Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:4793

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-06-2016
Datum publicatie
24-06-2016
Zaaknummer
UTL-I-2013024151
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank verklaart de uitlevering aan de Turkse autoriteiten ontoelaatbaar wegens ongenoegzaamheid van de stukken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Lurisnummer: UTL-I-2013024151

Rekestnummer: 16/1703

Datum uitspraak: 23 juni 2016

Uitspraak

van de RECHTBANK ROTTERDAM, meervoudige kamer voor strafzaken op het verzoek van de Turkse autoriteiten tot uitlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie: [adres] ,

verder te noemen: de opgeëiste persoon,

raadsman: mr. H. Raza, advocaat te Rotterdam.

Procedure

De Turkse autoriteiten hebben bij brief van 23 juli 2013 aan het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken een verzoek tot uitlevering gedaan ter vervolging van de opgeëiste persoon. Het uitleveringsverzoek is gedateerd 28 maart 2013. Bij het uitleveringsverzoek zijn stukken overgelegd.

De minister van Veiligheid en Justitie heeft bij brief van 2 augustus 2013 het verzoek met de daarbij overgelegde stukken aan de hoofdofficier van justitie in dit arrondissement gezonden met het verzoek het uitleveringsverzoek in behandeling te nemen.

De officier van justitie heeft bij schriftelijke vordering van 9 augustus 2013, ter griffie ontvangen op 13 augustus 2013, gevorderd dat de rechtbank het uitleveringsverzoek in behandeling zal nemen en heeft een beslissing over de gevangenhouding van de opgeëiste persoon verzocht.

Op 31 januari 2014 heeft de rechtbank ter openbare zitting gehoord de officier van justitie mr. A.L. Hoekstra, de opgeëiste persoon alsmede zijn raadsman.

Bij tussenbeslissing van 14 februari 2014 heeft de rechtbank het onderzoek ter terechtzitting heropend.

Op 9 juni 2016 is het onderzoek op de openbare zitting voortgezet. Op deze zitting zijn gehoord de officier van justitie mr. J. Spaans, de opgeëiste persoon alsmede zijn raadsman.

Verzoek

De uitlevering wordt verzocht ten behoeve van een tegen de opgeëiste persoon ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan de invoer van een hoeveelheid verdovende of stimulerende middelen (heroïne) op 15 juni 2009 te Adana, Turkije.

Toepasselijk verdrag

Van toepassing is het Europees verdrag betreffende uitlevering (Trb. 1965, 9), verder te noemen het EUV.

Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat hij is de persoon genoemd en nader aangeduid in het uitleveringsverzoek en dat hij de Nederlandse en Turkse nationaliteit bezit. Nu er geen aanwijzingen zijn voor het tegendeel, gaat de rechtbank uit van de juistheid van die verklaring.

Genoegzaamheid van de stukken

Namens de opgeëiste persoon is op de zitting van 31 januari 2014 aangevoerd dat de bij het uitleveringsverzoek gevoegde documenten niet genoegzaam zijn. In deze stukken is niet omschreven welke betrokkenheid de opgeëiste persoon vermoedelijk zou hebben gehad bij het aldaar genoemde handelen in verdovende middelen. Om die reden dient het verzoek tot uitlevering te worden afgewezen.

Zoals de rechtbank in de tussenbeslissing van 14 februari 2014 heeft overwogen, dient het uitleveringsverzoek vergezeld te gaan van stukken en gegevens op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn uitlevering wordt verzocht. Tevens moet het op grond van die stukken en gegevens voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in het EUV en de Uitleveringswet (hierna: UW) geformuleerde vereisten, waaronder het specialiteitsbeginsel. Daartoe heeft de rechtbank in dit verband in haar tussenbeslissing het volgende opgemerkt:

  1. Uit de overgelegde stukken blijkt dat op 15 juni 2009 te Adana, Turkije door de Turkse autoriteiten 480 kilogram heroïne in beslag werd genomen. Deze heroïne bevond zich in een vrachtauto en was kennelijk vanuit het buitenland illegaal Turkije ingevoerd.

