Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:4788

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-06-2016
Datum publicatie
14-03-2018
Zaaknummer
ROT 15/4524
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

44 zw

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Zittingsplaats Dordrecht

Team Bestuursrecht 3

zaaknummer: ROT 15/4524

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juni 2016 in de zaak tussen

[eiseres] , te Alblasserdam, eiseres,

gemachtigde: mr. C. van der Steen,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,

gemachtigde: S. Barto.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

[werknemer] , te Capelle aan den IJssel.

Procesverloop

Bij besluit van 16 maart 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) van [werknemer] (ex-)werknemer bij eiseres (hierna: werknemer) met ingang van 10 maart 2015 geschorst.

Bij besluit van 15 juni 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van werknemer gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en beslist dat de schorsing van de ZW-uitkering per 10 maart 2015 wordt ingetrokken.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2016. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Derde-partij is verschenen en verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

De rechtbank legt aan deze uitspraak de volgende feiten ten grondslag.

1.1.

Werknemer is op 23 december 2013 uitgevallen voor zijn werk als pijpfitter bij zijn toenmalige werkgever [werkgever 1] Bij besluit van 27 januari 2014 heeft verweerder vastgesteld dat het dienstverband door deze ziekmelding per 23 december 2013 is verbroken en heeft verweerder werknemer met ingang van 25 december 2013 een ZW-uitkering toegekend.

1.2.

Nadat verweerder aanvankelijk bij besluit van 16 september 2014 de ZW-uitkering had ingetrokken, heeft verweerder in een beslissing op het bezwaar van werknemer van 14 januari 2015 en in een beslissing van 16 januari 2015 op het bezwaar van [werkgever 1] tegen een voorgenomen besluit het bezwaar van werknemer gegrond verklaard en de intrekking van de uitkering ongedaan gemaakt.
Bij besluit van 3 maart 2015 heeft verweerder na één jaar arbeidsongeschiktheid de ZW-uitkering van werknemer voortgezet. Een bezwaar hiertegen van eiseres is bij besluit van 21 april 2015 niet-ontvankelijk verklaard, omdat de eerste ziektedag op basis waarvan de uitkering wordt verstrekt 23 december 2013 is gelegen voor het tijdstip waarop werknemer in dienst kwam bij eiseres.

2.1.

Inmiddels hadden werknemer en eiseres op 4 augustus 2014 een fase 1/2-uitzendovereenkomst getekend op basis waarvan werknemer met ingang van 5 augustus 2014 werkzaamheden als pijpfitter is gaan verrichten. De inkomsten uit dit dienstverband zijn op de ZW-uitkering, voortvloeiend uit het dienstverband bij [werkgever 1] , in mindering gebracht.

2.2.

Het dienstverband tussen werknemer en eiseres is per 14 november 2014 beëindigd. Werknemer heeft zich met ingang van 17 november 2014 ziek gemeld.

2.3.

Verweerder heeft daarop aan werknemer een ZW-uitkering verstrekt voortvloeiend uit het dienstverband bij eiseres. Deze uitkering is in mindering gebracht op de ZW-uitkering uit het dienstverband met NBW.

3.1.

Verweerder heeft bij het primaire besluit van 16 maart 2015 werknemers ZW-uitkering met ingang van 10 maart 2015 geschorst. Hierbij is overwogen dat het onduidelijk is of er nog recht op ZW-uitkering namens de Eigen Risicodrager (de rechtbank begrijpt: eiseres) bestaat, omdat beoordeeld is dat de oorspronkelijke eerste ziektedag gelegen is voor de aanvang van het dienstverband op 5 augustus 2014.

