Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:4076

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-05-2016
Datum publicatie
01-06-2016
Zaaknummer
KTN-4907136
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontslag op staande voet wegens diefstal geld vernietigd: geen gedegen onderzoek uitgevoerd naar opgemaakte retourbonnen. Geen bewijsopdracht naar –betwiste- bekentenis nu partijen belang hebben bij duidelijkheid op korte termijn. Vergoeding onregelmatige opzegging ex artikel 7:672 lid 10 BW, transitievergoeding en billijke vergoeding van € 10.000,00 toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-0579
AR 2016/1516
RAR 2016/131

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 4907136 HA VERZ 16-52

uitspraak: 30 mei 2016

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht,

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

gemachtigde: mr. H.S. Snijders,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Zeeman Textielsupers B.V.

gevestigd te Alphen aan den Rijn,

verzoekster,

gemachtigde: mr. S. Brouwer.

Partijen worden hierna mede aangeduid als “ [verzoekster] ” en “Zeeman”.

Het verloop van de procedure

Van de volgende processtukken is kennisgenomen:

  • -

    het verzoekschrift, met bijlagen, ontvangen op 14 maart 2016;

  • -

    het verweerschrift, met bijlagen, waaronder een CD-Rom;

  • -

    de ter zitting door [verzoekster] in het geding gebrachte kleurenproducties 24a t/m 24d en een verklaring van mevrouw [G.] , ambulant hulpverlener;

- de pleitaantekeningen aan de zijde van [verzoekster] en Zeeman.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 mei 2016. [verzoekster] is in persoon verschenen, vergezeld van haar partner en vader en bijgestaan door haar gemachtigde.

Aan de zijde van Zeeman zijn verschenen mevrouw [S.] , regiomanager, en de heer [K.] , kascontroleur, bijgestaan door de gemachtigde van Zeeman.

Van het ter zitting besprokene heeft de griffier aantekening gehouden.

De feiten

1.1

[verzoekster] , geboren op [geboortedatum] 1994, is op 2 juli 2011 in dienst getreden bij Zeeman als verkoopster. Zij is nu Tijdelijk Filiaalbeheerder tegen een salaris van € 1.200,11 bruto per maand, exclusief vakantiebijslag.

1.2

Op 26 januari 2016 is [verzoekster] door een medewerker van het hoofdkantoor van Zeeman gebeld. Het gesprek ging over een door [verzoekster] gegeven retourbedrag van

€ 88,95 aan een klant.

1.3

Op 1 februari 2016 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [verzoekster] , de regiomanager [S.] (hierna: [S.] ) en de kascontroleur [K.] (hierna: [K.] ). Tijdens dit gesprek werd [verzoekster] geconfronteerd met vier door haar opgemaakte zogenaamde retourbonnen. Na afloop van dit gesprek is [verzoekster] op staande voet ontslagen.

1.4

Van het gesprek op 1 februari 2016 heeft [K.] een verslag opgemaakt met de navolgende inhoud (de cursieve gedeeltes zijn handgeschreven):

"Gespreksverslag

Plaats: [plaatsnaam] Datum: 1-2-2016

Aanwezig namens Zeeman textielSupers (naam en functie):

[S.] (RM), [K.] (Kascontroleur)

Werknemer (…)

[verzoekster] (…)

Met de werknemer zijn de volgende zaken besproken, nadat de werknemer is medegedeeld dat er geen verplichting is om op de vragen gesteld namens zeeman textielSupers te antwoorden:

Ik [verzoekster] beken hierbij dat ik de valse retourbonnen op de kassa heb aangeslagen (het gaat om de volgende bonnen d.d. 28/12/2015 voor een bedrag van 44,85 / op 6/1/2016 voor een bedrag van 88.95/op 16/1/2016 voor een bedrag van 26.91 en op 20/1/2016 voor een bedrag van 27.97 = Totaal 187.73 . Het geld stak ik in mijn eigen za. Niemand kwam werkelijk iets retour brengen. Ik autoriseerde door het gebruik v/e personeelspasje van een andere medewerkster, anders kon ik geen retourbonnen aanslaan zonder aankoopbon van een klant.

