreffende de betaling van de transitievergoeding kan worden toegewezen bij gebreke aan een inhoudelijke betwisting daarvan.

De kantonrechter ziet geen aanleiding tot het toewijzen van een dwangsom nu daarvoor geen specifieke reden is gesteld door [verweerder], zodat dit deel van de vordering zal worden afgewezen.

5.9

Nu de kantonrechter voornemens is de ontbinding van de arbeidsovereenkomst uit te spreken op verzoek van RHT met de door [verweerder] verzochte transitievergoeding, zal RHT in de gelegenheid worden gesteld om haar verzoek in te trekken.

5.10

Gezien de aard en samenhang van de procedures en de gebleken omstandigheden van het geval, ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren zodat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

ten aanzien van het verzoek van RHT:

stelt partijen in kennis van het voornemen de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden per 1 augustus 2016,

stelt RHT in de gelegenheid om zijn verzoek in te trekken uiterlijk op 11 juli 2016 door middel van een schriftelijke verklaring ter griffie van de afdeling Civiel, kantonzaken, onder onverwijlde mededeling daarvan aan de wederpartij, en;

voor het geval RHT het verzoek niet intrekt:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 augustus 2016;

veroordeelt RHT om aan [verweerder] te betalen -onder afgifte van een deugdelijke bruto/netto specificatie- een bedrag van € 8.489,25 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd tot aan de dag van voldoening;

wijst het verzoek tot het toekennen van de billijke vergoeding af;

wijst de loonvordering af;

compenseert de kosten van de procedure zodat ieder der partijen de eigen kosten draagt;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.H. Poiesz en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

745