Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:4530

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-06-2016
Datum publicatie
17-06-2016
Zaaknummer
ROT 15/5653, ROT 15/6705, ROT 16/2350 en ROT 16/2353
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2017:481, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft een grote hoeveelheid beroepen ingesteld wegens niet tijdig beslissen. Naar aanleiding van een regiezitting heeft eiser de beroepen niet - zoals hem uitdrukkelijk was verzocht - uitgesplitst en per zaak gedocumenteerd, maar heeft hij grote stapels papier bij de griffie ingeleverd. Aan de hand van een aantal stukken en de eindzitting heeft de rechtbank het aantal onderwerpen/beroepen gefilterd. Voor zover geen sprake is van een aanvraag verklaart de rechtbank zich onbevoegd. De overige beroepen worden niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van recht dan wel het ontbreken van een ingebrekestelling. De uitspraak bevat twee hoger beroepsclausules.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummers: ROT 15/5653, ROT 15/6705, ROT 16/2350 en ROT 16/2353

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2016 in de zaken tussen

[Naam] , wonende te Schiedam, eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van Schiedam, verweerder.

Procesverloop

Bij brief van 7 september 2015 heeft eiser beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar tegen een e-mailbericht van S. Peters van 17 april 2015.

Bij brieven van 11 september 2015 heeft eiser tachtig genummerde beroepschriften ingediend wegens niet tijdig beslissen door “de Gemeente Schiedam”.

Bij brieven van 13 september 2015 heeft eiser nog enige beroepschriften ingediend wegens niet tijdig beslissen door “de Gemeente Schiedam”.

In een op 27 oktober 2015 bij de rechtbank ingediende brief van de toenmalige gemachtigde van eiser wordt gesproken over 121 brieven, waaronder 112 aanvragen bijzondere bijstand, waarop niet tijdig door verweerder is beslist.

Op 1 december 2015 heeft een regiezitting plaatsgehad. Eiser en zijn toenmalige gemachtigde mr. R. Zwiers zijn daar verschenen. Verweerder heeft zich tijdens die zitting laten vertegenwoordigen door mr. J.G.C. Franken, mr. F. van Heerwaarden en N. Fels. Eiser is op die zitting door de rechtbank een termijn vergund – die nadien is verlengd – om aan te geven hoeveel beroepszaken hij – mede met het oog op het heffen van griffierecht – wenst aan te leggen wegens niet tijdig beslissen door verweerder en per zaak aan te geven welke aanvraag daar aan ten grondslag ligt.

Eiser heeft vervolgens op verschillende tijdstippen een groot aantal documenten ingediend.

Omdat eerder een dossier met zaaknummer ROT 15/5653 was aangelegd inzake het beroepschrift van 7 september 2015 en in die zaak door de griffier griffierecht is geheven, heeft de griffier onder verwijzing naar artikel 8:41, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ter zake van de beroepschriften van 11 en 13 september 2015 aanvullend drie dossiers met (clusters) zaken aangelegd en nog drie maal griffierecht van eiser geheven. Eiser is een en ander bij griffiersbrief van 11 april 2016 meegedeeld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2016. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. van Heerwaarden en N. Fels.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft eiser diezelfde dag een nader stuk ingediend.

Overwegingen

1. De rechtbank ziet in de brief van eiser van 18 mei 2016, die is opgesteld en ingediend naar aanleiding van de zitting diezelfde dag, geen aanleiding het onderzoek te heropenen en zal daarom die brief ter zijde laten bij het doen van uitspraak. Uit een oogpunt van een goede procesorde acht de rechtbank het namelijk niet verantwoord om de zaken te heropenen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiser naar aanleiding van de regiezitting van 1 december 2015 meerdere malen een termijn is geboden voor het preciseren van zijn beroep(en) en dat eiser ter zitting ruimschoots in de gelegenheid is gesteld zijn beroepschriften toe te lichten en eiser van die gelegenheid ook gebruik heeft gemaakt. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat zij eiser ter zitting er op heeft gewezen dat na ommekomst van de zitting binnengekomen stukken niet zullen worden meegenomen en dat de brief van eiser van 18 mei 2016 geen nieuw licht op de zaken werpt.

2.1.

Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) luidt – voor zover hier van belang – als volgt:


“Artikel 13

1 Degene aan wie een bevoegdheid toekomt, kan haar niet inroepen, voor zover hij haar misbruikt.

2 Een bevoegdheid kan onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.

(…)

Artikel 15

De artikelen 11-14 vinden buiten het vermogensrecht toepassing, voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet.”

