Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:3638

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-03-2016
Datum publicatie
13-05-2016
Zaaknummer
C/10/479897 / HA ZA 15-736
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werkgeversaansprakelijkheid artikel 6:170 BW. Gebrek aan zeggenschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1365
S&S 2016/136
NTHR 2016, afl. 4, p. 236
AR-Updates.nl 2016-0512
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/479897 / HA ZA 15-736

Vonnis van 30 maart 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser] ,

gevestigd te Valkenburg,

eiseres,

advocaat mr. E.J.W. Schuijlenburg te Leidschendam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] ,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. V.R. Pool te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 22 juni 2015 met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    het tussenvonnis van 14 oktober 2015;

  • -

    de zittingsagenda van 2 november 2015;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 14 december 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is een transportonderneming en richt zich onder meer op vervoer van gevaarlijke stoffen. [gedaagde] is een transportonderneming gespecialiseerd in tanktransporten.

2.2.

[eiser] heeft op 19 september 2011 in opdracht van Linde AG vier ladingen koolzuurgas (CO2) vervoerd van het terrein van Linde Gas Benelux te Rozenburg naar de productie unit van Linde AG te Ludwigshafen, Duitsland. [eiser] heeft zelf drie ladingen vervoerd en heeft één lading uitbesteed aan [gedaagde] . Laatstgenoemde lading koolzuurgas werd vervoerd in een door [eiser] van Hoyer gehuurde tankcontainer. Die tankcontainer is beladen op een chassis met trekker van [gedaagde] , die werd bestuurd door een chauffeur van [gedaagde] , de heer [persoon 1] .

2.3.

De afspraak tussen [eiser] en [gedaagde] was dat chauffeur [persoon 1] uitsluitend zou rijden en niet zou laden en lossen. Chauffeur [persoon 1] was niet opgeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals CO2. Het laden en lossen zou geschieden door chauffeurs van [eiser] , die daarvoor wel waren opgeleid.

2.4.

De tankcontainer van de vrachtwagen die door [persoon 1] werd bestuurd is beladen door de heer [persoon 2] , chauffeur bij [eiser] . Het laden vond plaats onder regie van [persoon 2] . [persoon 1] heeft daarbij geholpen. [persoon 2] heeft daar tijdens het voorlopig getuigenverhoor het volgende over verklaard:

“U vraagt of de chauffeur bij het hele laadproces aanwezig is geweest. Ja, dat was het geval. U vraagt of hij ook handelingen heeft verricht bij het laden. Dat was in zoverre het geval dat de installatie een soort knop heeft die je om de anderhalve minuut moet indrukken, anders stopt de installatie. Ik heb de chauffeur uitgelegd hoe het laadproces in zijn werk gaat, en we hebben tijdens het laden om de beurt op die knop gedrukt. Verder heeft de chauffeur geen handelingen verricht tijdens het laden. De installatie is van Linde. Je moet daar een bevoegd chauffeur zijn wil je kunnen laden. Ik had hier de instructie om dat te doen, wat dus betekende dat de chauffeur daar niet toe bevoegd was. Ik heb hem om die reden ook niet gevraagd iets te doen tijdens het laden, ik ben daarvoor verantwoordelijk en bevoegd en de chauffeur in dit geval dus niet.”

2.5.

Na belading van de vrachtwagencombinatie is [persoon 1] naar Linde AG in Ludwigshafen gereden. Hier diende de lading te worden gelost. [persoon 1] heeft daar tijdens het voorlopige getuigenverhoor, onder meer, het volgende over verklaard:

“(…) Ik kwam rond vijf uur, halfzes op de bestemming aan. Ik was de enige inzittende van de vrachtwagen. Er waren nog meer vrachtauto’s beladen met koolzuurgas, die waren na mij uit Rotterdam vertrokken en die zijn ook na mij in Ludwigshafen aangekomen. Dat waren vrachtwagens met de chauffeurs van [eiser] zelf. Ik herinner mij dat toen ik aankwam, ik mij heb gemeld en toen de instructie kreeg dat ik de vrachtwagen alvast op de losplaats moest parkeren. De operator was aan het eten en zou binnenkort terugkomen. Ik heb toen meteen gezegd dat ik natuurlijk wel zal wachten omdat ik de container toch niet zelf mocht lossen. Dat mochten alleen chauffeurs van [eiser] die daartoe bevoegd waren. Na ongeveer een uur kwam de operator terug. Inmiddels waren ook andere chauffeurs van [eiser] gearriveerd. Onder andere was dat de chauffeur [persoon 3] . Van de anderen ben ik de namen vergeten.

