Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:4283

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-04-2016
Datum publicatie
08-06-2016
Zaaknummer
C/10/16/93 R
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussentijdse beëindiging op grond van art. 350 lid 3, sub c en f.

Bedreiging bewindvoerder tijdens huisbezoek en veroordeling door politierechter vlak voor toelatingszitting niet gemeld op toelatingszitting.

Voordracht RC toegewezen

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2016/192
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

tussentijdse beëindiging

insolventienummer: [nummer]

uitspraakdatum: 22 april 2016

Bij vonnis van deze rechtbank van 10 februari 2016 is de toepassing van de

schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van:

[naam 1] ,

[adres] ,

[woonplaats] ,

schuldenaar,

bewindvoerder: P.H.L. Adam.

1 De procedure

De bewindvoerder heeft bij brief van 9 maart 2016, gericht aan de rechter-commissaris, een verzoek gedaan om de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen. De rechter-commissaris heeft op 17 maart 2016 een voordracht tot tussentijdse beëindiging gedaan waarbij zij het verzoek van de bewindvoerder heeft ondersteund.

De bewindvoerder en de schuldenaar, vergezeld door mevrouw [naam 2] , werkzaam bij Laurens Thuisbegeleiding, zijn gehoord ter terechtzitting van 8 april 2016.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De standpunten

Als grond voor de beëindiging is – kort gezegd – aangevoerd dat schuldenaar door zijn doen of nalaten de uitvoering van de schuldsaneringsregeling belemmert dan wel frustreert. Schuldenaar heeft de bewindvoerder tijdens het huisbezoek op 24 februari 2016 bedreigd en gesommeerd zijn woning te verlaten. De bewindvoerder heeft op 25 februari 2016 op het politiebureau te Maasdam aangifte tegen schuldenaar gedaan vanwege het incident tijdens het huisbezoek. Daarnaast zijn er feiten en omstandigheden bekend geworden die op het tijdstip van indiening van het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest om het verzoek af te wijzen. De bewindvoerder is er immers via de postblokkade mee bekend geworden dat schuldenaar bij vonnis van 2 februari 2016 – 8 dagen voor de toelatingszitting – door de politierechter is veroordeeld voor een drugsdelict tot een taakstraf voor de duur van 80 dagen, subsidiair 40 dagen hechtenis, waarvan 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Ter zitting heeft de bewindvoerder over het huisbezoek, aanvullend op zijn brief van 9 maart 2016 en de voordracht van de rechter-commissaris van 17 maart 2016, verklaard dat bij het bespreken van de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling schuldenaar opeens opstond, dicht voor hem op zijn tas ging staan, zijn stem verhief, briesend achter hem aanliep en de deur met een flinke zet achter hem dichtgooide.

Mevrouw [naam 2] heeft in haar faxbericht van 25 februari 2016 aangegeven dat het gesprek niet goed was verlopen en dat schuldenaar op een verbaal ongepaste wijze het gesprek abrupt beëindigd had. Zij heeft voorts geschreven dat het gedrag van schuldenaar niet te vergoelijken is, maar dat schuldenaar zijn dag niet had en dat hij overprikkeld heeft gereageerd op een opmerking van de bewindvoerder die hem op dat moment niet beviel. Mevrouw [naam 2] heeft verder in haar fax verklaard dat schuldenaar niet voor niets begeleiding krijgt voor zijn gedrag. Er is een nieuw stappenplan gemaakt, waarbij schuldenaar zo spoedig mogelijk zal worden verwezen naar een psycholoog en waarbij Bouman-GGZ zal worden ingeschakeld. Zij heeft verzocht om de schuldsaneringsregeling niet tussentijds te beëindigen.

Ter zitting heeft mevrouw [naam 2] daar aan toegevoegd dat zij de dag vóór het huisbezoek van de bewindvoerder bij schuldenaar langs is geweest en zag dat hij toen flink aan het blowen was met vrienden. Dat zou een verklaring kunnen zijn voor zijn gedrag. Schuldenaar heeft een zwaar leven heeft gehad; hij heeft 10 jaar gezworven en is psychisch beschadigd. Hij heeft professionele hulp nodig. Tijdens het huisbezoek heeft zij niet ingegrepen, omdat zij niet wilde dat de zaak verder zou escaleren. Zij kan begrijpen dat de bewindvoerder zich bedreigd voelde. Ten slotte heeft zij verklaard dat schuldenaar nog niet onder behandeling is. Schuldenaar is bij de huisarts geweest om een verwijzing te vragen, ook voor zijn cannabisverslaving, aldus mevrouw [naam 2] .

