Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:4667

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-06-2016
Datum publicatie
15-07-2016
Zaaknummer
ROT 15/7329
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft het verzoek van eiseres in de zin van artikel 36, eerste lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp), om al haar brieven en verstrekte informatie over een ingediende klacht te verwijderen uit de registratiesystemen van het Landelijk Meldpunt Zorg (LMZ) en de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ), afgewezen. De rechtbank acht het gedurende tien jaar bewaren van de persoonsgegevens op beide locaties in strijd met het bepaalde in artikel 11, eerste lid, van de Wbp. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het feit dat verweerder eiseres niet heeft geïnformeerd dat haar gegevens gedurende tien jaar zullen worden bewaard in verband met eventuele toekomstige meldingen, tot gevolg heeft dat het bewaren van deze gegevens een verwerking is in strijd met de artikelen 6 en 33 van de Wbp. Bovendien heeft verweerder de persoonsgegevens van eiseres verwerkt in strijd met het verbod van artikel 16 van de Wbp op verwerking van bijzondere persoonsgegevens. De uitzonderingsbepaling van artikel 21, eerste lid, aanhef en onder f, onder 1°, van de Wbp is niet van toepassing. Uit de tekst volgt dat het moet gaan om de uitvoering van wettelijke voorschriften die voorzien in aanspraken die afhankelijk zijn van de gezondheidstoestand van de betrokkene. Mede gelet op de toelichting in de MvT (pagina’s 113-114) ziet deze bepaling op de verwerking van gegevens omtrent gezondheid in de sfeer van de sociale zekerheid, zoals aanspraken op uitkeringen, verstrekkingen of voorzieningen in verband met de gezondheidstoestand van de betrokkene. Daarvan is in onderhavig geval geen sprake. De verwerking van persoonsgegevens is derhalve in strijd met wettelijke voorschriften, hetgeen op grond van artikel 36, eerste lid, van de Wbp een grondslag vormt voor verwijdering van de persoonsgegevens, zoals door eiseres is verzocht. Verweerder heeft het verzoek van eiseres dan ook niet mogen afwijzen. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien.

Wetsverwijzingen
Wet bescherming persoonsgegevens
Wet bescherming persoonsgegevens 1
Wet bescherming persoonsgegevens 6
Wet bescherming persoonsgegevens 11
Wet bescherming persoonsgegevens 16
Wet bescherming persoonsgegevens 21
Wet bescherming persoonsgegevens 33
Wet bescherming persoonsgegevens 36
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GJ 2016/109
JBP 2016/54

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummer: ROT 15/7329

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juni 2016 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

en

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder,

gemachtigden: drs. M. Kloosterman en H. Steehouwer.

Procesverloop

Verweerder heeft bij besluiten van 13 april 2015 en 9 juli 2015 (primaire besluiten) het verzoek van eiseres om al haar brieven en verstrekte informatie over een ingediende klacht te verwijderen uit de registratiesystemen van het Landelijk Meldpunt Zorg (LMZ) en de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ), afgewezen.

Bij besluit van 9 oktober 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2015. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiseres heeft op 29 december 2014 een klacht ingediend bij de IGZ over de behandeling door een fysiotherapeut en de afhandeling van haar klacht tegen de fysiotherapeut door de klachtencommissie. De IGZ heeft deze klacht, door de IGZ aangeduid als melding, doorgestuurd naar het LMZ. Op verzoek van het LMZ heeft eiseres vervolgens ter onderbouwing van haar klacht diverse schriftelijke stukken toegestuurd aan het LMZ en tevens telefonisch nadere informatie aan het LMZ verstrekt. Op 5 februari 2015 heeft de IGZ eiseres bericht dat haar klacht niet in behandeling wordt genomen, omdat de klachtencommissie de klacht tegen de fysiotherapeut procedureel correct had behandeld.

2. Eiseres heeft bij brief van 18 februari 2015 verzocht om alle brieven en alle informatie die zij heeft opgestuurd, zowel bij de IGZ als bij het LMZ in het geheel te vernietigen. Eiseres heeft bezwaar tegen het bewaren van enige informatie.