  2. Uit de stukken blijkt verder dat de Turkse autoriteiten de opgeëiste persoon in verband brengen met het “overbrengen van een deel van het in Nederland uit verkoop van verdovende middelen verkregen geld” naar Turkije.

Het is de rechtbank niet uit de stukken gebleken:

  • -

    wanneer de onder 2 genoemde handelingen hebben plaatsgevonden en

  • -

    op welke wijze de onder 2 genoemde handelingen in verband kunnen worden gebracht met de invoer van de onder 1 genoemde inbeslaggenomen hoeveelheid verdovende middelen.

Gelet daarop heeft de rechtbank het onderzoek op de terechtzitting heropend en de officier van justitie opgedragen aan de Turkse autoriteiten te verzoeken om nadere stukken over te leggen waaruit de tijdsbepaling, plaats en rol van de opgeëiste persoon bij de vermeende strafbare feiten blijkt.

De rechtbank heeft vervolgens de navolgende stukken ontvangen:

  1. een brief van 14 mei 2014 van de Rechtbank te Adana, Court of Original Jurisdiction, Adana Heavy Penal Court no. 1 aan het Turkse Openbaar Ministerie, met daarbij gevoegd de uitwerkingen van drie tapgesprekken, voorzien van een Engelse vertaling;

  2. een dossierverslag van de Turkse rechter van 1 oktober 2015, voorzien van een Engelse vertaling;

  3. een brief van 7 december 2015 van de Turkse rechter aan het Turkse openbaar ministerie, voorzien van een Engelse vertaling.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op de zitting van 9 juni 2016 op het standpunt gesteld dat de inhoud van deze stukken verschillende vragen oproept. Niet duidelijk is of de verdachte eerder aangehouden is geweest. Daarnaast roepen de aanvullende stukken vragen op met betrekking tot de proportionaliteit van de uitlevering. Tot slot heeft de officier van justitie de vraag opgeworpen in hoeverre de aanvullende informatie met zich meebrengt dat er mogelijke contra-indicaties voor de betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij het strafbare feit zijn, mede gelet op de beoordeling van de dubbele strafbaarheid van enige deelnemingsvorm. Hij heeft daarom verzocht om het onderzoek op de terechtzitting wederom aan te houden voor het opvragen van aanvullende informatie met betrekking tot die vragen. Hierbij merkt de officier van justitie nog op dat ingeval de uitlevering op basis van de thans voorhanden zijnde stukken ontoelaatbaar zou worden verklaard, de Turkse autoriteiten middels een rechtshulpverzoek een verhoor van de opgeëiste persoon kunnen vragen bij de rechter-commissaris in strafzaken te Rotterdam, welk verhoor zij gelet op de aanvullende stukken kennelijk wenselijk achten.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft op de zitting van 9 juni 2016 gepersisteerd bij zijn standpunt dat het verzoek tot uitlevering dient te worden afgewezen wegens ongenoegzaamheid van de stukken. Ook in de aanvullende stukken van de Turkse autoriteiten is niet omschreven welke betrokkenheid de opgeëiste persoon vermoedelijk zou hebben gehad bij het in het uitleveringsverzoek omschreven feit. Deze stukken bevatten juist contra-indicaties voor zijn betrokkenheid daarbij en tevens voor de proportionaliteit van de uitlevering. Er is voorts niet voldaan aan de eis van de dubbele strafbaarheid nu de verdenking hoogstens zou kunnen zien op het witwassen van geld, maar niet op de handel in verdovende middelen.

In verband met de tijd die zal zijn gemoeid bij het wederom opvragen van aanvullende informatie, verzoekt de raadsman het door de officier van justitie gedane aanhoudingsverzoek af te wijzen.

Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat de inhoud van de aanvullende stukken van de Turkse autoriteiten de vragen van de rechtbank niet heeft beantwoord. De rechtbank overweegt daarover het volgende.