Visie van de werknemer op hetgeen heeft plaatsgevonden:

Bij deze heb ik spijt van wat ik heb gedaan, grootste fout geweest.

[…]"

1.5

Bij brief, gedateerd 1 februari 2016, is het aan [verzoekster] gegeven ontslag op staande voet bevestigd. Die brief luidt, voor zover relevant, als volgt:

“Hierbij bevestigen wij dat wij op 1 februari 2016 zijn overgegaan tot ontslag op staande voet wegens diefstal van geld van uw werkgever. Uw dienstverband is derhalve beëindigd per 1 februari 2016.

Het totaal gefraudeerde bedrag van € 187,- zullen wij inhouden op de eindafrekening. […]”.

1.6

De gemachtigde van [verzoekster] heeft bij brief van 3 februari 2016 bericht dat [verzoekster] zich niet kan verenigen met het ontslag op staande voet.

Het geschil

Het verzoek

2.1

[verzoekster] heeft verzocht -verkort weergegeven-,

  • -

    een verklaring voor recht dat het door Zeeman gegeven ontslag op staande voet ten onrechte is gegeven;

  • -

    een veroordeling van Zeeman -onder afgifte van een deugdelijke bruto/netto specificatie- tot betaling aan haar van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van € 2.592,23 bruto ex artikel 7:672 lid 10 BW, de transitievergoeding van € 1.944,00 bruto, een billijke vergoeding van € 20.000,00 bruto ex artikel 7:681 BW, althans een bedrag in goede justitie te bepalen, een bedrag van € 212,00 aan onrechtmatige inhoudingen, alle bedragen vermeerderd met de wettelijke rente;

  • -

    een veroordeling van Zeeman in de proceskosten.

2.2

Aan dit verzoek legt zij, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, ten grondslag dat er geen sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet. Zij ontkent geld te hebben weggenomen. Daarnaast ontkent zij dat zij tijdens het gesprek op

1 februari 2016 met [S.] en [K.] heeft toegegeven dat zij valse retourbonnen opmaakte om zo de retourbedragen in eigen zak te kunnen steken.

Vanwege de zeer confronterende wijze waarop Zeeman met haar is omgegaan, heeft zij geen enkel vertrouwen meer in een vruchtbare samenwerking, zodat zij geen vernietiging van het ontslag op staande voet verzoekt. Het ontslag op staande voet raakt [verzoekster] diep waardoor zij in een persoonlijke crisis is geraakt. De gang van zaken grijpt haar zodanig aan dat zij haar voorgenomen huwelijk in september van dit jaar heeft uitgesteld. [verzoekster] werkte vijf jaar lang naar volle tevredenheid en is nooit een dag ziek geweest. Tot Zeeman haar uit het niets en zonder behoorlijk onderzoek, maar op basis van vermoedens, aannames en onvolledige camerabeelden ten onrechte beschuldigde.

2.3

Zeeman voert het beleid dat breigarens altijd teruggebracht mogen worden, zelfs zonder bon, dus valt niet in te zien wat er mis is met de bonnen van 28 december 2015 en

16 januari 2016.

Op 6 januari 2016 heeft een klant bij [verzoekster] dekbedden retour gebracht. Deze klant had geen kassabon meer. Normaal gesproken dient er in dat geval een vervangende kassabon uitgeschreven te worden en moet de klant het "retourbedrag" direct besteden aan goederen uit de winkel. Omdat het om een vaste klant ging die elke week in de winkel kwam en omdat deze klant [verzoekster] vertelde dat zij eerst haar kinderen uit school ging halen, maar daarna terug zou komen om de vervangende aankopen te doen, gaf [verzoekster] het retourbedrag van € 88,95 aan de klant. [verzoekster] zag deze klant later op de dag terug in de winkel. Dat zij overigens op de vervangende aankoopbon schreef "net gekocht" wil niet zeggen dat zij daarmee bedoelt diezelfde dag, maar ergens in de kort daaraan voorafgaande periode.