2.2.

De Awb luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“Artikel 1:3

1 Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

(…)

3 Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.

Artikel 4:17

1 Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.

2 De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 20 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 30 per dag en de overige dagen € 40 per dag.

3 De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

(…)

6 Geen dwangsom is verschuldigd indien:

a. het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld,

b. de aanvrager geen belanghebbende is, of

c. de aanvraag kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is.

(…)

Artikel 6:2

Voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep worden met een besluit gelijkgesteld:

a. de schriftelijke weigering een besluit te nemen, en

b. het niet tijdig nemen van een besluit.

Artikel 6:5

1 Het bezwaar- of beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

(…)

c. een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar of beroep is gericht;

(…)

2 Bij het beroepschrift wordt zo mogelijk een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft, overgelegd.

(…)

Artikel 6:6

Het bezwaar of beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard, indien:

a. niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep (…)

Artikel 6:12

1 Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit dan wel het niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege verleende beschikking, is het niet aan een termijn gebonden.

2 Het beroepschrift kan worden ingediend zodra:

a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen of een van rechtswege verleende beschikking bekend te maken, en

b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

(…)

Artikel 8:3

(…)

2 Geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling.

Artikel 8:55c

Indien het beroep gegrond is, stelt de bestuursrechter desgevraagd tevens de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 verbeurde dwangsom vast. De artikelen 611c en 611g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 9:3

Tegen een besluit inzake de behandeling van een klacht over een gedraging van een bestuursorgaan kan geen beroep worden ingesteld.”

2.3.

In artikel 6, eerste lid van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) is bepaald dat het bestuursorgaan op het verzoek om informatie zo spoedig mogelijk beslist, doch uiterlijk binnen vier weken gerekend vanaf de dag na die waarop het verzoek is ontvangen.

3. Eiser heeft zich in de stukken en ter zitting op het standpunt stelt dat verweerder zich schuldig maakt aan het niet tijdig nemen van een besluit indien verweerder niet tijdig reageert op welke vraag van eiser dan ook en dat verweerder in dat geval per verzoek om een antwoord een dwangsom is verschuldigd wegens niet tijdig beslissen. Voorts heeft eiser verklaard dat zijn handelwijze is ingegeven doordat hij met het innen van vele dwangsommen zijn inkomen op een zodanig niveau kan brengen dat hij daarmee in de noodzakelijke bestaanskosten kan voorzien. Volgens eiser schiet de hem toegekende bijstand daarin tekort. Verweerder is ter zake van meer dan honderd (aan)vragen van eiser inmiddels de maximale dwangsom van € 1.260,- per (aan)vraag verschuldigd wegens niet tijdig reageren, aldus eiser.

4. De rechtbank ziet aanleiding hierna de vele beroepszaken per onderwerp of clusters onderwerpen – welke indeling gelet op de vele onderwerpen waarop de beroepen (mogelijk) zien, niet noodzakelijk samen hoeft te vallen per aangemaakt dossier – te bespreken. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat zij met betrekking tot de beroepschriften die zijn ingediend bij de brieven van 7, 11 en 13 september 2015 en zoals die met de nadere stukken van eiser al dan niet nader zijn onderbouwd of aangevuld (met verzoeken) alleen uitspraak doet voor zover verweerder kan worden aangemerkt als de tegenpartij van eiser. Ter voorlichting van partijen merkt de rechtbank op dat zij thans geen uitspraak doet in de zaak met zaaknummer ROT 16/368, die betrekking heeft op een schadeverzoek van eiser vanwege het niet tijdig door verweerder toekennen van algemene bijstand. Evenmin doet de rechtbank thans uitspraak in de zaak met zaaknummer ROT 15/7601 over een beroep tegen een besluit van verweerder van 21 oktober 2015 ter zake het door verweerder al dan niet verschuldigd zijn van een dwangsom wegens niet tijdig beslissen op het bezwaar inzake het besluit van 20 april 2015 tot afwijzing van de aanvraag om schuldhulpverlening op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. Deze zaken worden afzonderlijk behandeld.

5.1.

