Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:3926

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-05-2016
Datum publicatie
27-05-2016
Zaaknummer
10/660426-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Klikomoord

Vrijspraak medeplegen van moord; niet voldaan aan criteria laatste jurisprudentie HR mbt medeplegen

maximum gevangenisstraf van 2 jaar voor wegmaken stoffelijk overschot

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/660426-14

Datum uitspraak: 27 mei 2016

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de penitentiaire inrichting Dordrecht,

raadsvrouw mr. M. Schmit, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 18 april 2016, 19 april 2016 en 27 mei 2016.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting van 18 april 2016 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. E. Ahbata heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaar, met aftrek van voorarrest.

4 Vrijspraak feit 1

Zoals door de verdediging is bepleit en anders dan door de officier van justitie als standpunt is ingenomen wordt niet wettig en overtuigend bewezen geacht dat de verdachte het onder 1 primair, subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Met name wordt niet bewezen geacht dat de verdachte als medepleger bij deze delicten betrokken is geweest.

Deze vrijspraak wordt als volgt nader gemotiveerd.

Volgens de laatste jurisprudentie van de Hoge Raad (vgl. HR 2 december 2014, ECLI:NL: HR: 2014, 3474, NJ 2015, 390 en ECLI:N: HR:2015: 713, 716/718) vereist medeplegen

-kort samengevat- primair een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen, waarbij het accent op de samenwerking ligt. Daarnaast moet de intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit van voldoende gewicht zijn. De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering, maar kan ook uit verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit of in hoofdzaak vóór het strafbare feit bestaan. Indien de gedragingen hoofdzakelijk na de uitvoering van het strafbare feit zijn verricht, is slechts in uitzonderlijke gevallen van medeplegen sprake. In dat geval zal het ontbreken van enige of een geringe rol in de uitvoering van het delict moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grotere rol in de voorbereiding. Bij dit alles dient de aard van het delict te worden betrokken.

Uit de stukken en het verdere onderzoek op de terechtzitting blijkt dat het slachtoffer in deze zaak, [slachtoffer] , op 2 augustus 2014 met een vuurwapen is neergeschoten. Dit vond plaats in de woning van medeverdachte [verdachte G.] . De schutter is geregeld en naar de woning van [verdachte G.] gebracht door medeverdachte [verdachte Bl.] . [verdachte G.] was in de woning aanwezig toen het schietincident plaatsvond. De verdachte is een bekende van [verdachte Bl.] . Hij kent ook [verdachte G.] .