Dat er telkens op de camerabeelden geen klanten aan de balie staan als er retouren verwerkt worden -buiten het gegeven dat er maar een klein gedeelte van de balie bij de kassa zichtbaar is-, is op zich niet vreemd. Het gebeurt regelmatig dat een klant de winkel inloopt naar [verzoekster] of een van haar collega's om spullen terug te brengen. Als er namelijk geen klanten staan, verrichten zij werkzaamheden in de winkel en blijven niet bij de kassa staan. Als [verzoekster] de code van het betreffende artikel kent, legt zij het artikel alvast terug in de winkel en gaat daarna naar de kassa om het artikelnummer aan te slaan en de retourbon te maken. Kent zij het artikelnummer niet, dan neemt zij het artikel mee naar de kassa.

De klant kan ondertussen verder winkelen.

Het enige dat [verzoekster] te verwijten valt, is dat zij handelde in strijd met de kassa-instructies door een pasje van een collega te gebruiken om retourbonnen te autoriseren.

Dat is een fout geweest en van die fout heeft ze spijt. Haar verklaring op het gespreksverslag van 1 februari 2016 ziet dan ook enkel daarop. [K.] had zijn handgeschreven verklaring daarboven op dat moment nog niet ingevuld. De kassa-instructie was [verzoekster] overigens niet helemaal duidelijk. Bij indiensttreding ontving zij een handboek, maar door haar autistische stoornis dringen schriftelijke regels niet goed door. Met een mondelinge uitleg dringen regels beter door, maar die is nooit gegeven. Daarnaast is het in de praktijk zo dat er altijd wel een pasje bij de kassa ligt omdat er niet altijd gelegenheid is voor een andere medewerker om naar de kassa te komen in geval van retouren. De spijtbetuiging van [verzoekster] dient ook in het licht van haar stoornis bezien te worden, nu zij na de confrontatie door [K.] zich totaal overdonderd voelde en dicht geklapt is.

Het verweer

2.4

Zeeman stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet. Daartoe voert zij -kort samengevat- aan dat [verzoekster] vier valse retourbonnen heeft opgemaakt om het retourbedrag in eigen zak te kunnen steken, dus geld te stelen van Zeeman. Dit levert een dringende reden op. Nu er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen door [verzoekster] is Zeeman niet gehouden enige vergoeding te voldoen aan [verzoekster] . De verzoeken van [verzoekster] dienen dan ook te worden afgewezen.

2.5

De retourbon met nummer 0491 opgemaakt door [verzoekster] op 6 januari 2016 om 15.45 uur viel op door de hoogte van het retourbedrag, te weten € 88,95. De afdeling Kasadministratie verzocht naar aanleiding van deze bon de afdeling Controlling de camerabeelden van 6 januari 2016 te mogen bekijken. [K.] is vervolgens zijn onderzoek gestart. Bij retourbon 0491 zit een vervangende kassabon met daarop de mededeling: "bon kwijt, net gekocht, niet goed". Vanwege de mededeling "net gekocht" onderzocht [K.] de journalen. Uit dit onderzoek is niet gebleken dat er die dag een aankoop was van € 88,95. Uit de camerabeelden van 6 januari 2016 blijkt het volgende. Om 15.43 uur meldt [verzoekster] zich aan bij de kassa. Rond 15.45 uur is er geen klant aanwezig terwijl [verzoekster] de retourbon voor drie dekbedsets en twee hoeslakens opmaakt. Wel is te zien dat [verzoekster] artikelen uit de winkel haalt, naar de kassa meeneemt en de artikelen scant. Verder is op de retourbon te zien dat medewerker 73308 de bon geautoriseerd heeft. Op de camerabeelden is deze collega echter niet te zien, maar [verzoekster] gebruikt wel de pas van deze collega.

Naar aanleiding van deze bevindingen onderzocht [K.] andere retourbonnen van [verzoekster] . De tweede retourbon met nummer 7811 maakte [verzoekster] op 28 december 2015 op voor bollen breigaren voor een bedrag van € 44,85. Hier zijn geen beelden van.

De derde retourbon met nummer 3703 op 16 januari 2016 voor bollen breigaren voor een bedrag van € 26,91. Wederom verrichtte [verzoekster] diverse kassahandelingen terwijl er geen klant te zien is op de camerabeelden. Om 15.39 uur wordt de kassalade twee keer geopend. Daarna rekent een klant een wenskaart af en vervolgens maakt [verzoekster] de retourbon.

