Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:4416

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-06-2016
Datum publicatie
13-06-2016
Zaaknummer
KTN-3605609
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

haag 8 m hoog levert onrechtmatige hinder op, 30% afname bezonning. Vaste norm voor toetsing onrechtmatige hinder door wegnemen van zonlicht ontbreekt, even als een onbeperkt recht op zonlicht in de tuin. Recht woning af te schermen beperkt in woonwijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2016/202
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 3605609 CV EXPL 14-9927

uitspraak: 2 juni 2016

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht,

in de zaak van

1 [eiser],

2. [eiseres],

beiden wonende te [woonplaats],

eisers,

gemachtigde: mr. A.W.M. Roozeboom,

tegen

1 [gedaagde 1],

2. [gedaagde 2],

beiden wonende te [woonplaats],

gedaagden,

gemachtigde: mr. J. van Zinderen.

Partijen blijven hierna aangeduid als [eisers]. en [gedaagden]..

Verdere verloop van de procedure

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  1. het tussenvonnis van 2 juli 2015 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;

  2. de akte tevens houdende vermeerdering van eis namens [eisers]., met producties;

  3. de antwoordakte namens [gedaagden]., met producties;

  4. de rolbeslissing van deze rechtbank d.d. 10 december 2015;

  5. de akte namens [eisers]., met producties;

  6. de antwoordakte namens [gedaagden]., met producties.

Omdat de rechter die de het tussenvonnis van 2 juli 2015 heeft gewezen langdurig ziek is wordt dit vonnis door een andere rechter gewezen. Partijen zijn van een en ander op de hoogte gesteld en zijn in de gelegenheid gesteld een mondelinge behandeling te verzoeken ten overstaan van de nieuwe rechter. Er is binnen de gestelde termijn geen verzoek binnengekomen.

Beoordeling van het geschil

2.1

Aangesloten wordt bij hetgeen in voornoemd tussenvonnis werd overwogen en beslist.

Onder 4.2 is verwogen dat [gedaagden]. haag B binnen twee meter van de erfgrens hebben geplaatst, hetgeen niet geoorloofd is tenzij het plaatsen is geschied met toestemming van [eisers].. Daarnaast is onder 4.5 overwogen dat de hagen A en C en eventueel haag B in de tuin van [gedaagden]. hinder opleveren voor [eisers]. in die zin dat de hagen zonlicht wegnemen van het perceel van [eisers].. Echter stond vooralsnog niet vast dat de hinder zo ernstig is dat deze als onrechtmatig moet worden gekwalificeerd. Hierover hebben partijen zich nader, onder overlegging van stukken uitgelaten.

2.2

[eisers]. hebben daartoe bij akte van 27 augustus 2015 gesteld dat er geen rechtvaardigingsgrond voor [gedaagden]. bestaat om [eisers]. te onthouden van normaal woongenot. Partijen wonen in een woonwijk waar de huizen dicht op elkaar staan. Door de hoogte van de hagen hebben [eisers]. geen tot nauwelijks zonlicht in de tuin of woning. [gedaagden]. zijn weigerachtig de hagen te snoeien tot een normale hoogte hetgeen onrechtmatig is. [gedaagden]. hebben geen belang meer bij de haag nu zij voornemens zijn een oprit aan te leggen aan de zijde van haag A, aldus [eisers].. Daarnaast hebben [eisers]. door onderzoeksbureau Tack een bezonningsonderzoek laten uitvoeren. [eisers]. vermeerderen hun vordering met de kosten van dit onderzoek en het onderzoek dat zij eerder hebben laten uitvoeren, in totaal een bedrag van

€ 1.518,55.

2.3

Het rapport van onderzoeksbureau Tack van 17 augustus 2015 luidt –voor zover relevant-:

“[…]

Conclusie.

[…]

Binnenruimten

De lichte TNO bezonningsnorm en de bepalingsmethode Kraak en Tack bevestigen elkaar, waardoor met zekerheid gezegd kan worden dat er sprake is van een slechte bezonning van de woonkamer met name in februari, maart, september en oktober en in mindere mate april en augustus. Bovendien valt te zien dat er sterke verbeteringen optreden bij de alternatieven. Of andersom geredeneerd dat er een substantiele afname optreed door de aanwezigheid van de twee rijen coniferen.