3. Verweerder heeft het verzoek van eiseres aangemerkt als een verzoek in de zin van artikel 36, eerste lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Dit is door eiseres niet bestreden. Verweerders beslissing op een dergelijk verzoek is op grond van het bepaalde in artikel 45 van de Wbp een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. In geschil is of verweerder heeft mogen weigeren de persoonsgegevens van eiseres te verwijderen.

4. Op grond van artikel 1, aanhef en onder b, van de Wbp, wordt verstaan onder verwerking van persoonsgegevens: elke handeling of elk geheel van handelingen met betrekking tot persoonsgegevens, waaronder in ieder geval het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiding of enige andere vorm van terbeschikkingstelling, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van gegevens.

Op grond van artikel 6 van de Wbp worden persoonsgegevens in overeenstemming met de wet en op behoorlijke en zorgvuldige wijze verwerkt.

Op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wbp, worden persoonsgegevens slechts verwerkt voor zover zij, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verzameld of vervolgens worden verwerkt, toereikend, ter zake dienend en niet bovenmatig zijn.

Op grond van artikel 16 van de Wbp is de verwerking van persoonsgegevens betreffende iemands godsdienst of levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, gezondheid, seksuele leven, alsmede persoonsgegevens betreffende het lidmaatschap van een vakvereniging verboden behoudens het bepaalde in deze paragraaf (artikelen 16 tot en met 24 van de Wbp).

Op grond van artikel 21, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wbp, is het verbod om persoonsgegevens betreffende iemands gezondheid te verwerken als bedoeld in artikel 16, niet van toepassing indien de verwerking geschiedt door bestuursorganen, pensioenfondsen, werkgevers of instellingen die te hunnen behoeve werkzaam zijn voor zover dat noodzakelijk is voor:

1°. een goede uitvoering van wettelijke voorschriften, pensioenregelingen of collectieve arbeidsovereenkomsten die voorzien in aanspraken die afhankelijk zijn van de gezondheidstoestand van de betrokkene of

2°. de reïntegratie of begeleiding van werknemers of uitkeringsgerechtigden in verband met ziekte of arbeidsongeschiktheid.

Artikel 33, eerste lid, van de Wbp bepaalt dat, indien persoonsgegevens worden verkregen bij de betrokkene, de verantwoordelijke vóór het moment van de verkrijging de betrokkene de informatie meedeelt, bedoeld in het tweede en derde lid, tenzij de betrokkene daarvan reeds op de hoogte is.

Het tweede lid bepaalt dat de verantwoordelijke de betrokkene zijn identiteit meedeelt en de doeleinden van de verwerking waarvoor de gegevens zijn bestemd.

Het derde lid bepaalt dat de verantwoordelijke nadere informatie verstrekt voor zover dat gelet op de aard van de gegevens, de omstandigheden waaronder zij worden verkregen of het gebruik dat ervan wordt gemaakt, nodig is om tegenover de betrokkene een behoorlijke en zorgvuldige verwerking te waarborgen.

Op grond van artikel 36, eerste lid, van de Wbp kan degene aan wie overeenkomstig artikel 35 kennis is gegeven van hem betreffende persoonsgegevens, de verantwoordelijke verzoeken deze te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen, of af te schermen indien deze feitelijk onjuist zijn, voor het doel of de doeleinden van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn dan wel anderszins in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt.

5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bewaren van de door eiseres verstrekte persoonsgegevens niet in strijd is met de bepalingen van de Wbp. Verweerder acht het bepaalde in artikel 21, eerste lid onder f, onder 1° van de Wbp van toepassing. De IGZ en het LMZ bewaren het dossier met de persoonsgegevens van eiseres, om de aan hen toebedeelde taken uit de gezondheidsrechtelijke wetgeving uit te voeren. Op grond van de Archiefwet en het Basisselectiedocument IGZ (BSD) wordt een dossier over een melding tot tien jaar na het afsluiten van de melding bewaard. Dit gebeurt met het oog op de behandeling van mogelijk latere meldingen over dezelfde zorgverlener. Daarnaast wordt de informatie uit de melding van eiseres geanonimiseerd meegenomen in het klachtbeeld van het LMZ. De informatie is dan niet herleidbaar naar eiseres. De bewaarde informatie is naar het oordeel van verweerder toereikend, ter zake dienend en niet bovenmatig voor de uitvoering van de taken door het LMZ en de IGZ.