De vierde retourbon met nummer 4882 werd opgemaakt op 20 januari 2016 voor een bedrag van € 27,97. Op de camerabeelden van die dag is te zien dat [verzoekster] eerst een grijze joggingbroek uit de winkel haalt, deze scant en weer terugbrengt. Vervolgens haalt zij een spijkerbroek uit de winkel en scant ook deze broek. Vervolgens pakt zij een zwart shirt van achter de balie en scant ook dit artikel. Uit de journalen is op te maken dat deze artikelen als retour worden aangeslagen. Wederom is er geen klant bij de kassa te bekennen.

Wat daarnaast is opgevallen, is dat alle retourbonnen tussen 15.40 en 16.00 uur zijn opgemaakt, het tijdstip waarop de andere caissière pauze heeft.

Tijdens het gesprek op 1 februari 2016 met [S.] en [K.] bekende [verzoekster] dat zij geld uit de kassalade heeft weggenomen en de goederen ten onrechte retour heeft aangeslagen om zo het weggenomen bedrag te kunnen verantwoorden. Tevens bekende zij pasjes van collega's gebruikt te hebben voor de autorisatie van de retouren. Als verklaring voor haar gedrag gaf zij aan geld nodig te hebben om benzine te kunnen kopen. [K.] heeft het onder 1.4. genoemd gespreksverslag opgemaakt, zijn handgeschreven verklaring ingevuld en pas daarna vulde [verzoekster] haar gedeelte in en ondertekende zij het gespreksverslag.

Ter zitting hebben [S.] en [K.] aanvullend verklaard dat [verzoekster] op 1 februari 2016 relatief snel bekende en het formulier invulde nadat [K.] zijn handgeschreven gedeelte had ingevuld.

De beoordeling van het verzoek

3.1

Het gaat in deze zaak allereerst om de vraag of er een dringende reden was voor de opzegging van de arbeidsovereenkomst.

3.2

[verzoekster] heeft het verzoek tijdig ingediend, omdat het is ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Voor zover het verzoek betrekking heeft op de transitievergoeding, is het tijdig ingediend, omdat het is ontvangen binnen drie maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.

3.3

Op grond van artikel 7:677 lid 1 BW is ieder van partijen bevoegd de arbeids-overeenkomst onverwijld op grond van een dringende reden op te zeggen, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Ingevolge artikel 7:678 lid 1 BW worden voor de werkgever als dringende redenen als vorenbedoeld beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

3.4

Bij de beoordeling van de rechtsgeldigheid van een ontslag op staande voet moet de kantonrechter alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang bezien, in aanmerking te nemen. Zij moet hierbij de aard en ernst van de aangevoerde dringende reden afwegen tegen de door de werknemer aangevoerde persoonlijke omstandigheden. Relevant daarbij kunnen zijn aard en duur van de dienstbetrekking, de wijze waarop de werknemer zijn werk heeft vervuld en ook de persoonlijke omstandigheden van de werknemer. Ook indien de gevolgen van een ontslag op staande voet ingrijpend zijn, kan een afweging van de persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden echter tot de slotsom leiden dat onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd was.

3.5

Voor de beoordeling van de vraag of het door Zeeman aan [verzoekster] gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is, is de aan [verzoekster] opgegeven redenen zoals vermeld in de brief van 1 februari 2016 van belang. Uit deze brief volgt dat Zeeman van mening is dat [verzoekster] geld heeft gestolen. Dat Zeeman tijdens de mondelinge behandeling nog aanvoert dat er eveneens sprake is van ernstige schending van de vaste voorschriften en procedures van Zeeman daarbij doelend op de kassa-instructies, kan niet worden meegenomen nu zij dit niet aan het ontslag op staande voet ten grondslag heeft gelegd.

