Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:4509

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-06-2016
Datum publicatie
20-06-2016
Zaaknummer
4915458 VZ VERZ 16-5033
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens een verstoorde arbeidsverhouding ex artikel 7:669 lid 3 sub g BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-0660
AR 2016/1745
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 4915458 VZ VERZ 16-5033

uitspraak: 15 juni 2016

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Bavo Europoort B.V.,

gevestigd te ’s-Gravenhage,

verzoekster,

gemachtigde: mr. E.V.H. van Tricht te Oud-Beijerland,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster,

gemachtigde: mr. L.M. Hoogeveen te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als Bavo en [verweerster] .

1 Het verloop van de procedure

1.1

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:

  • -

    het verzoekschrift, met producties, ter griffie ontvangen op 17 maart 2016;

  • -

    het verweerschrift, met producties;

- het faxbericht zijdens Bavo d.d. 20 mei 2016, met een aanvullende productie.

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 mei 2016. Namens Bavo zijn de heer [K.] (direct leidinggevende van [verweerster] , hierna: [K.] ) en mevrouw [N.] (HR adviseur, hierna: [N.] ) verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. [verweerster] is in persoon verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten doen toelichten door hun respectieve gemachtigden. De gemachtigde van Bavo heeft dit gedaan aan de hand van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd. Van het overigens ter zitting verhandelde heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

1.3

Bij brief van 30 mei 2016 heeft de gemachtigde van [verweerster] een aanvullende productie in het geding gebracht. De gemachtigde van Bavo heeft hierop bij faxbericht van 31 mei 2016 gereageerd.

1.4

De beschikking is bepaald op heden.

2 De feiten

In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende feiten.

2.1

[verweerster] , geboren op [geboortedatum] 1962, is sinds 1 januari 2008 bij Bavo in dienst als vaste nachtdienstmedewerkster. Het salaris van [verweerster] bedraagt € 2.746,00 bruto per maand exclusief emolumenten. De arbeid wordt sinds 2010 verricht op de locatie [XX] alwaar Bavo onder meer 24-uurs klinische psychiatrische behandeling en begeleiding voor volwassenen aanbiedt. De functie van [verweerster] omvat het houden van toezicht op en het verzorgen/verplegen van de patiënten tijdens de nacht en het zorgdragen voor de continuering van de verpleegkundige zorg.

2.2

Bij emailbericht van 14 maart 2013 heeft [K.] [verweerster] , voor zover thans van belang, als volgt bericht:

“Graag wil ik je op korte termijn spreken over een aantal zaken:

-het op eigen initiatief veranderen van afdelings-beslissingen/afspraken

-de structuur/lijn die aangehouden dient te worden bij klachten van jou rondom afdelingszaken.

-flexibiliteit die van huidige werknemers wordt verwacht

Kan jij wat data en tijden doorgeven dat we om de tafel kunnen zitten?”

Bij emailbericht van 15 maart 2013 heeft [verweerster] , voor zover thans van belang, als volgt gereageerd:

“Zet al je klachten op de mail of in een worddocument en dan zal ik zelf bepalen in hoeverre en in welke hoedanigheid ik met jou het gesprek aan ga.”

2.3

Op 4 april 2013 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [K.] , [N.] , [verweerster] en een vakbondsconsulent. In het gespreksverslag is, voor zover thans van belang, het volgende opgenomen:

“ [ voornaam K.] (ktr: [K.] ) heeft [voornaam verweerster] (ktr: [verweerster] ) in eerste instantie via de mail uitgenodigd. Haar reactie hierop heeft ertoe geleid dat zij middels een officiële aangetekende brief voor dit gesprek werd uitgenodigd.

[K.] heeft in de uitnodiging een vijftal punten benoemd die hij tijdens dit gesprek wil bespreken. Hij benoemt eerst het feit dat [verweerster] , door haar reactie op de brief (een aantal uitgebreide mails) een simpel bedoeld gesprek over een aantal punten die niet goed liepen, heeft opgeblazen tot een beladen gesprek. Dat had niet nodig geweest. (…)

[K.] wil voordat hij hierop ingaat eerst vastgesteld hebben dat in de toekomst op een andere manier moet worden gecommuniceerd.”