De chauffeurs kregen toen opdracht om de container die ik daar had gezet te lossen. De chauffeur [persoon 3] heeft de flenzen erop gezet en de slangen aangesloten. Ik stond erbij en heb geholpen. De slangen zijn nogal zwaar. U houdt mij voor dat [persoon 3] in een schriftelijke verklaring (bijlage 3 bij een rapport van GBAC, productie 6 bij het verzoekschrift) heeft verklaard dat, toen hij arriveerde ik al zelf de flens had aangesloten. Dit is niet juist. Ik had toen nog helemaal niets gedaan. Nadat de leidingen waren aangesloten moesten ze eerst worden gespoeld om te zorgen dat er niets anders in zat. Dat gebeurde ook op aanwijzing van de operator van Linde.

Op een gegeven moment zei de operator van Linde dat alles gereed was om het losproces te starten. [persoon 3] stond bij de eindafsluiter. Ik stond anderhalve meter naast hem, ongeveer. [persoon 3] zei toen tegen mij: “Ok Paul, trek jij de bodemafsluiter maar open, dan zet ik de eindafsluiter open.” Dat heb ik toen gedaan. Toen ontsnapte onverwachts koolzuur. (…)”

2.6.

Op 19 september 2011 heeft [persoon 1] tijdens het lossen van de door hem bestuurde vrachtwagen op het terrein van Linde AG in Ludwigshafen, een bodemafsluiter van de tankcontainer geopend. Hierna is de lading koolzuurgas uit de tankwagen gevloeid.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I [gedaagde] veroordeelt om € 24.227,04 aan [eiser] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 september 2011 tot aan de dag van volledige betaling en met de incassokosten van € 1.071,27;

II [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

[eiser] grondt haar vordering uitsluitend op werkgeversaansprakelijkheid van [gedaagde] voor een fout van [persoon 1] , die in dienst was bij [gedaagde] , gemaakt toen hij de lading koolzuurgas uit de tankcontainer loste (artikel 6:170 BW). [eiser] heeft daartoe het volgende gesteld. [persoon 1] wist dat hij niet mocht lossen maar heeft toch een lossingshandeling verricht, te weten het openen van de bodemafsluiter van de tankwagen. Door zich niet aan zijn instructie, te weten: alleen rijden en niet lossen, te houden heeft [persoon 1] een fout gemaakt. [persoon 1] had ook geen gehoor moeten geven aan het verzoek of de instructie om de bodemafsluiter te openen.

Door het openen van de bodemafsluiter is de lading koolzuurgas uit de tankwagen gevloeid, het terrein van Linda AG op. De brandweer van Ludwigshafen is gealarmeerd en heeft het terrein van Linde AG schoongemaakt. De kosten van deze operatie zijn aan Linde AG doorbelast en Linde AG heeft deze kosten op haar beurt bij [eiser] in rekening gebracht. Deze kosten bedragen € 24.227,04.

3.3.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] in haar vordering, althans deze vordering af te wijzen met veroordeling van [eiser] in de proceskosten, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

3.4.

[gedaagde] heeft het volgende aangevoerd.

De vordering is op grond van artikel 32 CMR-verdrag verjaard.

Subsidiair stelt [gedaagde] dat chauffeur [persoon 1] geen fout heeft gemaakt in de zin van artikel 6:170 BW en dat zij niet aansprakelijk is voor de schade. Daartoe voert [gedaagde] aan dat [persoon 1] op instructie van chauffeur [persoon 3] van [eiser] , de afzender van [gedaagde] , en van de operator [persoon 4] van de geadresseerde, Linde AG, de bodemafsluiter heeft geopend. Het op instructie van de afzender, dan wel van de ontvanger/geadresseerde openen van een bodemafsluiter is niet onrechtmatig. Het had op de weg van de afzender [eiser] dan wel de geadresseerde Linde AG gelegen om te controleren of deze afsluiter geopend kon worden en of de afblaaskraan dicht stond. Omdat [persoon 3] van [eiser] en operator [persoon 4] van Linde AG de regie hadden over de lossing, mocht chauffeur [persoon 1] er op vertrouwen dat hij de door hen gegeven instructie kon opvolgen.

Op grond van artikel 23 CMR-verdrag is de schade aan de vervoerde goederen beperkt tot de limiet en is verdere schadevergoeding niet verschuldigd. Dit betekent dat andere schade dan schade aan de vervoerde goederen op grond van het CMR-verdrag niet voor vergoeding in aanmerking komt.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

4.1.

Er is sprake van een internationaal geval, omdat het grensoverschrijdend vervoer betreft en het incident zich in Duitsland heeft voorgedaan terwijl partijen in Nederland gevestigd zijn.

4.2.