6. Eiseres voert aan dat in het bestreden besluit onvoldoende rekening is gehouden met haar belangen en persoonlijke wensen over haar gegevens. Nu de IGZ haar klacht niet in behandeling heeft genomen vindt eiseres het vanwege haar privacy zeer ongewenst, onlogisch en onnodig om haar gegevens te bewaren bij de IGZ en het LMZ. Als het om mogelijke klachten in de toekomst gaat, moet het bewaren van de melding van de klacht voldoende zijn, en is het niet nodig om alle gegevens, die ook medische informatie over eiseres bevatten, te bewaren. Dat in regels is vastgelegd hoe lang documenten bewaard moeten blijven, betekent niet dat een verzoek om verwijdering daarom afgewezen moet worden. Eiseres heeft voorafgaand geen inlichtingen gekregen over de klachtprocedure en het bewaren van haar gegevens. Als dat vooraf aan haar bekend was gemaakt had zij een andere afweging kunnen maken.

7. De rechtbank stelt voorop dat verweerder is gehouden om persoonsgegevens te verwerken in overeenstemming met de vereisten van de Wbp, ongeacht de bepalingen in de Archiefwet en het beleid in het BSD. De verplichtingen op grond van de Archiefwet en het beleid op grond van het BSD zijn derhalve niet van toepassing voor zover die toepassing zou leiden tot strijd met de Wbp. Verweerder heeft dit ter zitting erkend. Het aanhalen van deze regelgeving in het bestreden besluit kan derhalve niet dienen als onderbouwing van verweerders standpunt dat de verwerking van persoonsgegevens in overeenstemming is met de Wbp.

8. Vast staat dat verweerder een dossier over een melding standaard gedurende tien jaar na afsluiting van een melding bewaart op twee locaties, te weten zowel bij de IGZ als bij het LMZ. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd geen verklaring kunnen geven waarom het nodig is om de dossiers op beide locaties bewaren. De rechtbank is van oordeel dat ook overigens niet aannemelijk is geworden dat het noodzakelijk is om de dossiers standaard op twee locaties te bewaren. Bovendien is door verweerder ter zitting erkend dat het gelet op het doel om jaarlijks een klachtbeeld te publiceren niet nodig is dat de persoonsgegevens door het LMZ standaard gedurende tien jaar worden bewaard. Gelet op voorgaande is het gedurende tien jaar bewaren van de persoonsgegevens op beide locaties in strijd met het bepaalde in artikel 11, eerste lid, van de Wbp.

9. De rechtbank overweegt voorts dat eiseres haar gegevens aan verweerder heeft verstrekt met als doel dat haar klacht zou worden onderzocht en behandeld door de IGZ. Door eiseres is onweersproken gesteld dat zij er bij het verstrekken van haar gegevens niet van op de hoogte was dat verweerder alle gegevens gedurende tien jaar zou bewaren. Ter zitting is namens verweerder erkend dat eiseres conform de informatieplicht van artikel 33 van de Wbp geïnformeerd had dienen te worden over het verwerken van haar gegevens. Verweerder verbindt hieraan echter niet de conclusie dat sprake is van verwerken van gegevens in strijd met een wettelijk voorschrift, op grond waarvan kan worden verzocht om de gegevens te verwijderen, zoals bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Wbp.

De rechtbank overweegt dat, door het niet of onvolledig informeren zoals vereist in artikel 33 van de Wbp, eiseres niet in de gelegenheid is gesteld om af te wegen of zij haar gegevens wilde verstrekken indien die standaard gedurende tien jaar zouden worden bewaard. Zoals volgt uit de tekst op pagina 149 van de Memorie van Toelichting bij de Wbp (Tweede Kamer, vergaderjaar 1997-1998, 25 892, nr. 3; hierna: MvT) vormt de informatieplicht van de artikelen 33 en 34 van de Wbp een uitwerking van het in artikel 6 neergelegde beginsel van “fair processing”: Behoudens uitzonderingen is de gegevensverwerking slechts “behoorlijk” in de zin van artikel 6, indien de betrokkene daarvan overeenkomstig de regels van de artikelen 33 en 34 op de hoogte wordt gebracht. Dit heeft volgens de MvT tot gevolg, dat overtredingen van de informatieplicht zullen leiden tot onrechtmatige verwerkingen. Anders dan verweerder is de rechtbank derhalve van oordeel dat het feit dat verweerder eiseres niet heeft geïnformeerd dat haar gegevens gedurende tien jaar zullen worden bewaard in verband met eventuele toekomstige meldingen, tot gevolg heeft dat het bewaren van deze gegevens een verwerking is in strijd met de artikelen 6 en 33 van de Wbp.

