Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:4325

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-06-2016
Datum publicatie
09-06-2016
Zaaknummer
C/10/500350 / FT EA 16/1006
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omstandigheden dat schuldenares schulden heeft die niet te goeder trouw zijn ontstaan en dat minder dan tien jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend op verzoekster de schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest zodat een nieuwe toelating op grond van art. 288 lid 2 onder d Fw waarschijnlijk moet worden afgewezen, er niet aan in de weg mogen staan dat zij de mogelijkheid krijgt een minnelijke schuldregeling met haar schuldeisers overeen te komen.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 287b, geldigheid: 2008-01-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Insolventie

voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet

rekestnummers: [nummer]

uitspraakdatum: 1 juni 2016

[naam 1],

wonende te [adres]

[woonplaats],

verzoekster.

1 De procedure

Verzoekster heeft op 26 april 2016, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw) een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.

In het vonnis van deze rechtbank van 26 april 2016 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 18 mei 2016.

Ter zitting van 18 mei 2016 zijn verschenen en gehoord:

  • -

    mevrouw [naam 1], verzoekster;

  • -

    mevrouw [naam 2], werkzaam bij Kredietbank Rotterdam, hierna te noemen SHV;

mr. [naam 3], werkzaam bij Bazuin & Partners Gerechtsdeurwaarders heeft namens Woonfonds Zuid-Holland 2 B.V. (hierna: verweerster) voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden en aangegeven dat zij niet ter zitting zullen verschijnen

De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2 Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en Woonfonds Zuid-Holland 2 B.V. gevestigd te Amsterdam te verbieden het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 11 maart 2016 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.

Verzoekster heeft ter zitting verklaard zij nu nog een ZW-uitkering ontvangt en dat zij herstellende is. Bij [naam 4] werkt zij gemiddeld 22,5 uur per week en daarmee verdient zij ongeveer € 1.600,00 netto per maand. Dit is volgens verzoekster voldoende om haar vaste lasten van te betalen. Verzoekster zal de huur van mei uiterlijk 23 mei betalen. Zij ontvangt dan haar salaris. Verzoekster heeft verklaard dat zij altijd al de lopende huur rond die periode van de maand betaalde. Verzoekster heeft voorts gesteld dat zij in 2013 ernstig ziek is geworden waardoor zij het overzicht in haar administratie is kwijtgeraakt waardoor zij in de problemen is gekomen.

Met betrekking tot de boetes van het Centraal Justitieel Incasso Bureau (hierna: CJIB) heeft verzoekster verklaard dat zij in de periode dat zij ziek was auto’s voor haar moeder en haar nichtje op haar naam heeft laten zetten. Haar moeder en haar nichtje zouden de boetes betalen. Verzoekster vertrouwde hen. Ten onrechte blijkt nu, waarbij zij opmerkt dat haar moeder en zus wel hebben toegezegd dat zij de boetes alsnog gaan betalen als zij over geld beschikken. Verzoekster heeft thans geen auto’s meer op haar naam staan.

SHV heeft ter terechtzitting verklaard dat budgetbeheer met ingang van 1 juni 2016 zal starten en dat verzoekster beschermingsbewind zal aanvragen. Op 26 mei aanstaande heeft verzoekster een intakegesprek met een beschermingsbewindvoerder. Daarnaast wordt verzoekster bijgestaan door het wijkteam.

3 Het verweer

Bij verweerschrift van 2 mei 2016 heeft mr. [naam 3] bericht dat zij zich namens verweerster verzet tegen toewijzing van het verzoek. Verzoekster heeft in de afgelopen jaren meerdere malen een achterstand in de betaling van de huurtermijnen laten ontstaan, waardoor verweerster genoodzaakt was haar vorderingen meerdere malen aan de deurwaarder over te dragen. Er is door de kantonrechter drie keer eerder vonnis gewezen. Op 20 december 2013 is verzoekster veroordeeld tot betaling van achterstallige huurtermijnen. Ter executie van dit vonnis heeft verweerster beslag gelegd op het inkomen van verzoekster. Bij vonnis van 11 juli 2014 heeft de kantonrechter de huurovereenkomst ontbonden en verzoekster veroordeeld om naast betaling van achterstallige huurtermijnen de woning te ontruimen. Verzoekster heeft de huurachterstand uit dit vonnis uiteindelijk volledig voldaan. Op 21 augustus 2015 is verzoekster door de kantonrechter wederom veroordeeld voor achterstallige huurtermijnen. Hiervoor is een betalingsregeling afgesproken. Aangezien verzoekster wederom haar afspraken niet nakwam heeft verweerster opnieuw een vordering ingediend bij de kantonrechter. Dit heeft geresulteerd in een vonnis van 11 maart 2016 op basis waarvan zij opnieuw de ontruiming van de woning heeft aangezegd. Thans bedraagt de huurachterstand € 718,69. Daarnaast is verzoekster nog proces- en deurwaarderskosten verschuldigd aan verweerster.

Gelet op het betalingsgedrag van verzoekster de afgelopen vier jaar heeft verweerster er geen enkel vertrouwen in dat verzoekster de huurtermijnen in de toekomst wel tijdig zal voldoen. Gezien het vorenstaande verzoekt verweerster het verzoekschrift tot het treffen van een moratorium af te wijzen.

4 De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 11 maart 2016 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 30 maart 2016 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 4 mei 2016 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.

De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.

Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.

Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen zodat zij vanuit een stabiele situatie het minnelijk schuldhulpverleningstraject kan doorlopen.

Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 11 maart 2016 ten uitvoer kan leggen.

Verzoekster heeft op zich voldoende inkomsten om de huurpenningen te kunnen voldoen.

Nu budgetbeheer met ingang van 1 juni 2016 start en verzoekster beschermingsbewind zal aanvragen, is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de lopende termijnen zullen worden voldaan. Verder is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheden dat schuldenares schulden heeft die niet te goeder trouw zijn ontstaan en dat minder dan tien jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend op verzoekster de schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest zodat een nieuwe toelating op grond van art. 288 lid 2 onder d Fw waarschijnlijk moet worden afgewezen, er niet aan in de weg mogen staan dat zij de mogelijkheid krijgt een minnelijke schuldregeling met haar schuldeisers overeen te komen. Aan verweerster kan worden toegegeven dat verzoekster in het verleden de huurpenningen regelmatig onbetaald heeft gelaten zodanig dat verweerster zich genoodzaakt zag zich tot de kantonrechter te wenden, maar daar staat tegenover dat de uiteindelijke huurachterstand thans mede door de schenking van het Fonds Bijzondere Noden zodanig is geslonken, dat het financiële belang van verweerster relatief gezien beperkt is.

Gelet op het voorgaande is niet gebleken van zwaarwegende redenen die tot afwijzing van het verzoek moeten leiden en dient naar het oordeel van de rechtbank het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.

De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.

Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard.

5 De beslissing

De rechtbank:

- schort de tenuitvoerlegging op van het op 11 maart 2016 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan de [adres] te [woonplaats], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;

- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;

- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden;

- bepaalt dat SHV die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;

- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Kruisdijk, voorzitter, mrs. V.M. de Winkel en M. Aukema, rechters, en in aanwezigheid van A. Mergen, griffier, in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2016.