Ook in gedeelten van de winter zal de vermindering duidelijk meetbaar zijn en de woonkamer als vrij donker ervaren kunnen worden.

Buitenruimten (21 april – 23 augustus)

De tuinen en terrassen – norm voldoet niet. De bezonning in de bestaande situatie is met gemiddeld 41 minuten slecht te noemen. De afname onder invloed van de coniferen bedraagt met 69% substantieel. Binnen de normperiode ontstaat met name in het voor en najaar vrij veel schaduw.

Ook in gedeelten van de winter zal de vermindering duidelijk merkbaar zijn waardoor de achtertuin als een donkere plek ervaren kan worden.

Concluderend kan worden gesteld dat de binnen en buiten ruimten van de [straatnaam en huisnummer] aanzienlijk nadelige gevolgen hebben ten gevolge van de twee rijen coniferen.

Bij eventuele maatregelen zou de drie meter variant volstaan aangezien de verschillen in verbetering bij volledige kap niet groot zijn.”

2.4

[gedaagden]. hebben bij antwoordakte van 22 oktober 2015 het verweer gevoerd dat er geen sprake is van onrechtmatige hinder. [gedaagden]. wensen geen inkijk in de keuken, slaapkamers en tuin te hebben vanuit het hoogste raam van [eisers]. en vanuit de ramen van de hoogste verdieping van de school. Daarnaast wensen [gedaagden]. geen zicht te hebben op de lelijke muur van de school ten zuidoosten van het perceel, danwel het schoolplein. De aanvraag voor het realiseren van een uitrit is afgewezen door de gemeente zodat [gedaagden]. juist belang hebben bij het blijven staan van haag B. De tuin van [gedaagden]. is niet zodanig groot dat de coniferen elders geplaatst kunnen worden.

Na de gerechtelijke plaatsopneming hebben [gedaagden]. de hagen laten snoeien, haag A tot een hoogte van 7,5 meter en hagen B en C tot een hoogte van 6 meter.

[gedaagden]. hebben door raadgevend ingenieursbureau Peutz een rapport op laten maken. De kosten van deze rapportage ad € 1.815,00 worden bij wege van proceskostenvergoeding gevorderd van [eisers].

2.5

Het rapport van Peutz van 21 oktober 2015 luidt –voor zover relevant-:

“[…]

In deze notitie wordt een beschouwing van het vermelde rapport (de ktr: rapport Tack) gegeven en worden aanvullende resultaten van een eigen onderzoek gepresenteerd.

[…]

4 Aanvullende rekenresultaten

[…]

t4.3 Bezonning op meetpunten [straatnaam en huisnummer], situatie met hagen 6 en 7,5 meter

positie meetpunt februari maart april mei juni juli augustus september oktober

˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗˗

[…]

procentuele invloed -42% -32% -34% -22% -13% -20% -34% -30% -38%

Samenvatting

- De bezonning met de 8 en 10 meter hoge hagen voldoet volgens het rapport van de Bezonningsingenieur niet aan de grenswaarde van de lichte TNO-norm. Hierbij is alleen getoetst op datum 19 februari. In het rapport worden zonder onderbouwing ook conclusies getrokken voor andere data in de periode van de lichte TNO-norm (hoofdstuk 7). Dit geeft een grote vertekening van de werkelijkheid.

- Het blijkt dat als de schaduwwerking op 19 februari van de boom die voor het schoolgebouw staat –er zit dan geen blad aan de boom- niet wordt meegenomen, de bezonningsduur boven de grenswaarde van 2 uur komt.

- Het eigen onderzoek geeft als gevolg van kleine verschillen in de modellering (onder meer van de betreffende boom en meetposities) circa 3 kwartier meer zon, waarmee de grenswaarde op 19 februari net gehaald wordt.

- De Bezonning neemt na datum 19 februari snel toe blijkt uit de eigen onderzoeksresultaten van de gehanteerde 9 toetsingsdagen. Een maand later is de bezonningsduur ruim het dubbele en bedraagt in juni 7:25 uur. De procentuele invloed neemt af richting de zomer, van -62% (-77% bezonningsingenieur) in februari naar -29% in juni.

- Het terugsnoeien van de hagen heeft onder meer gezorgd voor een uur extra zon op 19 februari (3 uur totaal). De procentuele invloed neemt ten gevolge van de lagere hagen af naar -62% naar -42% op 19 februari. Richting zomer neemt de invloed verder af naar -13% in juni.