Met betrekking tot het beroepschrift van 7 september 2015 stelt de rechtbank vast dat ter zitting tussen partijen is komen vast te staan dat het e-mailbericht van S. Peters van 17 april 2015 een reactie vormt op wat eiser ter zitting heeft aangeduid als door hem op 15 april 2015 ingediend vodjes. Noch uit het e-mailbericht van S. Peters van 17 april 2015 noch uit de stukken blijkt op welke (aan)vragen van eiser dat e-mailbericht ziet. Eiser heeft op voorgedrukte formulieren van verweerder genaamd “Aanvraag Bijzondere bijstand” (de aanvraagformulieren), een twintigtal (aan)vragen gedagtekend 8 september 2015 bij de rechtbank ingediend. De aanvraagformulieren bevatten onder meer aanvragen of vraagstellingen inzake een plan van aanpak bij S. Peters, een gesprek betreffende R.O.G. journaal, cliëntondersteuning, het ‘bezoekbaar maken’ van de woning van eiser, vergoedingen voor vervoersvoorziening en taxi, financiële vergoeding vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, vergoeding glazenwasser, hondenuitlaatservice, administratieve hulp, tweejaarlijkse bijdrage voor vervanging schoenen, mantelzorg, vergoeding in sociaal kader en kosten wasserette. Een aantal van deze aanvragen of vraagstellingen komt meerdere keren voor in de aanvraagformulieren. Eiser heeft, naar hij stelt, de aanvraagformulieren ingediend om duidelijk te maken waarop zijn eerdere aanvragen betrekking hadden.

5.2.

De rechtbank zal er veronderstellenderwijs van uitgaan dat het e-mailbericht van S. Peters van 17 april 2015 een reactie is op gelijkluidende eerdere (aan)vragen van eiser. In zoverre kan dit e-mailbericht worden aangemerkt als een schriftelijke weigering een besluit te nemen als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb. Bij e-mailberichten van 8 en 12 mei 2015 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het voornoemde e-mailbericht van S. Peters. Tussen de stukken bevinden zich een e-mailberichten van 12, 14 en 17 juli 2015 waarin eiser verweerder (herhaaldelijk) in gebreke stelt tijdig op zijn aanvragen inzake bijzondere bijstand te beslissen.

5.3.

De rechtbank zal het e-mailbericht dat door S. Peters als coördinator van het Wijkondersteuningsteam (WOT) Schiedam Oost is opgesteld en aan eiser verzonden toerekenen aan verweerder, omdat het WOT namens verweerder aanvragen in ontvangst neemt. Voor zover uit die mail kan worden afgeleid dat een deel van de (aan)vragen van eiser betrekking heeft op een persoonsgebonden budget, in welk verband een bevoegdheid ligt bij ROGplus Nieuwe Waterweg Noord (ROGplus), die in opdracht van de gemeenten Maassluis, Vlaardingen en Schiedam taken uitvoert op het gebied van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, zal de rechtbank niettemin verweerder als het verwerend bestuursorgaan aanmerken. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat uit het e-mailbericht volgt dat geen besluit zal worden genomen en de (aan)vragen niet worden doorgezonden aan ROGplus. De beroepschriften van 11 en 13 september 2015 zien naar hun strekking op het niet tijdig beslissen door verweerder. De rechtbank ziet gelet hierop geen aanleiding om ROGplus uit te nodigen om alsnog als partij aan een of meer van de gedingen deel te nemen.

6.1.

Voor zover de beroepen betrekking hebben op een verzoek om gesprekken met S. Peters, andere medewerkers van verweerder of de verantwoordelijk wethouder, stelt de rechtbank vast dat geen sprake is van een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb, zodat de rechtbank niet bevoegd is kennis te nemen van deze beroepen. Voor zover de beroepen zien op het niet tijdig afdoen van klachten van eiser – waaronder een klacht over een aan hem door de burgemeester bij brief van 15 april 2015 opgelegd pand- en contactverbod – geldt evenzeer dat de rechtbank zich onbevoegd zal dienen te verklaren kennis te nemen van de beroepen. Artikel 9:3 van de Awb bepaalt immers dat tegen een besluit inzake de behandeling van een klacht over een gedraging van een bestuursorgaan geen beroep kan worden ingesteld.

6.2.

Ter voorlichting van eiser merkt de rechtbank nog op dat uit de tekst en strekking van artikel 4:17, eerste en zesde lid, van de Awb volgt dat slechts wanneer sprake is van een aanvraag in de zin van artikel 1:3 van de Awb sprake kan zijn van een niet tijdig beslissen en van de verschuldigdheid van een dwangsom. Het vragen om een gesprek en het indienen van een klacht vormen geen aanvragen in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb.