3.6

Een werkgever die een werknemer wegens diefstal wenst te ontslaan moet een gedegen onderzoek uitvoeren. Zeeman heeft de journalen uitgelezen en de camerabeelden bekeken. Op de camerabeelden is slechts een gedeelte van de balie te zien terwijl de kassa die volgens de door [verzoekster] overgelegde en onbestreden situatietekening haaks op die balie staat niet in beeld is. Er is niet te zien of [verzoekster] daadwerkelijk geld uit de kassa pakt. Ook blijft onduidelijk of [verzoekster] dit geld in eigen zak heeft gestoken of aan een klant heeft gegeven. [verzoekster] is kennelijk niet de gelegenheid gegeven om de bewuste klant(en) aan te wijzen op de camerabeelden. Dat er geld is weggenomen blijkt ook niet uit bijvoorbeeld door Zeeman geconstateerde kasverschillen of verschillen in de winkelvoorraad. Immers als [verzoekster] goederen retour aanslaat om geld weg te nemen zonder dat de artikelen daadwerkelijk retour komen dan moet de winkelvoorraad niet kloppen. Het tegendeel, namelijk dat er geld aan klanten is teruggegeven, lijkt te volgen uit de twee bij retourbonnen 0491 en 3703 behorende vervangende kassabonnen waarop ieder afzonderlijk de naam en adresgegevens van een klant staan ingevuld, voorzien van een handtekening. Onbekend is gebleven of onderzocht is wie deze gegevens heeft ingevuld. Dit alles overziend kan de kantonrechter niet concluderen dat Zeeman gedegen onderzoek heeft uitgevoerd en kan zij de conclusie van Zeeman dat uit het onderzoek blijkt er sprake is geweest van diefstal niet delen.

3.7

Resteert de - door [verzoekster] met klem en gemotiveerd betwiste - bekentenis op

1 februari 2016. De stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het bestaan van een dringende reden en dus van de bekentenis van [verzoekster] ligt bij Zeeman.

In zaken die voortvloeien uit de Wet werk en zekerheid (WWZ) is het bewijsrecht in beginsel van toepassing, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet. In de onderhavige zaak is de kantonrechter van oordeel is dat partijen er belang bij hebben op korte termijn duidelijkheid te krijgen over de kwestie die hen zo ernstig verdeeld houdt. Bewijslevering, met de mogelijkheid van tegenbewijs zal geruime tijd in beslag nemen en is daarom met eerdergenoemd belang strijdig. Zeeman heeft overigens ook geen bewijs aangeboden van haar stellingen. De kantonrechter zal daarom oordelen op grond van de thans beschikbare gegevens en concludeert dat Zeeman niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een dringende reden als vereist.

De gevorderde verklaring voor recht zal dan ook worden toegewezen. Eveneens zal Zeeman worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 212,00 aan inhoudingen aan [verzoekster] nu Zeeman onbetwist heeft gelaten dat dit bedrag door haar is ingehouden op het salaris van [verzoekster] .

3.8

[verzoekster] berust in de beëindiging van het dienstverband zodat hieraan per

1 februari 2016 een einde is gekomen. Aan de orde is dan of [verzoekster] aanspraak kan maken op een vergoeding wegens onregelmatige opzegging ex artikel 7:672 lid 10 BW, een transitievergoeding ex artikel 7:673 BW en een billijke vergoeding ex artikel 7:681 BW.

Ten aanzien van de vergoeding wegens onregelmatige opzegging

Deze zal worden toegewezen. Op grond van artikel 7:672 lid 10 BW is Zeeman die vergoeding verschuldigd aan [verzoekster] , omdat is opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt.

De vergoeding is gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren.

Gelet op artikel 7:672 BW en gegeven het feit dat Zeeman het door [verzoekster] becijferde bedrag niet gemotiveerd heeft betwist, wordt dit bedrag van € 2.592,23 bruto als uitgangspunt genomen en dient Zeeman dit bedrag aan [verzoekster] te betalen.

Met toepassing van artikel 7:686a lid 1 BW zal de gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding worden toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.

Ten aanzien van de transitievergoeding

Nu een dringende reden voor ontslag ontbreekt en Zeeman geen andere feiten of omstandigheden gesteld die tot het oordeel zouden moeten leiden dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoekster] , is Zeeman aan [verzoekster] de transitievergoeding verschuldigd (artikel 7:673, lid 1 onder a 1 juncto 7:673, lid 7, aanhef en onder c.)