- Er is exact vastgesteld welk deel van de hagen op de 9 toetsingsdagen schaduw geeft op de meetpunten binnen de periode van de lichte TNO-norm. Het overige deel van de hagen geeft hierbij geen schaduw. Een eventuele verdere verlaging van de hagen buiten de aangegeven markering draagt niet bij aan een betere bezonning op de meetpunten aan de [straatnaam en huisnummer].”

2.6

Partijen hebben bij nadere akten gereageerd op elkaars standpunten en rapporten.

2.7

De vraag of er sprake is van (on)rechtmatige hinder hangt af van de aard, de ernst en de duur daarvan, de daardoor veroorzaakte schade in verband met verdere omstandigheden van het geval waaronder de plaatselijke omstandigheden. Een vaste norm voor de toetsing van onrechtmatige hinder door het wegnemen van zonlicht ontbreekt, eveneens als een onbeperkt recht op zonlicht in de tuin.

2.8

Overwogen wordt als volgt. De percelen van partijen bevinden zich in een woonwijk met een schoolgebouw in de nabijheid. De tuin van [gedaagden]. is ruim, maar gelet op de ligging van het perceel en de positie van het woonhuis van [eisers]. ten opzichte van het perceel en het woonhuis van [gedaagden]. dat haaks daarop staat, bestaat er geen mogelijkheid tot het anders plaatsen van de hagen dan de wijze waarop zij nu zijn geplant. Daarnaast heeft er al een hoge rij bomen gestaan (in vergelijkbare lijn zoals nu haag A is geplaatst) bij de school ten tijde van de aankoop van [gedaagden]. van hun perceel zoals op foto's van [eisers]. te zien is. [eisers]. hebben daarom enige schaduwvorming te dulden. De kantonrechter is echter van oordeel dat hier sprake is van méér dan enige schaduwvorming. Dit volgt uit de in opdracht van partijen uitgevoerde onderzoeken. Deze bezonningsonderzoeken zijn opgesteld om inzicht te verkrijgen in de schaduwwerking van de hagen. Partijen hebben over en weer elkaars deskundige en rapport bekritiseerd. De kantonrechter gaat aan deze discussie voorbij en wel om het volgende. De conclusie van Peutz, de rapporteur die door [gedaagden]. is ingeschakeld, luidt dat er in de maand februari sprake is van een afname van de bezonning van 42%, in maart van 32%, in april van 34%, in mei van 22%, in juni van 13%, in juli van 20% in augustus van 34%, in september van 30% en in oktober van 38%, uitgaande van de huidige situatie dat [gedaagden]. haag A hebben laten terugsnoeien tot een hoogte van 7,5 meter en de hagen B en C tot een hoogte van 6 meter. Slechts één maand per jaar ligt het percentage dat er sprake is van minder zonuren onder de 20% (juni) en twee maanden onder de 30% (mei en juli). De overige maanden van het jaar is er dus sprake van meer dan 30% aan afname bezonning, wat fors te noemen is. Dus zelfs als wordt uitgegaan van de conclusies van de deskundige van [gedaagden]. is bij Verhagen c.s. al sprake van een flink verlies aan licht (en warmte) als gevolg van de hoogte van de coniferenhagen. Daarnaast is er nog het visuele aspect. De kantonrechter heeft ter plaatse geconstateerd dat de “onderhavige bomen vrij hoog zijn” en dit wordt door de in het geding gebrachte foto’s ook geïllustreerd. Naast de vrij smalle tuin van [eisers]. groeit in de tuin van [gedaagden]. een cipressenhaag van verhoudingsgewijs grote hoogte die in een bos niet zou misstaan. Dit oogt disproportioneel en hoewel [gedaagden]. het recht hebben om in hun woning zoveel mogelijk privacy te genieten, heeft dit recht in een stadse omgeving zijn grenzen, zeker nu er ook andere manieren zijn om inkijk te voorkomen, zoals vitrages. Het ontvangen van voldoende (zon)licht in de tuin en in de woning van [eisers]. met het daaraan verbonden welbevinden kan enkel gerealiseerd worden door het geregeld terugsnoeien van de hagen door [gedaagden]. en geconcludeerd wordt dat het maar laten doorgroeien van de hagen tot een hoogte van 8 meter, zoals is geschied, als onrechtmatig dient te worden gekwalificeerd.