2.4

Op 11 juli 2013 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de heer [M.] (manager bedrijfsvoering bij Bavo, hierna: [M.] ), [N.] , [verweerster] en een vakbondsconsulent. In het gespreksverslag is, voor zover thans van belang, het volgende opgenomen:

“De aanleiding van het gesprek was een klacht van u over uw leidinggevende [K.] (…).

Vervolgens zijn we in gezamenlijkheid overeengekomen dat de oorzaak van de problemen veelal gelegen is in de wijze waarop er is gecommuniceerd. We spreken af om ons te concentreren op verbetering van de toekomstige samenwerking tussen u en uw leidinggevende.

[M.] benoemt dat een deel van de problemen schuilt in het feit dat u alleen in de nachtdienst werkt. Hij stelt voor dat u per cyclus 1 á 2 diensten in de avond werkt om de communicatie tussen u en de overige medewerkers en de teamleider te optimaliseren. U geeft aan dat u in dit aanbod geen interesse heeft.

Nadat alle knelpunten besproken zijn wordt afgesproken dat er, om een nieuwe start te maken, een open gesprek zal plaatsvinden tussen [K.] , [verweerster] en [N.] . In dit gesprek zullen goede afspraken worden gemaakt over de functionele relatie, een uniforme werkwijze en een neutrale werkhouding.”

2.5

Op 28 augustus 2013 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [K.] , [M.] , [N.] en [verweerster] . In het gespreksverslag is, voor zover thans van belang, het volgende opgenomen:

“Er is nog steeds discussie over de inrichting van de medicijnkast (…). [K.] benoemt dat de onderliggende oorzaak de slechte communicatie tussen partijen is en dat dat een punt van aandacht zal moet worden. (…)

Hij (ktr: [M.] ) stelt nogmaals voor dat u per cyclus 1 á 2 diensten in de avond werkt om de communicatie tussen u en de overige medewerkers en de teamleider te optimaliseren. U geeft nogmaals aan dat u in dit aanbod geen interesse heeft. Ook de uitnodiging regelmatig het werkoverleg van het team bij te wonen legt u naast zich neer.

Omdat het voor [verweerster] onbespreekbaar blijft af en toe een dag- of avonddienst te draaien en zij ook de teamoverleggen niet bij wil/kan wonen, wordt afgesproken dat zij en [K.] 1x per 6 weken na de nachtdienst overleggen over lopende zaken.”

2.6

Bij brief van 8 oktober 2013 heeft [K.] [verweerster] , voor zover thans van belang, als volgt bericht:

“Onderwerp: Omzetting officiele ws naar aantekening (…)

Op 16 mei heeft er een interne medicatie-audit plaatsgevonden. We stuitten tijdens de audit op het volgende punt: U heeft s’nachts naamstickers verplaatst om alles op alfabetische volgorde te houden. De auditoren hebben dit afgekeurd.

Al eerder, op 04-04-2013 hebben wij u erop aangesproken dat het systeem waarop de medicatie wordt bewaard c.q verstrekt niet door u mag worden aangepast. (…)

Om te komen tot een goede werkhervatting en ter voorkoming van een herhaling van zaken willen wij nogmaals met u afspreken, dat u niet zelfstandig acties onderneemt in processen op de afdeling. (…)

Deze brief zullen we als aantekening in uw dossier meenemen. Let wel: dit heeft geen consequenties voor uw arbeidsovereenkomst.”

2.7

Op 27 november 2013 heeft [verweerster] bij de Klachtencommissie Parnassia Groep een klacht ingediend over “het niet efficiënt afhandelen van de klacht die [verweerster] heeft ingediend tegen [K.] bij [M.] ”. In haar brief d.d. 27 november 2013 heeft [verweerster] , voor zover thans van belang, het volgende geschreven:

“De klacht omvat: Het niet correct afhandelen van de klacht die ik, [verweerster] (…) heeft ingediend tegen de teamleider dhr [K.] wegens intimidatie, lastering, machts-misbruik en het verstrekken van onterechte officiële waarschuwingen, middels het geven van een aantekening. (…)

Dhr [M.] wil het probleem van de communicatie tussen dhr [K.] en mijzelf niet onderkennen en zegt dat de oorzaak ligt dat [verweerster] in de nachtdienst werkt. [verweerster] heeft aangegeven dat het niets met het werken in de nachtdienst te maken heeft, maar in de onderliggende verstandhouding en dat dhr [M.] niet bereid is om de aantekening in te trekken. (…)

De afspraak om 1x per 6 weken met [K.] rond de tafel te zitten vind [verweerster] dan ook geen goede afspraak, want wat zijn lopende zaken. De aantekening blijft gehandhaafd.”