Enige uren voordat [slachtoffer] werd neergeschoten is de verdachte door [verdachte G.] benaderd met de vraag of hij een wapen kon regelen. Dit deed zij omdat [verdachte Bl.] tegen haar had gezegd dat zij gefaald had. Dat falen had te maken met het plan dat [verdachte G.] en [verdachte Bl.] een dag eerder, op 1 augustus 2014, hadden gemaakt er op neerkomend dat [slachtoffer] door [verdachte G.] door middel van GHB zou worden gedrogeerd en vervolgens door [verdachte Bl.] en de verdachte van zijn drugs zou worden beroofd. [slachtoffer] heeft op de avond van 1 op 2 augustus 2014, de avond waarop dat plan zou moeten worden uitgevoerd, gedurende een aantal uren samen met [verdachte G.] in haar woning verbleven. De verdachte was op dat moment elders, in gezelschap van [verdachte Bl.] . Het drogeren en rippen van [slachtoffer] op de avond van 1 op 2 augustus is niet doorgegaan doordat [slachtoffer] niet buiten westen raakte. [verdachte G.] had hem niet voldoende GHB toegediend. [verdachte Bl.] , die later die nacht bij de verdachte is opgehaald, nam dit [verdachte G.] –zoals gezegd- kwalijk en zei tegen haar dat zij het verder maar zelf moest oplossen en dat zij [slachtoffer] maar moest neerschieten. Om aan een wapen te komen is [verdachte G.] daarop de volgende dag, op 2 augustus 2014, naar de verdachte gegaan om te proberen dit via hem te regelen. Zij heeft die dag om 13.30 uur sms-contact gehad met de verdachte en hem tussen 14.00 uur en 14.30 uur ontmoet. Op voorstel van de verdachte zijn zij toen langs een oom van de verdachte gegaan om te kijken of hij wellicht een wapen had. Ondanks de ontkenning door de verdachte, blijkt dit genoegzaam uit de verklaring van [verdachte G.] in combinatie met het feit dat de telefoon van de verdachte omstreeks 14.20 uur aanstraalt op het adres waar een oom van de verdachte woonachtig is. [verdachte Bl.] was op dat moment elders. De poging om een wapen te regelen is mislukt, waarna [verdachte G.] is teruggegaan naar haar woning en daar [verdachte Bl.] weer heeft ontmoet. De verdachte is na de ontmoeting met [verdachte G.] naar elders, volgens [verdachte G.] naar zijn woning, gegaan. Na haar thuiskomst omstreeks 14.30 uur heeft [verdachte Bl.] tegen [verdachte G.] gezegd dat hij zelf al wat had geregeld en dat er een schutter in de woning klaar stond. De verdachte heeft daarna om 14.31 uur gebeld naar [verdachte G.] . Nadat [verdachte G.] om 14.42 uur via de telefoon aan [slachtoffer] had gevraagd naar haar woning te komen heeft de verdachte haar om ongeveer 14.42 uur opnieuw gebeld. [slachtoffer] is omstreeks 15.15 uur naar de woning van [verdachte G.] gekomen. De in de woning aanwezige schutter heeft [slachtoffer] vrijwel meteen daarna met een vuurwapen neergeschoten. Behalve de schutter en [slachtoffer] was op dat moment uitsluitend [verdachte G.] in de woning aanwezig. [verdachte Bl.] bevond zich niet meer in de woning. Hij was vetrokken.

Enige tijd nadat [slachtoffer] was neergeschoten heeft [verdachte Bl.] de verdachte opgehaald en zijn zij vervolgens omstreeks 16.15 uur samen naar de woning van [verdachte G.] gegaan. [slachtoffer] lag daar in de badkamer. De verdachte heeft toen met een hamer op het hoofd van [slachtoffer] geslagen. Ondanks de ontkenning door de verdachte volgt dit uit de verklaring van [verdachte G.] in combinatie met het verslag van de patholoog van het NFI d.d. 29 oktober 2014 dat bij de sectie op het lichaam van [slachtoffer] is geconstateerd dat hij een impressiefractuur aan het schedeldak had met doorlopende breuklijn tot in de schedelbasis en dat deze letsels zijn ontstaan door ingewerkt uitwendig mechanisch hevig stomp (botsend) geweld. Voorts is daarbij nog in aanmerking genomen dat de eigenaar van de woning waar het delict plaatsvond tijdens zijn verhoor op 4 november 2014 heeft aangegeven dat hij vanuit de woning een hamer mist. Nadat [verdachte Bl.] en de verdachte in de woning van [verdachte G.] waren geweest zijn zij samen de schutter gaan betalen. De dagen na het schietincident is de verdachte betrokken geweest bij het wegmaken van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] , hetgeen de verdachte onder 2 is ten laste gelegd, alsmede met het vernietigen van verdere sporen.

Uit de stukken blijkt niet dat de verdachte op 2 augustus 2014 lijfelijk aanwezig was op de plaats van het delict toen [slachtoffer] werd neergeschoten. Evenmin blijkt dat hij zich toen ophield in de buurt van de plaats delict. Ook blijkt niet dat de verdachte tevoren enig contact heeft gehad met de schutter of betrokken is geweest bij het regelen of vervoeren e.d. van de schutter naar de plaats delict. Van enig voorafgaand contact met [verdachte Bl.] op 2 augustus 2014 blijkt ook niet.