Tussen partijen is terecht niet in geschil dat deze rechtbank bevoegd is van de vordering van [eiser] kennis te nemen. Partijen zijn het er over eens dat het CMR-verdrag op het vervoer van de lading koolzuurgas van toepassing is. [eiser] grondt haar vordering echter niet op de CMR of op grensoverschrijdend vervoer maar op aansprakelijkheid van [gedaagde] als werkgever wegens een gestelde fout van chauffeur [persoon 1] als haar ondergeschikte in de zin van artikel 6:170 BW. [gedaagde] is in Rotterdam gevestigd zodat deze rechtbank rechtsmacht toekomt.

4.3.

Het toepasselijk recht wordt bepaald aan de hand van de Verordening (EG) nr. 864/2007 inzake het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II)..

4.4.

Het gaat in deze zaak om een vordering tot vergoeding van schade op grond van een gestelde onrechtmatige daad die bij het lossen van de lading is ontstaan aan andere dan de vervoerde goederen. [eiser] vordert immers vergoeding van schade vanwege de door de geadresseerde Linde AG aan [eiser] doorbelaste schoonmaakkosten van de terminal waarover het koolzuurgas was uitgestroomd en niet van schade aan de door [gedaagde] vervoerde lading koolzuurgas.

De CMR voorziet niet in een uitputtende regeling voor de aansprakelijkheid van de vervoerder. Artikel 17 CMR regelt uitsluitend de aansprakelijkheid van de vervoerder voor verlies van of schade aan door hem vervoerde zaken, alsmede voor vertraging in de aflevering. Voor andere schade dan deze kan de vervoerder aansprakelijk zijn op grond van het toepasselijke nationale recht (HR 18 december 2015 ECLI:NL:HR:2015:3624 Schenker/ Transfennica; vgl. met betrekking tot schade aan andere dan de vervoerde zaken HR 15 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1333 Cargofoor/RTT).

4.5.

Beide partijen stellen dat op de gestelde onrechtmatige daad (op grond van artikel 4 lid 2 Rome II) Nederlands recht van toepassing is. Partijen hebben hun stellingen gebaseerd op (bepalingen uit het) Nederlands recht. Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank uit van een processuele rechtskeuze van partijen en zal de rechtbank Nederlands recht toepassen.

4.6.

Als meest verstrekkend verweer heeft [gedaagde] een beroep gedaan op verjaring op grond van artikel 32 CMR. De vraag of de vordering is verjaard laat de rechtbank in het midden omdat de rechtbank tot de conclusie komt dat [gedaagde] niet aansprakelijk is als werkgever voor het betreffende handelen van [persoon 1] . Daartoe wordt als volgt overwogen.

fout in de zin van artikel 6:170 BW?

4.7.

Artikel 6:170 lid 1 BW luidt als volgt:

Voor schade aan een derde toegebracht door een fout van een ondergeschikte, is degene in wiens dienst de ondergeschikte zijn taak vervult aansprakelijk, indien de kans op een fout door de opdracht tot het verrichten van deze taak is vergroot en degene in wiens dienst hij stond, uit hoofde van hun desbetreffende rechtsbetrekking zeggenschap had over de gedragingen waarin de fout was gelegen.

4.8.

Met het onder 3.4 weergegeven subsidiaire verweer heeft [gedaagde] onder meer aangevoerd dat zij ten tijde van het ongeval geen zeggenschap had over de gedragingen van chauffeur [persoon 1] en dat hij toen handelde onder de regie van (onder anderen) de daartoe opgeleide chauffeur [persoon 3] van [eiser] . Dit verweer slaagt. Daartoe wordt als volgt overwogen.

4.9.

Partijen zijn het er over eens dat de tank met koolzuurgas is leeggelopen omdat op het moment van het openen van de bodemafsluiter de afblaaskraan nog open stond. Tussen partijen is ook niet in geschil dat [persoon 1] de bodemafsluiter van de tankwagen heeft geopend terwijl de afblaaskraan niet dicht stond. Aan de door [persoon 4] (operator van de lossingsinstallatie bij Linde AG) en [persoon 3] (chauffeur van [eiser] ) tijdens het voorlopig getuigenverhoor afgelegde verklaringen ontleent de rechtbank het volgende:

[persoon 4] :

“(…) Toen de slang was aangesloten heb ik de chauffeur gezegd dat ik zou beginnen met het spoelen van de slang. Het gaat overigens over twee slangen. Dat gaat als volgt: vanaf de installatie wordt koolzuur in de slangen geblazen. Er wordt daarna een afsluitventiel geopend. Dat heeft als gevolg dat de slang wordt gereinigd van eventuele verontreinigingen. Dat is zo gebeurd. Toen heb ik de instructie gegeven om de bodemklep te openen, zodat het koolzuur dat zich in de vrachtwagen bevond in de installatie kon worden gebracht.