De Klachtencommissie heeft de klacht(en) ongegrond verklaard bij advies van 30 december 2013. De Klachtencommissie heeft daartoe onder meer het volgende geschreven:

“Naar het oordeel van de commissie is de aantekening, door de commissie uitgelegd als een schriftelijk vastgelegde uiting van kritiek op het functioneren van klaagster ter voeging in haar personeelsdossier, terecht (…).

2.8

In het beoordelingsformulier d.d. 4 december 2013 is het functioneren van [verweerster] met een onvoldoende beoordeeld. In het formulier is, voor zover thans van belang, het volgende opgenomen:

“Het is een bewogen jaar geweest ten aanzien van samenwerking met leidinggevende en collega begeleiders. Dit verliep geregeld niet goed. De wijze van communicatie, het respect-vol blijven naar directe collega’s en TL (ktr: teamleider) en het respecteren van afdelings-afspraken zijn onvoldoende geweest in 2013. (…) Wat mij als leidinggevende opvalt is dat jouw zelfreflectief vermogen onvoldoende is. Ter onderbouwing: je wijt diverse problemen en ruis aan je omgeving en je lijkt het heel moeilijk te vinden je eigen aandeel daarin te zien. (…) Op deze wijze trek je nu de klachtencommissie in twijfel. Dit is ook iets wat jouw leidinggevende zorgen baart. (…) Wat ook opgevallen is, is dat je moeite lijkt te hebben met het feit als je ergens op aangesproken wordt. Je schiet in de verdediging en legt met grote regelmaat zaken buiten jezelf. Hier gaan we in 2014 wat mij betreft aan werken. Eventueel met een extern bureau. Samenwerking, zelfreflectie, open staan voor feed- back en het respecteren van afdelingsafspraken zijn de 4 punten waarin je onvoldoende behaald. (…) op basis van de zaken die als onvoldoende worden aangemerkt zal een verbeter plan opgesteld worden.”

2.9

Op 4 februari 2014 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [K.] en [verweerster] . In de gespreksnotitie is, voor zover thans van belang, het volgende opgenomen:

“In navolging van de evaluatie hebben we het beoordelingsgesprek gedaan. Op een aantal punten scoort [verweerster] . voldoende en op een aantal punten onvoldoende. Het totaal oordeel is onvoldoende. [verweerster] is het hier niet mee eens. [K.] . kon de onvoldoende wel toelichten maar [verweerster] geeft bij voorbaat al aan dat dit niet klopt. Daarnaast geeft [verweerster] aan de competenties te missen die [K.] als leidinggevende nodig zou hebben. Ook zou [K.] niet vervangbaar zijn omdat er geen andere goede leidinggevenden rondlopen. Allemaal zaken die wat [K.] betreft niet heel relevant zijn binnen het beoordelings-gesprek. [verweerster] geeft aan met het gesprek te willen stoppen. Stapt op en gaat weg.”

2.10

Bij emailbericht van 7 februari 2014 heeft [K.] [verweerster] , voor zover thans van belang, als volgt bericht:

“Ik wil voorstellen binnen korte termijn ons gesprek af te maken. Wat mij betreft zijn we nog niet klaar omdat voor de punten die onvoldoende zijn geweest een verbeterplan gewenst is en jou gaat helpen.”

2.11

Op 20 maart 2014 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [K.] , [M.] en [verweerster] . In het gespreksverslag is, voor zover thans van belang, het volgende opgenomen:

“Je geeft aan niet meer alleen in gesprek te willen met [K.] . Het staat jou, [verweerster] , vrij om iemand mee te nemen naar de gesprekken met [K.] , als dat prettig voelt.

Concreet vraag ik jou welke energie jij nu gaat steken in je eigen ontwikkeling, jouw dagelijks werk, ook op basis van de meest recente beoordeling. Hierop geef jij aan jouw werk niet te willen veranderen, je ziet geen reden om dit gesprek voort te zetten nu we niet verder in gaan op jouw aantekening. (…)

We gaan uit elkaar met bovenstaande vragen en het idee dat je jouw overdenkingen meeneemt in het volgende gesprek met [K.] .”