7. Uit de beroepschriften van 11 september 2015 komt voorts naar voren (uit nummer 78 en wellicht ook uit nummer 80) dat eiser beroep instelt met betrekking tot het niet tijdig nemen van enige beslissing in een kwijtscheldingsverzoek. Ter zitting en uit de stukken blijkt dat eiser door verweerder (en in mandaat door WOT) een drietal geldleningen ter beschikking zijn gesteld, te weten een bedrag van € 3500,-, van € 40,- en van € 50,-. Van de zijde van verweerder is gesteld dat die geldleningen niet zijn terug te voeren op een publiekrechtelijke grondslag. De rechtbank heeft geen aanleiding om hier anders over te oordelen. Omdat de beslissingen tot verstrekking van deze geldleningen gelet op de artikelen 1:3, eerste lid, en 8:3, tweede lid, van de Awb niet vatbaar zijn voor beroep bij de bestuursrechter, acht de rechtbank zich evenmin bevoegd om kennis te nemen van verzoeken tot kwijtschelding van die geldleningen.

8.1.

Voor zover de voorliggende beroepen betrekking hebben op niet tijdig beslissen door verweerder op aanvragen om bijzondere bijstand en op andere aanvragen als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb om financiële steun, komt de rechtbank tot de volgende beoordeling.

8.2.

De rechtbank stelt vast dat zich tussen de door ROGplus overgelegde stukken beschikkingen bevinden van ROGplus van 13 april 2015 en 21 mei 2015 inzake de toekenning van vergoedingen voor vervoerskosten en meerkosten. De rechtbank stelt verder vast dat uit haar uitspraak van 6 juni 2016 in de zaken ROT 15/3232, ROT 15/3982 en ROT 15/3673 (ECLI:NL:RBROT:2016:4313) volgt dat verweerder begin 2015 op een groot aantal aanvragen van eiser om bijzondere bijstand heeft beslist. Voorts is van de zijde van verweerder zowel op de regiezitting als de eindzitting onweersproken gesteld dat eiser geen rechtsmiddelen heeft ingesteld tegen besluiten op bezwaar waarin door verweerder diverse afwijzingen van aanvragen om bijzondere bijstand zijn gehandhaafd, maar dat eiser daarentegen de oorspronkelijke aanvragen opnieuw heeft ingediend en vervolgens beroep heeft ingesteld wegens niet tijdig beslissen. Van de zijde van verweerder is ter zitting opgemerkt dat hij zich afvraagt of er serieuze aanvragen om bijzonder bijstand voorliggen of dat eiser zoveel mogelijk dwangsommen wil innen en dat hij zodoende het de gemeente lastig wil maken, omdat hij zich in de kou voelt staan.

8.3.

Gelet op vaste rechtspraak (bijvoorbeeld ABRvS 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129 en ABRvS 20 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1620) volgt uit de artikelen 3:13 en 3:15 van het BW dat de bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen, niet kan worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. Deze artikelen verzetten zich derhalve tegen inhoudelijke behandeling van een bij de bestuursrechter ingesteld beroep dat misbruik van recht behelst en bieden dan ook een wettelijke grondslag voor niet-ontvankelijkverklaring van een zodanig beroep. Daartoe zijn zwaarwichtige gronden vereist die onder meer aanwezig zijn indien rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw.

8.4.

Voor zover de voorliggende beroepen betrekking hebben op niet tijdig beslissen door verweerder op aanvragen om bijzondere bijstand en op andere aanvragen als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb om financiële steun, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van misbruik van recht door eiser en dat de vele beroepen die daarop zien daarom niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder onweersproken heeft gesteld dat op de aanvragen eerder inhoudelijk is beslist en dat eiser grote aantallen herhaalde aanvragen indient en vervolgens ter zake daarvan beroep instelt wegens niet tijdig beslissen enkel om zoveel mogelijk dwangsommen te kunnen incasseren, dit teneinde zijn inkomen uit de hem toegekende bijstandsuitkering – die hij niet toereikend acht – aan te vullen. Het door eiser aanwenden van zijn rechten of bevoegdheden geeft aldus blijk van kwade trouw, wat resulteert in een niet-ontvankelijkverklaring van die beroepen.

8.5.