Op grond van het deskundigenverslag van het NFI van 29 oktober 2014 wordt aangenomen dat de dood van [slachtoffer] is veroorzaakt door de verwondingen die hij heeft opgelopen door het hagelpatroon dat door de schutter op hem is afgevuurd. Niet althans onvoldoende is komen vast te staan dat de klap die de verdachte met een hamer op het hoofd van [slachtoffer] heeft gegeven, wat is gebeurd enige tijd nadat deze was neergeschoten en terwijl hij in de badkamer op de grond lag, heeft bijgedragen aan de dood van [slachtoffer] . Blijkens het deskundigenverslag van 29 oktober 2014 kan het NFI daarover geen uitsluitsel geven. Daarin wordt immers enerzijds gesteld dat het niet geheel kan worden uitgesloten dat de schedelbreuk bij leven is ontstaan maar wordt anderzijds gesteld dat dit letsel ook postmortaal kan zijn ontstaan. De verklaring van getuige S. [getuige] dat zij van [verdachte Bl.] heeft gehoord dat [slachtoffer] niet gelijk dood was en nog tegen hem had gezegd “why amigo’’, wordt niet voldoende geacht om op dit punt anders te oordelen, nu dit een de-auditu-verklaring betreft en deze verklaring wordt ontkend door zowel de verdachte als [verdachte Bl.] en niet wordt bevestigd door [verdachte G.] die op het moment dat dit zou zijn gezegd in de woning aanwezig was.

Er is dus geen sprake geweest van een bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit tijdens het begaan daarvan.

De klap met de hamer op het hoofd van [slachtoffer] geeft wel blijk van het feit dat de verdachte de (door het hagelpatroon veroorzaakte) dood van [slachtoffer] wilde. Deze gedraging van de verdachte valt niet anders te duiden. Zoals uit de aangehaalde jurisprudentie van de HR blijkt kan echter op basis van gedragingen die hoofdzakelijk na de uitvoering van het strafbare feit zijn verricht, waartoe ook moet worden gerekend de betrokkenheid van de verdachte bij het wegmaken van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] , het na de dood van het slachtoffer met [verdachte Bl.] meegaan om de schutter te betalen en het vernietigen van verdere sporen, slechts in uitzonderlijke gevallen medeplegen worden aangenomen, nog daargelaten of de bedoelde gedragingen van de verdachte al als uitvoeringshandelingen zijn aan te merken. Er moet dan compensatie zijn door bijvoorbeeld een grote(re) rol in de voorbereiding. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

Uit de stukken kan niet, althans met onvoldoende mate van zekerheid worden afgeleid dat het plan om [slachtoffer] van het leven te beroven reeds bestond op de avond van 1 op 2 augustus 2014. Uit de verklaringen blijkt veeleer dat het toen nog de bedoeling was om [slachtoffer] te drogeren en vervolgens te rippen. Aangenomen dat de verdachte van dit (drogeer- en rip) plan op de hoogte was, gelet op de verklaring van [verdachte G.] op dit punt en tevens in aanmerking genomen dat de verdachte en [verdachte Bl.] goede vrienden van elkaar zijn en zij op de avond van 1 op 2 augustus 2014 lange tijd samen waren terwijl [verdachte G.] volgens de afspraak die zij met [verdachte Bl.] had op dat moment [slachtoffer] in haar woning zou moeten drogeren. Deze eventuele wetenschap kan echter niet bijdragen tot het bewijs dat de verdachte wist van het latere plan om [slachtoffer] van het leven te beroven door met een vuurwapen op hem te schieten.