3.2.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van werknemer gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en beslist dat de schorsing van de ZW-uitkering per 10 maart 2015 wordt herroepen.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat bij ieder nieuw dienstverband een nieuwe ZW-verzekering ontstaat. Artikel 44, van de ZW, (arbeidsongeschikt bij aanvang dienstverband) bestaat al enige jaren niet meer.
Het gegeven dat een werknemer al een ZW-uitkering ontving bij aanvang van een nieuw dienstverband houdt volgens verweerder niet in dat er geen tweede of derde ZW-uitkering kan worden toegekend. Per arbeidsverhouding moet worden beoordeeld of er sprake is van verzekeringsplicht. Of er sprake is van verzekeringsplicht wordt beoordeeld op basis van alle feiten en omstandigheden van de arbeidsovereenkomst. Verweerder is van mening dat door de fase 1/2-uitzendovereenkomst met eiseres er voor werknemer een nieuwe verzekering is ontstaan, waaruit zelfstandig rechten zijn ontstaan.
Nu werknemer de werkzaamheden bij eiseres van 4 (lees 5) augustus 2015 tot en met 15 november 2014 heeft verricht, ruim drie maanden, en eiseres niet te kennen heeft gegeven dat sprake is geweest van minder of onvoldoende functioneren kan volgens verweerder niet gesproken worden van een mislukte werkhervatting.

Daarbij acht verweerder het van belang dat werknemer heeft aangegeven dat de werkzaamheden bij eiseres lichter waren dan zijn werkzaamheden als pijpfitter bij zijn voormalige werkgever [werkgever 1] . Verweerder heeft eiseres gevraagd hierop te reageren maar heeft geen reactie hierop ontvangen.

4. Eiseres heeft aangevoerd dat met het besluit van 21 april 2015 is komen vast te staan dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van werknemer gelegen is op 23 december 2013. Werknemer was op dat moment als pijpfitter werkzaam bij [werkgever 1] . Deze arbeid is zijn maatgevende arbeid op grond waarvan hem ZW-uitkering is toegekend en na de eerstejaars herbeoordeling is zijn ZW-uitkering voortgezet. Werknemer is per 5 augustus 2014 bij eiseres in dienst getreden, zodat zijn eerste arbeidsongeschiktheidsdag voor de datum indiensttreding ligt. Eiseres betoogt dat de tijd dat werknemer bij eiseres werkzaamheden heeft aangemerkt moet worden als een mislukte werkhervatting. De Centrale Raad van Beroep (de Raad) heeft aangegeven dat bij hervatten pas sprake is van “bestendige arbeid” indien dit zes maanden is volgehouden. Eiseres verwijst hierbij ook naar de wetsgeschiedenis van de Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters waaruit dit volgens haar valt af te leiden
Gelet hierop handhaaft eiseres het standpunt dat er wel sprake van een mislukte werkhervatting.

Eiseres heeft subsidiair aangevoerd dat werknemer bij aanvang van zijn dienstverband bij eiseres al arbeidsongeschikt was. Zijn op 17 november 2014 ingetreden arbeidsongeschiktheid komt voort uit dezelfde ziekteoorzaak. Ook om deze reden dienen zijn werkzaamheden bij eiseres als mislukte werkhervatting aangemerkt te worden en dienen de kosten van zijn arbeidsongeschiktheid niet voor rekening van eiseres te komen.

Tevens heeft eiseres aangevoerd dat verweerder bij het besluit op bezwaar van 21 april 2015 heeft vastgesteld dat eiseres geen belanghebbende is bij de eerstejaars herbeoordeling. Eiseres is van mening dat de ZW-uitkering ook om deze reden niet aan eiseres kan worden toegerekend.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1.

Voor zover eiseres (subsidiair) heeft gesteld dat, nu gebleken is dat werknemer bij aanvang van zijn werkzaamheden bij eiseres al arbeidsongeschikt was, geen aanspraak kan worden gemaakt op een ZW-uitkering voortvloeiend uit het dienstverband tussen werknemer eiseres, volgt de rechtbank verweerder in het standpunt dat artikel 44, van de ZW, (arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering) per 1 januari 2011is vervallen.

5.2.