[persoon 1] heeft toen de bodemklep geopend (althans meen ik mij te herinneren dat hij dat deed) en toen gebeurde het ongeval. In de buurt van de hoofdaansluiting ontsnapte koolzuur. Ik heb gezien dat [persoon 3] en [persoon 1] toen geprobeerd hebben om de bodemklep te sluiten. Dat is niet gelukt. (…)”

[persoon 3] :

(…) Ik heb [persoon 1] geholpen bij het monteren van de slang. [persoon 1] is maar een klein mannetje, en die slang is veel te zwaar om het alleen te doen. Ik heb de slang ondersteund en [persoon 1] heeft de koppeling aangedraaid. U houdt mij voor dat [persoon 1] zojuist heeft verklaard dat het andersom is gegaan, namelijk dat hij slechts de slang heeft ondersteund en dat ik de koppeling heb aangedraaid. Het is lang geleden, maar volgens mij is het gegaan zoals ik het net zei. Ik ben vervolgens naar achteren gelopen, daar stond de heer [persoon 4] , hij was de operator, deze heeft druk gezet via een bypassleiding op de vloeistofslang. De bedoeling daarvan is dat het koolzuurgas vloeibaar blijft omdat als het vaste vorm aanneemt (en dat gebeurt onder een bepaalde druk) er een prop in de slang ontstaat er dan niet kan worden gelost. Het is niet om de slang te ontluchten. Het is wel nodig om te controleren op lekkages. Er lekte niets.

Er is ook een ontluchtingskraan. Die dient om de slang drukvrij te maken. Als er druk op de slang staat kun je hem niet ontkoppelen. U vraagt mij of het ook te maken kan hebben met het verwijderen van verontreinigingen. Volgens mij niet. Ik stond achter bij [persoon 4] . [persoon 4] zei: “Als alles goed vast zit mag de bodemklep open”. Ik zei tegen [persoon 1] : “Als alles goed vast zit mag de bodemklep open”. Alles zat goed vast en [persoon 1] deed de bodemklep open en toen was het boem. Hoe dat kwam kon ik niet zien. Het ging zo snel. Door de damp zie je al meteen niets meer. (…)”

4.10.

Uit voormelde verklaringen blijkt dat [persoon 1] de bodemafsluiter op instructie van operator [persoon 4] en chauffeur [persoon 3] heeft geopend. [persoon 4] heeft tijdens het voorlopig getuigenverhoor verklaard dat hij de leiding had over het lossingsproces, met dien verstande dat zijn zeggenschap zich niet uitstrekte over de vrachtwagen. [persoon 3] , zo blijkt uit zijn verklaring, was een tot lossing van koolzuurgas bevoegde chauffeur van [eiser] .

4.11.

Uit het vorenstaande en deze verklaringen blijken de volgende afspraken tussen partijen. De afspraak tussen [eiser] en [gedaagde] was dat [persoon 1] alleen zou rijden, niet laden of lossen. De afspraak tussen [eiser] en [gedaagde] was voorts dat de chauffeur(s) van [eiser] voor het laden en lossen van de door [gedaagde] c.q. chauffeur [persoon 1] vervoerde partij koolzuurgas zouden zorg dragen. [gedaagde] heeft als werkgever van [persoon 1] dienovereenkomstig aan [persoon 1] duidelijke instructies gegeven dat hij geen lossingshandelingen zou verrichten. Dat deze instructies door [gedaagde] aan [persoon 1] zijn gegeven en aldus ook zijn begrepen door [persoon 1] blijkt uit de verklaring van [persoon 1] , zoals hiervoor onder 2.5 geciteerd. Dienovereenkomstig had(den) de chauffeur(s) van [eiser] de regie over de laad- en losmanipulaties .

4.12.

Onder deze omstandigheden kan niet geoordeeld worden dat [gedaagde] ter plaatse en ten tijde van de lossing in Ludwigshafen zeggenschap in de zin van artikel 6:170 BW had over [persoon 1] . Dat geldt in ieder geval in de relatie tussen [eiser] en [gedaagde]

4.13.

Conclusie is dat – daargelaten de vraag of [persoon 1] een fout heeft gemaakt - [gedaagde] daarvoor niet aansprakelijk is ingevolge artikel 6:170 BW wegens gebrek aan zeggenschap. Nu de vordering van [eiser] louter op die werkgeversaansprakelijkheid is gegrond, zal deze daarom worden afgewezen.

4.14.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 1.909,00

- verschotten (getuigentaxe) 252,00

- kosten voorlopig getuigenverhoor 579,00 (2 x 0,5 x tarief € 579,00)

- salaris advocaat 1.158,00 (2 punten × tarief € 579,00)

Totaal € 3.898,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen van [eiser] af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 3.898,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr C. Sikkel en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2016.

1573/1928