Met betrekking tot het feit dat de verdachte op 2 augustus 2014 tussen omstreeks 14.00 uur en 14.30 uur, d.w.z. betrekkelijk korte tijd vóór het schietincident, samen met [verdachte G.] een wapen heeft trachten te regelen waarmee [slachtoffer] zou moeten worden neergeschoten, wat [verdachte G.] volgens haar verklaring ook tegen de verdachte heeft gezegd, wordt opgemerkt dat de verdachte hieruit toen wel heeft moeten begrijpen dat het de bedoeling dan wel er een aanmerkelijke kans was dat [slachtoffer] van het leven zou worden beroofd. Echter, volgens de verklaring van [verdachte G.] is het uiteindelijk niet gelukt om een wapen te regelen en heeft dit dus geen vervolg gekregen. In ieder geval is niet gebleken dat het wapen waarmee is geschoten een wapen is dat door of via de verdachte bij de schutter terecht is gekomen. De zoekactie naar een wapen heeft dus uiteindelijk geen rol gehad in de voorbereiding van het delict. Volgens de verklaring van [verdachte G.] is de verdachte daarna ook niet met haar meegegaan naar haar woning.

Ten aanzien van de telefonische contacten die op 2 augustus 2014, na de thuiskomst van [verdachte G.] , nog hebben plaatsgevonden tussen haar en de verdachte wordt opgemerkt dat uit niets blijkt dat tijdens die contacten met de verdachte is besproken dat er op dat moment door [verdachte Bl.] reeds een schutter in de woning van [verdachte G.] was klaar gezet om [slachtoffer] , die naar de woning zou komen, neer te schieten. Maar zelfs al zou dit tijdens de telefoongesprekken wel aan de orde zijn geweest, dan brengt ook deze wetenschap van de verdachte niet mee dat hij daarmee een rol heeft gehad in de voorbereiding van het neerschieten van [slachtoffer] door deze schutter. Zoals hiervoor is overwogen is die schutter door [verdachte Bl.] geregeld en blijkt uit niets dat de verdachte daarvan toen wist of daarmee enige bemoeienis heeft gehad.

De slotsom is dat de gedragingen die de verdachte heeft verricht na het schietincident niet zodanig worden gecompenseerd met wat hij daaraan voorafgaand heeft gedaan dat gezegd kan worden dat al die handelingen van voldoende gewicht zijn om hem als mededader van het doodschieten van [slachtoffer] aan te merken. Daarbij is ook betrokken de aard van de delicten die zijn tenlastegelegd (waar onder moord).

5 Bewijs feit 2

In bijlage II heeft de rechtbank een opgave van de wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde feit redengevende feiten en omstandigheden. Met die opgave wordt volstaan omdat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde feit heeft bekend en ten aanzien van dit feit nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 02 augustus 2014 tot en met 06 augustus 2014, in de gemeente(n) Zuidplas en/of Rotterdam en/of Vlaardingen en/of elders in Nederland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een anderen, althans alleen, een lijk (te weten het lichaam van de overleden [slachtoffer] ) heeft verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt, met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden te verhelen, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s),

- dat lijk enige tijd bewaard, in de door (een) mededader(s) bewoonde woning (gelegen aan de [adres] ) en/of (vervolgens) in een loods (gelegen op of aan de Vulcaanweg te Vlaardingen) en/of

- dat lijk, in een (vuil)container/kliko gestopt en/of bewaard en/of vervoerd en/of

- dat lijk (in die container/kliko), meermalen, althans éénmaal (telkens) vervoerd en/of bewaard in een door hem en/of door zijn mededader(s) bestuurde (personen)auto en/of (bestel)bus en/of

- die (personen)auto en/of (bestel)bus (terwijl die container/kliko met het lijk zich in die auto en/of bus bevond) in de richting van/naar de Vulcaanweg te Vlaardingen en/of in de richting van (een steiger gelegen aan) het Oeverbospad (telkens) te Vlaardingen gereden en/of

- ( in de loods gelegen aan de Vulcaanweg te Vlaardingen en/of terwijl aldaar het lijk zich in de container/kliko bevond) een hoeveelheid cement/beton, in elk geval een hoeveelheid (bouw)materiaal in de container/kliko gestort/gedaan en/of