Zoals de Centrale Raad van Beroep heeft overwogen in zijn uitspraak van 20 juni 2007 (ECLI:NL:CRVB:2007:BA 8206) is bij beantwoording van de vraag of sprake is van mislukte werkhervatting aan de orde of het is gekomen tot een volwaardige uitoefening van de nieuwe functie. Daarbij acht de rechtbank van belang of de essentie van de aard van de werkzaamheden en de daaruit voortvloeiende belasting (goed) zijn onderzocht en beschreven.
Verweerder heeft zelf geen onderzoek gedaan naar het al dan niet geschikt zijn van werknemer voor het werk van pijpfitter zoals dat is verricht bij eiseres. Verweerder is er op basis van de verklaringen van werknemer vanuit gegaan dat het werk bij eiseres door andere werkomstandigheden ander werk was dan het “eigen” werk bij [werkgever 1] . Werknemer werkte in een loods, en niet meer op locatie, hoefde geen tilwerk te verrichten en van overwerk, in ieder geval in het begin, was geen sprake.

5.3.

Daargelaten de vraag of het werk bij eiseres door de andere werkomstandigheden dan bij [werkgever 1] ander “eigen werk” is geworden is naar het oordeel van de rechtbank niet aangetoond dat door de wijziging van de werkomstandigheden het werk bij eiseres voor de werknemer als pijpfitter zoveel lichter is geworden dat daardoor de aard van de werkzaamheden en de daaruit voortvloeiende belasting zijn veranderd.

In het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 25 februari 2015, uitgebracht ten behoeve van de eerstejaars-ziektebeoordeling heeft deze als de meest relevante functiebelasting van een pijpfitter omschreven: intensief hand- en vingergebruik, knijpen/grijpen maar ook fijnere motoriek (…).
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet aangetoond dat deze meest kenmerkende functiebelasting in het werk bij eiseres niet aan de orde was.
Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 14 januari 2015, ook uitgebracht ten behoeve van de eerstejaars-ziektebeoordeling, mede op basis van informatie uit 2013 van een behandelend chirurg (: diagnose CMC1 artrose rechts ) en eigen onderzoek in januari 2015 geobjectiveerde beperkingen vastgesteld aan de rechterduim, knijpen en hanteren van zwaar gereedschap. Gezien het handbelastend werk van werknemer en de geobjectiveerde afwijkingen is hij niet geschikt voor het werk, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
De door eiseres ingeschakelde medisch adviseur [H] heeft in zijn rapport van 10 september 2015 vermeld dat werknemer in ieder geval vanaf januari 2012 bekend is met slijtage van de rechterduim. Vanaf 12 november 2012 werd werknemer arbeidsongeschikt beschouwd. Ondanks dat hij niet hersteld is verklaard voor het werk als pijpfitter is hij in maart 2013 weer gaan werken als pijpfitter en is vervolgens op 23 december 2013 weer uitgevallen. Daarna is hij, aldus de medische adviseur, met ingang van 4 augustus 2014 gaan werken in een lichtere, aangepaste functie van pijpfitter. Helaas bleek dat werk ook te zwaar. Betrokkene heeft klachten van slijtage. Deze klachten worden in het algemeen in de loop der jaren slechter en niet beter.

5.4.

Gelet op de kenmerkende functiebelasting en de geconstateerde beperkingen, is de rechtbank dan ook van oordeel dat uitval van werknemer in het werk bij eiseres op kortere of op langere termijn viel te verwachten. Dat werknemer van 5 augustus 2014 tot 20 november 2014 de werkzaamheden heeft verricht is dan ook onvoldoende redengevend om te kunnen oordelen dat geen sprake is van een mislukte werkhervatting.
Het bestreden besluit is dan ook niet deugdelijk gemotiveerd en aldus genomen in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd.
De rechtbank ziet geen mogelijkheid om, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, zelf in de zaak te voorzien nu het een beslissing op het bezwaar van werknemer tegen een schorsing van zijn uitkering betreft. Wel zal zij verweerder, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, onder b. onder b, een termijn stellen voor het nemen van een nieuw besluit, met inachtneming van deze uitspraak, op het bezwaar van werknemer en zo nodig een nieuwe besluit te nemen ten aanzien van de uitkering van werknemer.

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.483,65 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496,- en wegingsfactor 1 en € 491,65 voor de gemaakte kosten van het overgelegde rapport van medisch adviseur Hofman).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder binnen zes weken nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden een nieuwe beslissing op het bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 331,00 vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.483,65, te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.C. Prins, rechter, in aanwezigheid van

G.J. Machwirth, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.