Zeeman heeft de door [verzoekster] gemaakte berekening niet weersproken zodat van de juistheid daarvan zal worden uitgegaan. Zeeman zal daarom worden veroordeeld tot betaling van een transitievergoeding van € 1.944,00 bruto. Met toepassing van artikel 7:686a lid 1 BW zal de gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding worden toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.

Ten aanzien van de billijke vergoeding

Uit artikel 7:681 lid 1, onderdeel a, BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer een billijke vergoeding kan toekennen, indien de werkgever heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Gelet op de wetsgeschiedenis is in het kader van artikel 7:681 lid 1, onderdeel a, BW voor toekenning van een billijke vergoeding ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever vereist, maar is in een geval als bedoeld in dat artikel reeds invulling gegeven aan de ernstige verwijtbaarheid, als de werkgever de voor een rechtsgeldig ontslag geldende voorschriften niet heeft nageleefd en in strijd met artikel 7:671 heeft opgezegd (zie: Kamerstukken I, 2013-2014, 33 818, nr. C, pag. 99 en 113). Een ontslag op staande voet dat niet rechtsgeldig wordt geacht, is dus als zodanig al ernstig verwijtbaar, omdat dan is opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Nu hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, moet het verzoek van [verzoekster] om toekenning van een billijke vergoeding worden toegewezen.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de hoogte van de billijke vergoeding – naar haar aard – in relatie moet staan tot het ernstig verwijtbare handelen of nalaten van de werkgever, en niet tot de gevolgen van het ontslag voor de werknemer (zie: Kamerstukken II, 2013–2014, 33 818, nr. 3, pag. 32-34 en Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 7, pag. 91). Als ontslag het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, dan dient de werknemer hiervoor volgens die wetsgeschiedenis te worden gecompenseerd, ook om dergelijk handelen of nalaten van de werkgever te voorkomen. In de billijke vergoeding kan niet tot uitdrukking komen of het ontslag redelijk is mede in het licht van de gevolgen van het ontslag voor de werknemer, omdat dit al is verdisconteerd in de transitievergoeding.

De hoogte van de billijke vergoeding moet daarom worden bepaald op een wijze die en op het niveau dat aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval, waarbij criteria als loon en lengte van het dienstverband geen rol hoeven te spelen. Er kan wel rekening worden gehouden met de financiële situatie van de werkgever. Daarnaast kan een aanspraak op ten onrechte niet genoten loon worden verdisconteerd in de billijke vergoeding (zie: Kamerstukken II, 2013–2014, 33 818, nr. 7, pag. 55 en Kamerstukken I, 2013-2014, 33 818, nr. C, pag. 92).

De kantonrechter zal de billijke vergoeding vaststellen op een bedrag van € 10.000,00 bruto. Daarbij neemt zij in aanmerking dat Zeeman verwijtbaar heeft gehandeld door zonder een gedegen onderzoek te snel te kiezen voor een ontslag op staande voet. De wettelijke rente over dit bedrag zal worden toegewezen vanaf 14 dagen na de datum van betekening van deze beschikking.

3.9

Zeeman zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verzoekster] bepaald op € 79,00 aan vast recht en € 600,00 aan salaris voor de gemachtigde.

De beslissing

De kantonrechter

- verklaart voor recht dat het door Zeeman aan [verzoekster] ontslag op staande voet ten onrechte is gegeven;

- veroordeelt Zeeman om aan [verzoekster] te betalen -onder afgifte van een deugdelijke bruto/netto specificatie- een bedrag van € 2.592,23 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd tot aan de dag van voldoening;

- veroordeelt Zeeman om aan [verzoekster] te betalen -onder afgifte van een deugdelijke bruto/netto specificatie- een bedrag van € 1.944,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd tot aan de dag van voldoening;

- veroordeelt Zeeman om aan [verzoekster] te betalen -onder afgifte van een deugdelijke bruto/netto specificatie- een bedrag van € 10.000,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de datum van betekening van deze beschikking tot aan de dag van voldoening;

- veroordeelt Zeeman om aan [verzoekster] te betalen een bedrag van € 212,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de datum van betekening van deze beschikking tot aan de dag van voldoening;

- veroordeelt Zeeman in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verzoekster] vastgesteld op € 79,00 aan verschotten en € 600,00 aan salaris voor de gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door mr. B.P.M. Weusten en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

745