2.9

Vervolgvraag is wanneer de hinder niet meer onrechtmatig is, met andere woorden wat er met de hagen A, B en C dient te gebeuren. Uit de onder 2.3 en 2.5 opgenomen rapporten volgt dat er geen verschil in bezonning te behalen valt bij het verwijderen van de hagen in vergelijking tot het terugsnoeien tot een hoogte van 3 meter. Dit brengt met zich mee dat de vordering tot het verwijderen van de hagen zal worden afgewezen. Wel zal als het mindere worden toegewezen dat de hagen gesnoeid dienen te worden. Anders dan [gedaagden]. betogen, valt uit figuur 5.1 van hiervoor genoemd rapport van Peutz bovendien wel degelijk op te maken dat er een significant verschil is in terugsnoeien van de hagen nog onder de 6 meter, zoals tijdens de procedure is gebeurd.

figuur 5.1 van dit rapport:

Deze figuur laat zien welk deel van de hagen het directe zonlicht onderbreken en schaduw werpen op de meetpunten. Het schaduw gevende deel is aangegeven met de lichtgroene kleur. Het deel boven de 4 meter hoogte geeft nog een aanzienlijke schaduw in de zin van onrechtmatige hinder. Onder deze hoogte is er nog steeds sprake van schaduw en dus hinder, maar niet meer zodanig dat dit onrechtmatig te noemen is. De kantonrechter zal [gedaagden]. dan ook veroordelen de hagen terug te snoeien tot een hoogte van 4 meter en de hagen op deze hoogte te houden. Door [gedaagden]. is nog aangedragen dat de hagen B en C geplaatst zijn om inkijk vanuit het raam in de zijgevel van het huis van [eisers]. te voorkomen, maar nu door hem op geen enkele wijze inzichtelijk is gemaakt wat de minimale hoogte van de hagen zou moeten zijn, kan dit niet meegenomen worden in de afweging van belangen.

2.10

In eerdergenoemd tussenvonnis is overwogen dat [gedaagden]. in de gelegenheid gesteld zullen worden te bewijzen dat [eisers]. toestemming hebben gegeven om haag B binnen twee meter van de erfgrens te plaatsen. Op deze beslissing komt de kantonrechter terug. Zij leest in het door [gedaagden]. gestelde veeleer dat [eisers]. geen bezwaar hadden tegen de plaats van haag B, mits deze op aanvaardbare hoogte zou blijven. De problemen ontstonden nu juist omdat [gedaagden]. de hagen maar liet doorgroeien. Voor zover [eisers]. bij nadere akte nog hebben betoogt dat alle hagen A, B en C binnen een afstand van twee meter van de erfgrens zijn geplaatst, wordt deze stelling verworpen nu reeds hiervoor is overwogen dat daarvoor een gebrek aan belang is.

2.11

Alles afwegende komt de kantonrechter tot de slotsom dat de primaire vordering, het verwijderen van de hagen, moet worden afgewezen. De subsidiaire vordering zal in die zin worden toegewezen dat [gedaagden]. veroordeeld worden de hagen A, B en C terug te snoeien en vervolgens te houden op een hoogte van 4 meter.

2.12

De kantonrechter ziet geen aanleiding tot het toewijzen van een dwangsom nu daarvoor geen specifieke reden is gesteld door [eisers]., zodat dit deel van de vordering zal worden afgewezen.

2.13

De gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen, nu onvoldoende is gesteld en evenmin is gebleken dat het gaat om verrichtingen die meeromvattend zijn dan de verrichtingen waarvoor de in de artikelen 237-240 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten.

2.14

De kantonrechter ziet aanleiding de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt gelet op het feit dat partijen buren zijn en partijen over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld. Op grond hiervan dient ook iedere partij de kosten van de eigen ingeschakelde rapporteur te dragen.

2.15

De kantonrechter zal de gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring toewijzen, nu de hagen niet hoeven te worden verwijderd maar slechts gesnoeid, wat niet onomkeerbaar is. Wel zal een iets ruimere termijn gegeven worden voor het (doen) uitvoeren van de werkzaamheden.

Beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagden]. om binnen een maand na betekening van dit vonnis tot het snoeien en gesnoeid houden van de hagen A, B en C tot een hoogte van maximaal 4 meter voor rekening en risico van [gedaagden].;

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

verklaart deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Poiesz en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

745