De rechtbank neemt hierbij voorts in ogenschouw dat eiser procedeert op een wijze die in strijd is met de goede procesorde. Hoewel eiser en zijn toenmalige gemachtigde mr. Zwiers tijdens de regiezitting er op zijn gewezen dat eiser per beroep niet tijdig beslissen de nodige documentatie zal moeten overleggen waaruit blijkt waarop zijn vele beroepen betrekking hebben en eiser daartoe de nodige termijnen is vergund, heeft eiser telkenmale volstaan met het indienen van grote hoeveelheden stukken zonder duidelijke rubricering aan te brengen. Daardoor kan in de zaken die betrekking hebben op niet tijdig beslissen door verweerder op aanvragen om bijzondere bijstand en op andere aanvragen als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb om financiële steun van verweerder, niet worden opgemaakt of in alle zaken een ingebrekestelling door eiser is uitgebracht, zodat niet kan worden vastgesteld of steeds sprake is van een beroep dat voldoet aan de eisen van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Omdat de bewijslast dat sprake is van een ingebrekestelling voor iedere beroepszaak bij eiser ligt, moeten ook om die reden de beroepen waarin niet is komen vast te staan dat sprake is van een voorafgaande ingebrekestelling niet-ontvankelijk worden verklaard.

8.6.

Dat eiser er niet telkens expliciet op is gewezen dat een of meer van zijn beroepen op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk kunnen worden verklaard indien hij de geconstateerde gebreken niet (tijdig) zou herstellen, kan hier naar het oordeel van de rechtbank niet aan afdoen. Bij de regiezitting lag immers de vraag voor hoeveel beroepen er waren ingediend en waarop die beroepen precies betrekking hebben. Blijkens het aan eiser toegezonden proces-verbaal – met zaaknummer ROT 15/6705 – is eiser ter zitting voorgehouden dat de rechtbank op basis van hetgeen eiser had ingediend niet kon vaststellen om hoeveel beroepen het ging en waarop het gestelde niet tijdig beslissen telkens betrekking had. Voorts is eiser voorgehouden dat het op zijn weg lag om een en ander te herstellen. Eiser heeft nagelaten het aantal zaken uit te splitsen en per zaak van documentatie te voorzien. In plaats daarvan heeft eiser telkenmale grote hoeveelheden stukken ingediend zonder gevolg te geven aan wat hem tijdens de regiezitting was verzocht. De rechtbank acht onder deze omstandigheden de mogelijkheid uitgesloten dat wel zorg zou zijn gedragen voor het op juiste wijze herstellen van de verzuimen, indien de rechtbank zou hebben gewezen op de mogelijke consequenties van niet-ontvankelijkverklaring (vergelijk ABRvS 25 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1399 en CRvB 27 maart 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW1759).

9.1.

Eiser heeft in beroep voorts aangevoerd dat door verweerder niet tijdig is beslist op zijn verzoek tot openbaarmaking van zijn dossier op grond van de Wob. De rechtbank komt dienaangaande tot de volgende beoordeling.

9.2.

Een van de tachtig beroepschriften van 11 september 2015 (genummerd als 76) heeft blijkens een daar aangehecht e-mailbericht van eiser van 15 mei 2015 betrekking op de aanlevering van documenten door verweerder. Uit de stukken – die zijn opgenomen in het dossier met zaaknummer ROT 15/5653 – komt naar voren dat eiser meerdere keren heeft verzocht om inzage of een afschrift van zijn dossier waarover de (gemeentelijke) instanties beschikken in het kader van schuldhulpverlening, bijstand en maatschappelijke ondersteuning. Op 1 juli 2015 heeft eiser een herhaald verzoek gedaan om inzage of afschrift van zijn dossier. Zijn e-mailbericht van die datum is gericht aan een groot aantal geadresseerden. Bij brief van 10 juli 2015 heeft ROGplus eiser het dossier waarover ROGplus beschikt ter beschikking gesteld. Op 21 juli 2015 heeft mr. J. Berkouwer, die toen optrad als eisers gemachtigde, verweerder per e-mailbericht gevraagd om ontbrekende stukken. Bij e-mailbericht van 22 juli 2015 heeft mr. Zwiers, die eveneens optrad als eisers gemachtigde, bij verweerder neergelegd een “WOB-verzoek ter zake het dossier Schuldhulpverlening, SoZawe alsmede WOT, aangaande het dossier van [eiser]”. Bij

e-mailbericht van 8 augustus 2015 heeft eiser een groot aantal geadresseerden in gebreke gesteld waaronder verweerder en ROGplus. Bij brief van 11 augustus 2015 laat ROGplus eiser weten dat ROGplus niet in gebreke is omdat eiser op 10 juli 2015 het verzochte dossier is verstrekt.