- die (bestel)bus (terwijl die container/kliko met het lijk zich in die bus bevond) gestopt op een weg nabij een steiger en/of water (gelegen aan het Oeverbospad te Vlaardingen) en/of

- (aldaar) de container/kliko en/of (inhoudende) het lijk (vanaf een steiger gelegen aan het Oeverbospad te Vlaardigngen) in een/het water aan/langs van de Nieuwe Waterweg te Vlaardingen gedumpt en/of geduwd/gegooid/geslingerd en/of

- dat lijk (al dan niet in die, met cement/beton verzwaarde container/kliko) in dat water (van/aan/in de Nieuwe Waterweg te Vlaardingen) achtergelaten en/of zich (aldus) van dat lijk ontdaan.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

6 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

Medeplegen van een lijk verbergen, wegvoeren en wegmaken, met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

7 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

8 Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft samen met zijn mededaders, nadat deze -zoals de verdachte wist- betrokken waren geweest bij de levensberoving van het slachtoffer, zijn stoffelijk overschot vanaf de plaats waar het slachtoffer werd vermoord in een kliko weggevoerd, de kliko met daarin het lijk vervolgens -nadat de kleding van het lijk was uitgetrokken en eventuele sporen op zijn lichaam met dettol waren weggeveegd- vol gestort met beton en deze kliko met het dode en aldus verzwaarde lichaam uiteindelijk gedumpt in de Nieuwe Waterweg. De verdachte heeft bij dit alles een zeer groot aandeel gehad. Hij is bij alle uitvoeringshandelingen zelf betrokken geweest. Hij was ook vrijwel meteen na de moord aanwezig op de plaats delict. Tevens is hij betrokken geweest bij het verbranden van o.a. de kleding van het slachtoffer. Het lichaam van het slachtoffer is ongeveer twee maanden later zwaar verminkt en onherkenbaar teruggevonden in de Nieuwe Waterweg.

De verdachte pleegde dit delict om er voor te zorgen dat het stoffelijk overschot van het slachtoffer nooit meer terug gevonden zou worden en dat zijn dood en de oorzaak daarvan niet bekend zouden worden.

De verdachte is met zijn handelen op zeer respectloze en zeer onterende wijze omgegaan met het stoffelijk overschot van het slachtoffer. Tevens is door zijn handelen de familie van het slachtoffer langere tijd in onzekerheid geweest over wat er met het slachtoffer was gebeurd. Het uiteindelijke bericht over de wijze waarop met het stoffelijke overschot van het slachtoffer is omgegaan zal zwaar zijn gevallen bij zijn familie en moet een hele nare gedachte voor hen zijn, waardoor het leed om zijn overlijden zal zijn versterkt. Door de toestand waarin het stoffelijk overschot zich bevond, hebben ze ook geen afscheid van het slachtoffer kunnen nemen.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van 9 maart 2016 blijkt dat de verdachte in 2012 ter zake van een andersoortig delict is veroordeeld tot een vrij langdurige gevangenisstraf. Hij is niet eerder veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Gezien de ernst van het feit en de wijze waarop het is gepleegd, kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf en wel voor de duur van het wettelijk strafmaximum van twee jaar.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 47 en 151 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Voorlopige hechtenis

De voorlopige hechtenis van de verdachte zal worden opgeheven, nu hij zal worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde en ter zake van het onder 2 tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit de voorlopige hechtenis niet kan voortduren, nu dit geen feit betreft waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.