2.12

Bij emailbericht van 11 mei 2014 heeft [verweerster] [K.] , voor zover thans van belang, als volgt bericht:

“Daar ik het wel belangrijk vind dat de werkrelatie tussen jou en mij wordt hersteld ga ik dan ook de gesprekken met jou aan. Wat ik niet van plan ben om te doen is gedurende 5 jaren gesprekken te gaan houden om de 6 weken om te compenseren daar ik niet aanwezig ben bij het werkoverleg.”

2.13

Bij brieven van 3 en 9 augustus 2014 heeft [verweerster] bezwaar gemaakt tegen de beoordeling over 2013 en het door [K.] opgestelde verbeterplan, dat [verweerster] op 12 juni 2014 van hem heeft ontvangen.

2.14

Op 11 augustus 2014 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [K.] , [N.] , [verweerster] en een vakbondsconsulent. In het gespreksverslag is, voor zover thans van belang, het volgende opgenomen:

“ [K.] wil graag aan de toekomst werken. Hij geeft aan dat door het bezwaar en de vraag om oude stukken we niet toekomen aan de uitwerking van het verbeterplan, waardoor het weer lastig wordt om eind dit jaar een beoordeling te geven. (…)

Een volgend overleg, over de voortgang van het verbetertraject, zal eind september worden gepland.”

2.15

Op 18 november 2014 heeft [verweerster] bij de Klachtencommissie Parnassia Groep een klacht ingediend over de aantekening van 8 oktober 2013 (wegens nieuwe feiten), de eind- beoordeling over het jaar 2013 en het verbeterplan. De Klachtencommissie heeft bij advies van 14 januari 2015 de klacht ten aanzien van de aantekening niet-ontvankelijk en de klacht voor het overige ongegrond verklaard. De Klachtencommissie heeft in haar advies onder meer het volgende geschreven:

“De commissie geeft u in overweging verweerder (ktr: [K.] ) op te dragen op de kortst mogelijk termijn ten behoeve van klaagster een verbeterplan op te stellen, eventueel zonder haar medewerking (…).

2.16

In het beoordelingsformulier d.d. 20 maart 2015 is het functioneren van [verweerster] wederom met een onvoldoende beoordeeld. In het formulier is, voor zover thans van belang, het volgende opgenomen:

“Iedere medewerker binnen deze organisatie wordt geacht zich te ontwikkelen. In jouw geval is dat geweest in de vorm van een verbeterplan. Deze mogelijkheid heb je gedurende 2014 niet gepakt door een defensieve houding (…).

Deze punten gaan allemaal over houding en gedrag. Zolang dit voortduurt, en dat is nu inmiddels twee jaar verslechtend dit steeds meer de relatie. Mijn opdracht die ik je ga geven is actief mee te werken met een verbeterplan. Zelf initiatieven te nemen en een open houding laat zien om mee te werken. Het verbeterplan zal je in dit gesprek overhandigt worden.”

2.17

Bij brief van 13 april 2015 heeft [verweerster] , voor zover thans van belang, het volgende geschreven:

“Hierbij wil ik aangeven dat dit verbeterplan mijn inziens niet ten behoeve van mij is gemaakt en ga met deze invulling hiervan niet mee akkoord. (…) Nu wil ik wel graag mee werken om uit de impasse met mijn werkgever te komen en herstel te gaan bevorderen binnen de relatie met dhr [K.] en stel dan ook voor om een verbeterplan gezamenlijk te maken met een mediator.”

2.18

Tijdens een gesprek op 15 april 2015 tussen [K.] , [N.] , [verweerster] en een vakbondsconsulent hebben partijen afgesproken een mediation traject te starten. Dit traject is van mei tot en met oktober 2015 zonder resultaat doorlopen.

2.19

Op 6 november 2015 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [K.] , [N.] , [verweerster] en een vakbondsconsulent. In het gespreksverslag is, voor zover thans van belang, het volgende opgenomen:

“Afgesproken wordt dat [verweerster] invulling gaat geven aan het verbeterplan. Omdat [verweerster] het niet eens is met de wijze waarop het verbeterplan geschreven is geven we haar de gelegenheid dit zelf zo te schrijven dat het wat haar betreft voldoende SMART is.