De brief van de Turkse rechter van 7 december 2015 aan het Turkse openbaar ministerie vermeldt dat de opgeëiste persoon is gearresteerd, terwijl hij bezig was met het overbrengen van geld (‘transferring money’). Concrete gegevens daarover, waaronder de datum waarop dit plaatsvond, zijn niet opgenomen. Tevens roept dit vragen op, omdat in het uitlevingsverzoek juist is vermeld dat de (mede)verdachten nog niet konden worden aangehouden en de rechtbank Adana - blijkens het bij het uitleveringsverzoek gevoegde bevel tot aanhouding - op 20 september 2012 een bevel tot aanhouding van de opgeëiste persoon heeft uitgevaardigd.

Andere, meer concrete gegevens over het overbrengen van geld door de opgeëiste persoon ontbreken. De overgelegde tapverslagen zijn in dit verband ontoereikend, zoals al blijkt uit de conclusie die de Turkse rechter daar zelf aan verbindt in zijn brief van 7 december 2015: “The phone calls concerning transferring money did not include any content about transferring money for the purpose of narcotics traffic” (de telefoongesprekken met betrekking tot het vervoeren van geld bevatten geen informatie over het overbrengen van geld dat bestemd is voor de drugshandel). Volgens de Turkse rechter is er tegen hem geen ander bewijs.

De rechtbank is van oordeel dat in de stukken voor de door haar aan te leggen toets onvoldoende concreet is beschreven op welke wijze het overbrengen van geld in verband zou staan met de invoer van de genoemde inbeslaggenomen hoeveelheid verdovende middelen (de 480 kilogram heroïne).

De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat ook in de aanvullende stukken de tijdsbepaling, plaats en rol van de opgeëiste persoon bij het in het uitleveringsverzoek omschreven feit (de invoer van de verdovende middelen) onvoldoende genoegzaam zijn omschreven. Ook wanneer deze stukken in samenhang worden bezien met de inhoud van het uitleveringsverzoek en de daarbij gevoegde stukken, moet worden geconcludeerd dat de stukken ongenoegzaam zijn.

De rechtbank ziet geen aanleiding om het onderzoek op de terechtzitting wederom aan te houden voor het verkrijgen van nieuwe aanvullende informatie. Het daartoe gedane verzoek van de officier van justitie wordt daarom afgewezen. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat de uitleveringsprocedure al bijna drie jaar loopt en het strafbare feit dat in het uitleveringsverzoek wordt genoemd reeds bijna zeven jaar geleden zou zijn gepleegd.

Ook heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat er in Turkije kennelijk (inmiddels) een zekere ambivalentie bestaat tegenover de uitlevering, waarbij de rechtbank wederom aanhaalt hetgeen de Turkse rechter schijft: “Accordingly, we request from you to evaluate the extradition of the person. If his extradition is not seen appropriate, please send his address in the Netherlands to our Court in order to take his defense-statement by judicial assistance”.

Slotsom

Nu ten aanzien van het feit ter zake waarvan de uitlevering ter strafvervolging tot tenuitvoerlegging wordt verzocht, niet is bevonden dat aan alle daarvoor in de wet en het toepasselijk verdrag gestelde eisen is voldaan, dient de gevraagde uitlevering ontoelaatbaar te worden verklaard.

Toepasselijke artikelen

De beslissing is gegrond op de artikelen 1, 2 en 12 van het EUV en op de artikelen 2, 5, 18 en 26 van de UW.

Beslissing

De rechtbank:

VERKLAART ONTOELAATBAAR de uitlevering aan Turkije van [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] , ter strafvervolging van het feit omschreven in het hiervoor genoemde uitleveringsverzoek.

Deze beslissing is genomen door:

mr. L.C. van Walree, voorzitter,

mrs. S. Jordaan en A.M. van der Leeden, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.K. van Zanten, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 juni 2016.

De jongste rechter is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.