9.3.

Tussen de aanvraag door mr. Zwiers van 22 juli 2015 en de algemene ingebrekestelling van 8 augustus 2015 zijn nog geen vier weken als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wob verstreken, zodat – nog daargelaten de adressering en tekst van het

e-mailbericht van 8 augustus 2015 – die ingebrekestelling prematuur is. Reeds daarom kan, gelet op artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, geen sprake zijn van een ontvankelijk beroep. De rechtbank sluit niet uit dat zich tussen de door eiser ingeleverde stapels stukken en ordners een latere en voldoende specifieke ingebrekestelling bevindt die wel is verzonden na ommekomst van de beslistermijn, doch zij acht het niet haar taak om op zoek te gaan naar de figuurlijke speld in de hooiberg. De rechtbank herhaalt in dit verband dat zij eiser tijdens de regiezitting nadrukkelijk maar tevergeefs in de gelegenheid heeft gesteld om binnen een geboden (en nadien verlengde) termijn per zaak gedocumenteerd zijn beroepen inzake niet tijdig beslissen te onderbouwen. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding ook dit beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Op de zitting van 18 mei 2016 is overigens vast komen te staan dat verweerder inmiddels heeft beslist op het Wob-verzoek.

10.1.

Voor zover eiser met zijn brieven van 13 september 2015 – die zijn opgenomen in het dossier met zaaknummer ROT 15/5653 – beroep heeft willen instellen wegens het niet tijdig nemen van enige beslissing inzake de indiening van een zogenoemd WSNP-verzoek – wat moet worden onderscheiden van de eerdere afwijzing van de aanvraag om schuldhulpverlening op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening – komt de rechtbank tot de volgende beoordeling.

10.2.

Ter zitting is naar voren gekomen dat eiser bij de gemeentelijke kredietbank – aan welke instantie verweerder daartoe mandaat kan verlenen – heeft verzocht om een verklaring van verweerder, als bedoeld in artikel 285, eerste lid, aanhef en onder f, van de Faillissementswet, welke is vereist om tot de wettelijke schuldregeling te kunnen worden toegelaten. Eiser heeft ter zitting verklaard dat de gemeentelijke kredietbank na een eerdere toezegging heeft besloten geen verklaring af te geven. Van de zijde van verweerder is ter zitting onweersproken gesteld dat een eerder schuldhulptraject met eiser is mislukt, dat eiser te kennen was gegeven dat hij weer welkom was in het kader van een schuldhulpverleningstraject en dat voor het opstellen van vorenbedoelde verklaring nadere gegevens van eiser nodig waren. Daar heeft eiser echter geen medewerking aan verleend.

10.3.

Eiser heeft nagelaten dit beroep wegens niet tijdig beslissen nader te documenteren. De rechtbank kan daarom niet vaststellen of er een voor bezwaar vatbare schriftelijke weigering om te beslissen voorligt of dat eiser verweerder in gebreke heeft gesteld. Gelet op wat hiervoor is overwogen ter zake van de bewijslast en de wijze waarop eiser in deze zaken heeft geprocedeerd zal de rechtbank ook dit beroep niet-ontvankelijk verklaren.

11.1.

Tussen de stukken bevinden zich een groot aantal identieke brieven van 4 januari 2016. De ene set bestaat uit meer dan honderd niet genummerde identieke brieven met de titel “Zuiver schadebesluit : JDR.-/3-11-15” en de andere set bestaat eveneens uit meer dan honderd niet genummerde identieke brieven met de titel “Dwangsombesluit : JDR.-/3-11-15”. De rechtbank heeft al deze brieven – gelet op hun klaarblijkelijke samenhang – ondergebracht in het dossier met zaaknummer ROT 16/2353. De rechtbank komt ten aanzien van deze brieven van 4 januari 2016 tot de volgende beoordeling.

11.2.