[K.] geeft wel aan dat dit het laatste is wat we nog gaan proberen. Mocht [verweerster] weer niet meewerken dan zullen we een ontslagroute ingaan. (…) Afgesproken wordt dat we op vrijdag 20 november weer bij elkaar komen om het door [verweerster] geschreven verbeterplan te bespreken.”

2.20

Bij emailbericht van 19 november 2015 heeft [verweerster] [N.] en [K.] , voor zover thans van belang, als volgt bericht:

“Ik ben tot de conclusie gekomen, zoals de zaken nu liggen dat ik geen verbeterplan samen met de werkgever wil maken. De reden is dat ik niet verantwoordelijk wil worden gemaakt indien het niet lukt. (…) De werkgever wil dat er een verbeterplan gemaakt dient te worden, dan zal hij er ook zorg voor moeten dragen dat er een verbeterplan komt wat smartgericht is.”

2.21

Bavo heeft [verweerster] met ingang van december 2015 vrijgesteld van werkzaamheden onder doorbetaling van het loon.

3 Het verzoek en de grondslag daarvan

3.1

Het verzoek strekt tot ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst, primair wegens disfunctioneren en subsidiair wegens een verstoorde arbeidsverhouding.

3.2

Aan haar verzoek heeft Bavo, naast de hiervoor vermelde vaststaande feiten en voor zover thans van belang, het volgende ten grondslag gelegd.

3.2.1

Met betrekking tot het functioneren van [verweerster] wordt sinds 2013 in toenemende mate een verslechtering op het gebied van haar gedrag geconstateerd. Meer in het bijzonder bestaan de volgende problemen:

  • -

    [verweerster] wordt door cliënten slecht beoordeeld in haar functioneren;

  • -

    [verweerster] heeft zich meerdere malen niet aan afdelingsafspraken gehouden;

  • -

    [verweerster] maakt niet of nauwelijks deel uit van het team en communiceert onvoldoende waardoor informatieoverdracht moeizaam verloopt, hetgeen een negatief effect heeft op de directe zorg aan cliënten van Bavo. Zij is niet gevoelig voor het ontvangen van feedback en heeft een gebrekkig vermogen tot zelfreflectie.

3.2.2

Bavo heeft [verweerster] er vanaf december 2013 herhaaldelijk op gewezen dat haar functioneren onder de maat is. Bavo heeft langdurige en intensieve inspanningen geleverd om een verbetering van het functioneren van [verweerster] te bewerkstellingen, maar deze zijn alle door [verweerster] getorpedeerd.

3.2.3

Inmiddels heeft [verweerster] de arbeidsrelatie zodanig laten verslechteren, dat van Bavo in redelijkheid niet kan worden verlangd de arbeidsovereenkomst tussen partijen te laten voortduren. Het gedrag van [verweerster] heeft een desastreuze invloed op de arbeidsverhouding. [verweerster] laat zich met name jegens [K.] regelmatig uit, zowel mondeling als schriftelijk, in uiterst negatieve en agressieve bewoordingen. Ondanks de ondersteuning van vakbondsmedewerkers en een mediator, slagen partijen er niet in het tij te keren.

4. Het verweer

Het verweer van [verweerster] strekt primair tot afwijzing van het verzoek van Bavo en subsidiair, voor het geval de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, tot toekenning van de transitie-vergoeding uit te betalen uiterlijk twee weken na de ontbindingsdatum op een door [verweerster] aan te geven wijze, met veroordeling van Bavo in de kosten van deze procedure.

Op het verweer wordt, voor zover nodig, onder de beoordeling nader ingegaan.

5 De beoordeling

5.1

Met het oog op artikel 7:671b lid 2 BW constateert de kantonrechter allereerst dat Bavo onweersproken heeft gesteld dat het onderhavige verzoek geen verband houdt met het bestaan van enig opzegverbod. De kantonrechter heeft geen aanleiding daarover anders te oordelen en gaat daarom uit van de juistheid van die mededeling.