11 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

12 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair, subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van heden.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.K. Asscheman-Versluis, voorzitter,

en mrs. C. Laukens en S. Jordaan, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. Kegreisz, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 02 augustus 2014 te Nieuwerkerk aan den IJssel, gemeente Zuidplas, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, met een pistool en/of (hagel)geweer, althans een vuurwapen, één of meer kogel(s) in het lichaam van die [slachtoffer] afgevuurd en/of (met kracht) met een hamer, althans een hard en/of zwaar en/of stomp voorwerp, tegen/op het hoofd van die [slachtoffer] , heeft geslagen,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 02 augustus 2014 te Nieuwerkerk aan den IJssel, gemeente Zuidplas, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk met een pistool en/of (hagel)geweer, althans een vuurwapen, één of meer kogel(s) in het lichaam van die [slachtoffer] afgevuurd en/of (met kracht) met een hamer, althans een hard en/of zwaar en/of stomp voorwerp, tegen/op het hoofd van die [slachtoffer] , heeft geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal (in vereniging) (zoals omschreven in de artikelen 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht), en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

art 288 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 02 augustus 2014 te Nieuwerkerk aan den IJssel, gemeente Zuidplas, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een (grote)hoeveelheid cocaïne, althans verdovende middelen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het:

met een pistool en/of (hagel)geweer, althans een vuurwapen, één of meer kogel(s) in het lichaam van die [slachtoffer] afgevuurd en/of (met kracht) met een hamer, althans een hard en/of zwaar en/of stomp voorwerp, tegen/op het hoofd van die [slachtoffer] , heeft geslagen, terwijl dat feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

art 312 lid 3 Wetboek van Strafrecht art 310 Wetboek van Strafrecht

meest subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 02 augustus 2014 te Nieuwerkerk aan den IJssel, gemeente Zuidplas, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk met een pistool en/of (hagel)geweer, althans een vuurwapen, één of meer kogel(s) in het lichaam van die [slachtoffer] afgevuurd en/of (met kracht) met een hamer, althans een hard en/of zwaar en/of stomp voorwerp, tegen/op het hoofd van die [slachtoffer] , heeft geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 02 augustus 2014 tot en met 06 augustus 2014, in de gemeente(n) Zuidplas en/of Rotterdam en/of Vlaardingen en/of elders in Nederland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een lijk (te weten het lichaam van de overleden [slachtoffer] ) heeft verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt, met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden te verhelen, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s),

- dat lijk enige tijd bewaard, in de door (een) mededader(s) bewoonde woning (gelegen aan

de [adres] ) en/of

(vervolgens) in een loods (gelegen op of aan de Vulcaanweg te Vlaardingen) en/of

- dat lijk, in een (vuil)container/kliko gestopt en/of bewaard en/of vervoerd en/of

- dat lijk (in die container/kliko), meermalen, althans éénmaal (telkens) vervoerd en/of

bewaard in een door hem en/of door zijn mededader(s) bestuurde (personen)auto en/of

(bestel)bus en/of

- die (personen)auto en/of (bestel)bus (terwijl die container/kliko met het lijk zich in die

auto en/of bus bevond) in de richting van/naar de Vulcaanweg en/of (een steiger gelegen

aan) het Oeverbospad (telkens) te Vlaardingen gereden en/of

- ( in de loods gelegen aan de Vulcaanweg te Vlaardingen en/of terwijl aldaar het lijk zich in

de container/kliko bevond) een hoeveelheid cement/beton, in elk geval een hoeveelheid

(bouw)materiaal in de container/kliko gestort/gedaan en/of

- die (bestel)bus (terwijl die container/kliko met het lijk zich in die bus bevond) gestopt op

een weg nabij een steiger en/of water (gelegen aan het Oeverbospad te Vlaardingen) en/of

- ( aldaar) de container/kliko en/of (inhoudende) het lijk (vanaf een steiger gelegen aan het

Oeverbospad te Vlaardignen) in een/het water aan/langs de Nieuwe Waterweg te

Vlaardingen gedumpt en/of geduwd/gegooid/geslingerd en/of

- dat lijk (al dan niet in die, met cement/beton verzwaarde container/kliko) in dat water

(van/aan/in de Nieuwe Waterweg te Vlaardingen) achtergelaten en/of zich (aldus) van dat

lijk ontdaan;

(artikel 151 jo. 47 van het Wetboek van Strafrecht)