De rechtbank stelt voorop dat eiser in deze beide brievensets stelt dat hij heeft besloten de gemeente Schiedam/Stroomopwaarts (lees: verweerder) in gebreke te stellen op 3 november 2015 wegens het niet tijdig beslissen op zijn verzoek, dat op 31 december 2015 de dwangsom van € 1.260,- is volgelopen en dat de rechtbank wordt verzocht een bedrag vast te stellen wegens het niet tijdig uitkeren (lees: uitkeren van dwangsommen), in welk verband eiser spreekt van een tweede zuiver schadebesluit. Omdat eiser die gelijkluidende brieven heeft ingediend naar aanleiding van de regiezitting, omdat hij in die brieven heeft gesteld dat recht bestaat op een dwangsom van € 1.260,- en omdat uit twee begeleidende brieven van eiser van 5 januari 2016 volgt dat al deze brieven betrekking hebben op de hiervoor besproken (aan)vragen, hebben de brieven met de titel “Zuiver schadebesluit : JDR.-/3-11-15”, net als de brieven met de titel “Dwangsombesluit : JDR.-/3-11-15”, aldus betrekking op dwangsommen waarop eiser meent aanspraak te kunnen maken. In de twee brievensets vraagt eiser de rechtbank hem gelden toe te kennen wegens het niet tijdig nemen van dwangsombesluiten als bedoeld in artikel 4:18 van de Awb

11.3.

In ogenschouw nemende dat het toekennen van dwangsommen moet worden onderscheiden van schadevergoeding (vergelijk CRvB 8 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT2081), ziet de rechtbank geen aanleiding deze twee brievensets op te vatten als schadeverzoeken als bedoeld in de artikelen 8:88 en 8:91 van de Awb. Die brieven zijn aldus te onderscheiden van het schadeverzoek dat betrekking heeft op het niet tijdig toekennen van algemene bijstand – dat is de eerdergenoemde zaak met zaaknummer ROT 16/368 – en dat thans niet voorligt. Omdat deze brievensets hangende de beroepen wegens niet tijdig beslissen zijn ingediend, zal de rechtbank deze brievensets opvatten als evenzovele verzoeken aan de rechtbank om toepassing te geven aan artikel 8:55c van de Awb door de hoogte van de op grond van artikel 4:17 van de Awb door verweerder verbeurde dwangsommen vast te stellen. De rechtbank komt niet toe aan deze verzoeken, omdat geen van de beroepen wegens niet tijdig beslissen gegrond is.

11.4.

De rechtbank wijst er voorts op dat de wet geen ruimte biedt voor het maken van aanspraak op dwangsommen wegens het niet tijdig nemen van dwangsombesluiten door verweerder waarop eiser blijkbaar mede het oog heeft. Beslissingen in de zin van artikel 4:18 van de Awb tot vaststelling van verschuldigde dwangsommen zijn namelijk geen besluiten op aanvraag, zodat reeds om die reden geen dwangsom ter zake daarvan verschuldigd kan zijn (zie ook ABRvS 10 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4448).

12. De slotsom is dat de rechtbank zich onbevoegd zal verklaren kennis te nemen van de beroepen wegens niet tijdig beslissen voor zover deze betrekking hebben op verzoeken om een gesprek, klachten en kwijtscheldingsverzoeken. In de overige zaken zal de rechtbank de beroepen niet-ontvankelijk verklaren.

13. Uit het voorgaande volgt voorts dat de zaken waarop het dossier met zaaknummer ROT 16/2353 ziet geen afzonderlijke beroepen betreffen, maar verzoeken om toepassing te geven aan artikel 8:55c van de Awb. Ter zake van die verzoeken is geen afzonderlijk griffierecht verschuldigd. Deze constatering geeft de rechtbank echter geen aanleiding om de griffier te gelasten het betaalde griffierecht in dat dossier terug te storten. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat met deze uitspraak meer beroepszaken, die niet samenhangend zijn in de zin van artikel 8:41, derde lid, van de Awb, worden afgedaan dan waarin van eiser griffierecht is geheven, wat mede samenhangt met de wijze van procederen door eiser. Eiser is daarom niet benadeeld doordat in al deze zaken in totaal slechts vier maal griffierecht is geheven.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de beroepen wegens niet tijdig beslissen voor zover deze betrekking hebben op verzoeken om een gesprek, klachten en kwijtscheldingsverzoeken;

 verklaart de overige beroepen wegens niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Bergen, rechter, in aanwezigheid van mr. dr.

R. Stijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep voor zover uitspraak is gedaan op de beroepen wegens niet tijdig beslissen inzake aanvragen om bijzondere bijstand en op andere aanvragen als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb om financiële steun.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State voor zover uitspraak is gedaan op de overige beroepen wegens niet tijdig beslissen.