Schuldenaar heeft ter zitting verklaard dat hij zich tijdens het huisbezoek onheus bejegend en gekleineerd voelde en dat hij de bewindvoerder vriendelijk heeft verzocht om dat niet te doen. Hij heeft de bewindvoerder vervolgens, naar zijn zeggen, vriendelijk gevraagd om zijn woning te verlaten. Schuldenaar heeft verder verklaard dat hij het niet tolereert dat hem in zijn eigen huis commando’s worden gegeven en dat hij zich door niemand zo laat behandelen. Schuldenaar heeft voorts verklaard dat de schuldsaneringsregeling niet zijn eigen keuze was, maar dat hij dit heeft gedaan op aandringen van zijn begeleider en zijn moeder. Schuldenaar heeft ter zitting erkend dat hij cannabis gebruikt, maar ontkend dat hij verslaafd is aan cannabis. Schuldenaar wil naar de psycholoog om te bewijzen dat hem geestelijk niets mankeert.

Met betrekking tot het niet vermelden van zijn veroordeling voor het drugsdelict heeft schuldenaar ter zitting verklaard dat hij dit niet bewust verzwegen heeft. Schuldenaar heeft ten slotte verklaard dat hij geen hoger beroep tegen de veroordeling zal instellen en dat hij liever de taakstraf uitvoert dan dat hij de gevangenis in moet.

3 De beoordeling

De schuldsaneringsregeling biedt een schuldenaar in een problematische schuldensituatie de mogelijkheid om na drie jaar een schone lei te verkrijgen. Dit betekent in de voorliggende regeling dat een groot deel van de schuld van € 6.774,35 niet langer opeisbaar is. Tegenover dit perspectief staat een aantal niet lichtvaardig op te vatten verplichtingen.

De bewindvoerder is op grond van de Faillissementswet belast met onder andere het toezicht op de naleving door de schuldenaar van diens verplichtingen uit hoofde van de schuldsaneringsregeling. De schuldenaar dient de bewindvoerder in staat te stellen genoemd toezicht uit te oefenen.

Tijdens het uitvoeren van zijn taak staat het de bewindvoerder vrij, zo nodig op strikte toon, te waarschuwen voor de gevolgen als schuldenaar zijn verplichtingen niet (goed) nakomt. De bewindvoerder staat, voor wat betreft het vervullen van de taken die de Faillissementswet hem opdraagt, onder toezicht van de rechter-commissaris.

Gelet op de verklaring van de bewindvoerder, die op essentiële punten wordt bevestigd door de verklaring van mevrouw [naam 2] , is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk geworden dat schuldenaar met zijn houding en gedrag tijdens het huisbezoek een situatie heeft gecreëerd waarin de bewindvoerder zich ernstig bedreigd heeft kunnen voelen en aldus werd verhinderd om zijn wettelijke taak uit te oefenen. Deze situatie komt geheel voor rekening van schuldenaar zelf. Schuldenaar had moeten weten of behoren te begrijpen dat zijn gedrag jegens de bewindvoerder ontoelaatbaar was. Hij heeft daar echter op geen enkele wijze blijk van gegeven. Integendeel, ook ter zitting heeft schuldenaar geen enkel blijk van zelfinzicht ten aanzien van zijn houding en gedrag gegeven.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat genoegzaam is komen vast te staan dat schuldenaar door zijn houding en gedrag de uitvoering van de schuldsaneringsregeling frustreert en geen blijk geeft van een saneringsgezinde houding.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat sprake is van feiten en omstandigheden die bekend zijn geworden na de toelating en die, als deze ten tijde van de toelating bekend geweest waren, reden zouden zijn geweest om het verzoek af te wijzen. Gebleken is immers dat schuldenaar bij vonnis van 2 februari 2016 – 8 dagen voor de toelatingszitting – door de politierechter is veroordeeld voor een drugsdelict. Door zich nog zo kort voor de behandeling van zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling schuldig te maken aan een strafbaar feit, toont schuldenaar dat hij onvoldoende saneringsgezind is.

Daarbij komt nog dat de rechtbank er onvoldoende vertrouwen in heeft dat schuldenaar in staat is zich aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen te houden. De behandeling voor zijn psychische en/of agressieproblemen en/of verslavingsproblemen moet immers nog beginnen.

Het voorgaande rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank dat de regeling op grond van artikel 350, derde lid, onder c en f tussentijds wordt beëindigd.

De rechtbank zal het salaris van de bewindvoerder en de door deze gemaakte kosten vaststellen.

De rechtbank stelt vast dat er geen baten beschikbaar zijn om daaruit vorderingen geheel of gedeeltelijk te voldoen. Er is daarom geen sprake van een faillissement van rechtswege zodra deze uitspraak in kracht van gewijsde gaat.

4 De beslissing

De rechtbank:

- beëindigt de toepassing van de schuldsaneringsregeling;

- stelt het salaris van de bewindvoerder, één en ander inclusief onkosten en omzetbelasting, vast op het aanwezig actief tot een bedrag van maximaal € 1.435,86;

Dit vonnis is gewezen door mr. W. Reinds, voorzitter, mrs. A.M. van Kalmthout en M. Aukema, rechters, en in aanwezigheid van A. Mergen, griffier, in het openbaar uitgesproken op 22 april 2016.1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.