5.2

De kantonrechter kan de arbeidsovereenkomst tussen partijen op verzoek van Bavo ontbinden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van [verweerster] in een andere passende functie binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, niet mogelijk is of niet in de rede ligt (artikel 7:671b lid 1 en 2 jo. 7:669 lid 1 BW). In artikel 7:669 lid 3 BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. Bavo voert aan dat de redelijke grond voor ontbinding is gelegen in het disfunctioneren van [verweerster] , dan wel in een verstoorde arbeidsverhouding, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub d respectievelijk sub g BW. Voor toewijzing van het verzoek van Bavo moet ten minste één van de door Bavo aangevoerde gronden op zichzelf voldragen zijn.

5.3

Uit artikel 7:669 lid 3 sub g BW volgt dat de arbeidsovereenkomst kan worden ontbonden als sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

5.4

[verweerster] heeft betwist dat sprake is van een ernstige en duurzame verstoring van de arbeidsverhouding. Zij erkent weliswaar dat zij zich niet altijd even diplomatiek jegens haar teamleider heeft uitgedrukt en dat de werkverhouding met haar teamleider niet optimaal is, maar stelt zich op het standpunt dat er nog voldoende mogelijkheden zijn om de arbeids-relatie voort te zetten.

5.5

De kantonrechter deelt dit standpunt van [verweerster] niet. Zoals blijkt uit de hiervoor onder 2 weergegeven feiten verloopt de samenwerking tussen [verweerster] en haar leidinggevende al sinds begin 2013 erg stroef. Opgevallen is dat [verweerster] de kritiek van haar leidinggevende op haar houding, gedrag en communicatie telkenmale - zo ook ter zitting - integraal afwijst en mede daardoor het maken van een nieuwe start heeft bemoeilijkt. Daarbij komt dat [verweerster] , in plaats van zich te concentreren op de door Bavo gewenste verbetering van de toekomstige samenwerking tussen [verweerster] en [K.] , bij herhaling klachten over [K.] (en [M.] ) heeft ingediend en is blijven terugkomen op incidenten uit het verleden.

Sinds begin 2014 heeft Bavo kenbaar gemaakt een verbeterplan te willen opstellen. Door het protest van [verweerster] is de uitwerking van het verbeterplan moeizaam verlopen. Toen het plan vervolgens door [verweerster] werd afgewezen en zij, ondanks haar eerdere toezegging, uiteindelijk te kennen heeft gegeven het verbeterplan niet zelf te willen invullen en evenmin alsnog akkoord is gegaan met het door Bavo opgestelde plan, zijn partijen in een impasse geraakt die naar het oordeel van de kantonrechter aan [verweerster] is te wijten. Nu voorts moet worden vastgesteld dat ook de ondersteuning van/bemiddeling door vakbondsconsulenten en een mediator niet tot een verbetering van de arbeidsverhouding heeft geleid, heeft Bavo in redelijkheid kunnen oordelen dat een vruchtbare samenwerking tussen partijen niet langer mogelijk is, waardoor de arbeidsverhouding als zodanig verstoord is aan te merken dat van Bavo in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst met [verweerster] te laten voortduren.

5.6

Eén van de aan het verzoek van Bavo ten grondslag gelegde ontslaggronden is hiermee vervuld. Nu de oorzaak van de verstoorde arbeidsverhouding met name is gelegen in het gedrag en de houding van [verweerster] ligt herplaatsing van [verweerster] niet in de rede, zodat het verzoek van Bavo tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst toewijsbaar is. Over de andere door Bavo aangevoerde ontslaggrond hoeft daarom niet meer te worden geoordeeld.

5.7

Het einde van de arbeidsovereenkomst wordt, gelet op het bepaalde in artikel 7:671b lid 8 sub a BW, bepaald op 1 augustus 2016.

5.8

Partijen zijn het erover eens dat Bavo aan [verweerster] een transitievergoeding van € 10.987,31 bruto dient te voldoen, tot betaling van welk bedrag Bavo derhalve zal worden veroordeeld.

5.9

Gezien de aard en de uitkomst van deze procedure, ziet de kantonrechter aanleiding de kosten daarvan te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 augustus 2016;

kent aan [verweerster] een transitievergoeding toe van € 10.987,31 bruto en veroordeelt Bavo deze transitievergoeding aan [verweerster] te betalen;

bepaalt dat elk van partijen de eigen kosten van deze procedure draagt;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.J. van Boven en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

673