10. Bovendien is niet in geschil dat het hier gaat om de verwerking van persoonsgegevens betreffende iemands gezondheid, die vallen onder de bijzondere persoonsgegevens in de zin van paragraaf 2 van hoofdstuk 2 van de Wbp. Op grond van artikel 16 van de Wbp is de verwerking van bijzondere persoonsgegevens verboden behoudens het bepaalde in deze paragraaf. Verweerder stelt zich op het standpunt dat dit verbod niet van toepassing is gelet op het bepaalde in artikel 21, eerste lid, aanhef en onder f, onder 1°, van de Wbp. Zoals ter zitting is toegelicht, heeft verweerder verondersteld dat op grond van deze bepaling de verwerking van gezondheidsgegevens zou zijn toegestaan indien deze geschiedt door bestuursorganen, voor zover dat noodzakelijk is voor een goede uitvoering van wettelijke voorschriften. Deze veronderstelling van verweerder berust naar het oordeel van de rechtbank echter op een te beperkte en onjuiste lezing van de tekst van het artikellid. Uit de tekst volgt dat het moet gaan om de uitvoering van wettelijke voorschriften die voorzien in aanspraken die afhankelijk zijn van de gezondheidstoestand van de betrokkene. Mede gelet op de toelichting in de MvT (pagina’s 113-114) ziet deze bepaling op de verwerking van gegevens omtrent gezondheid in de sfeer van de sociale zekerheid, zoals aanspraken op uitkeringen, verstrekkingen of voorzieningen in verband met de gezondheidstoestand van de betrokkene. Daarvan is in onderhavig geval geen sprake. Naar het oordeel van de rechtbank is deze bepaling derhalve niet van toepassing op de verwerking door verweerder van de persoonsgegevens van eiseres. Verweerder had de persoonsgegevens eventueel alsnog mogen verwerken indien eiseres hiertoe uitdrukkelijk toestemming had gegeven, zoals bedoeld in artikel 23, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wbp. Gelet op hetgeen onder 9 is overwogen stelt de rechtbank vast dat eiseres die toestemming in ieder geval niet heeft verleend ten aanzien van het bewaren van de gegevens na afsluiting van de melding. Niet is gesteld of gebleken dat een andere uitzonderingssituatie van deze paragraaf zich voordoet op grond waarvan het verbod van artikel 16 niet van toepassing is. Verweerder heeft de persoonsgegevens van eiseres derhalve verwerkt in strijd met het verbod van artikel 16 van de Wbp.

11. Gelet op de voorgaande rechtsoverwegingen is sprake van verwerking van persoonsgegevens in strijd met wettelijke voorschriften, hetgeen op grond van artikel 36, eerste lid, van de Wbp een grondslag vormt voor verwijdering van de persoonsgegevens, zoals door eiseres is verzocht. Verweerder heeft het verzoek van eiseres dan ook niet mogen afwijzen. De rechtbank laat een verdere beoordeling of aan de overige vereisten voor verwerking op grond van de Wbp is voldaan, achterwege.

12. Het beroep is derhalve gegrond en het besluit dient te worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, omdat een nieuw te nemen besluit niet anders kan luiden dan dat het verzoek van eiseres wordt toegewezen. De rechtbank zal daarom bepalen dat de bezwaren gegrond worden verklaard en de primaire besluiten worden herroepen. De rechtbank zal verweerder opdragen om de persoonsgegevens van eiseres die bij de IGZ en het LMZ worden bewaard, te verwijderen binnen zes weken nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

13. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Conclusie

15. Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt. Verweerder moet de persoonsgegevens van eiseres die bij de IGZ en het LMZ worden bewaard verwijderen.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de bezwaren gegrond worden verklaard en de primaire besluiten van 13 april 2015 en 9 juli 2015 worden herroepen;

  • -

    draagt verweerder op om de persoonsgegevens van eiseres die bij de IGZ en het LMZ worden bewaard, te verwijderen binnen zes weken nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 167,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Flikweert, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Houtman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.