Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:3563

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-03-2016
Datum publicatie
12-05-2016
Zaaknummer
C/10/484035 / HA ZA 15-925
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroepsaansprakelijkheid advocaat voor advies algehele huuropschorting. Waarschuwingsplicht. Zorgplicht bij voeren van gerechtelijke procedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2016/302
Prg. 2016/177
mr. J.M. Winter-Bossink en mr. N. Amiel annotatie in UDH:TvHB/13534
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/484035 / HA ZA 15-925

Vonnis van 30 maart 2016

in de zaak van

1 [eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiseres],

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. G.A.H. Wiekamp te Hendrik-Ido-Ambacht,

tegen

[gedaagde] ,

wonende op een geheim adres, kantoorhoudende te Amsterdam,

advocaat mr. F. van Kersbergen te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 20 januari 2016

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 22 maart 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eisers] hebben vanaf maart 1999 van Woonvisie gehuurd de woning aan de [straat + huisnummer] te Ridderkerk tegen een huur van laatstelijk € 492,92 per maand. Zij bewoonden deze woning met hun gezin van zes personen. In verband met door [eisers] ervaren overlast en andere klachten over het woongenot hebben zij ingaande augustus 2012 de huurbetaling volledig opgeschort. Woonvisie heeft [eisers] op 27 maart 2013 gedagvaard voor de kantonrechter. Per 1 augustus 2013 bedroeg de huurachterstand met rente een bedrag van € 5.707,58. Bij vonnis van 22 november 2013 heeft de kantonrechter de huurovereenkomst ontbonden en [eisers] veroordeeld tot ontruiming. [gedaagde] heeft [eisers] als advocaat bijgestaan vanaf 21 mei 2012 en is als gemachtigde opgetreden in de procedure bij de kantonrechter. [gedaagde] heeft op 3 december 2013 aan [eisers] bericht dat hij hen in het vervolg niet langer bijstond als advocaat.

2.2.

[eisers] hebben zich vervolgens tot hun huidige advocaat, mr Wiekamp, gewend. De voorzieningenrechter heeft de vordering tot schorsing van de aangezegde ontruiming bij vonnis van 7 februari 2014 afgewezen. Op 11 februari 2014 is de woning door de deurwaarder ontruimd. Bij arrest van 26 mei 2015 heeft het gerechtshof het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd.

3 Het geschil en de beoordeling

3.1.

[eisers] stellen dat [gedaagde] een beroepsfout heeft gemaakt door a) te adviseren tot algehele huuropschorting, zonder te informeren over en te waarschuwen voor het risico dat de algehele huuropschorting tot ontbinding van de huurovereenkomst en daarmee tot ontruiming zou leiden; b) het heeft aan laten komen op een procedure bij de kantonrechter, waarin werd volhard bij de algehele huuropschorting, hoewel [eisers] bereid en in staat waren de huurachterstand te voldoen, waardoor [eisers] zijn blootgesteld aan het risico dat de huurovereenkomst werd ontbonden; c) in deze procedure heeft verzuimd een eis in reconventie in te stellen strekkende tot huurvermindering.

3.2.

[gedaagde] betwist dat hij heeft geadviseerd tot huuropschorting, dit was volgens hem een eigen initiatief van [eisers] , en voert aan dat [eisers] voldoende waren geïnformeerd en gewaarschuwd over de daaraan verbonden risico’s, hetgeen onder andere blijkt uit de e-mail van [eisers] van 26 juni 2013 en uit zijn eigen e-mail van 17 september 2013. [gedaagde] betwist niet, althans onvoldoende gemotiveerd, dat hij heeft nagelaten tijdig een eis in reconventie strekkende tot huurvermindering in te stellen maar voert aan dat gelet op de huurachterstand van meer dan een jaar hierdoor de ontbinding van de huurovereenkomst hoe dan ook niet te voorkomen was geweest.

3.3.

Bij de beoordeling van deze stellingen dient tot uitgangspunt dat een advocaat als beroepsbeoefenaar de zorgvuldigheid dient te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Voor zover het daarbij gaat om de wijze waarop [gedaagde] als advocaat de procedure bij de kantonrechter heeft gevoerd, brengt deze zorgvuldigheidsplicht mee dat [gedaagde] zijn cliënten [eisers] daarbij niet onnodig mocht blootstellen aan voorzienbare en vermijdbare risico’s. Voor zover het gaat om advisering in het kader van een door [eisers] te nemen beslissing over in dit geval de huuropschorting, brengt de hiervoor genoemde zorgvuldigheidsplicht mee dat [gedaagde] [eisers] in staat heeft gesteld goed geïnformeerd te beslissen. Het antwoord op de vraag of en in welke mate [gedaagde] zijn cliënt [eisers] had behoren te informeren over en te waarschuwen voor het risico dat de algehele huuropschorting tot ontbinding van de huurovereenkomst en daarmee tot ontruiming zou leiden, is afhankelijk van de omstandigheden van dit geval. In dat kader kan onder meer betekenis toekomen aan de ernst en omvang van het desbetreffende risico, de mate van waarschijnlijkheid dat dit zich zal realiseren en de mate waarin de cliënt ervan heeft blijk gegeven zich reeds van dat risico bewust te zijn.

3.4.

De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] niet met de van hem als advocaat te vergen zorgvuldigheid heeft gehandeld door het – in de situatie dat bij [eisers] na de huuropschorting een aanzienlijke huurachterstand bestond - aan te laten komen op een procedure bij de kantonrechter waarin Woonvisie ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming vorderde en vervolgens in deze procedure namens [eisers] te volharden bij de algehele huuropschorting. Hierdoor heeft hij [eisers] blootgesteld aan het voorzienbare risico dat de huurovereenkomst op grond van de huurachterstand werd ontbonden. De omstandigheden dat [gedaagde] [eisers] heeft gewaarschuwd voor deze risico’s en dat [eisers] , bijvoorbeeld in de e-mail van 26 juni 2013, ervan hebben blijk gegeven zich het risico van ontbinding en ontruiming bewust te zijn, neemt deze onzorgvuldigheid niet weg. De ernst van het risico dat algehele opschorting van de huur met een hoge mate van waarschijnlijkheid tot ontbinding van de huurovereenkomst en tot gedwongen ontruiming zou leiden, brengt mee dat [gedaagde] niet alleen in een vroeg stadium, voorafgaande aan de huuropschorting maar in elk geval voordat Woonvisie de procedure bij de kantonrechter had aangespannen, duidelijk en op niet voor misverstand vatbare wijze voor dit risico had moeten waarschuwen maar ook - in geval [eisers] deze waarschuwing in de wind sloeg; [gedaagde] voert dit aan - nog eens schriftelijk op dit risico had moeten wijzen. Uit het verweer van [gedaagde] kan niet worden afgeleid dat hij aan deze waarschuwingsplicht heeft voldaan. Zijn e-mail van 17 september 2013 kan niet als een toereikende waarschuwing worden aangemerkt: Woonvisie had reeds op 27 maart 2013 de procedure bij de kantonrechter aanhangig gemaakt, op dat moment bestond een huurachterstand van ruim een jaar en [gedaagde] heeft in deze procedure namens [eisers] volhard bij de huuropschorting.

3.5.

[gedaagde] betwist dat tussen zijn beroepsfout en de schade van [eisers] (voor zover hier van belang bestaande in proceskosten, executiekosten en verhuiskosten) c.s.q.n.-verband bestaat: volgens hem waren [eisers] hoe dan ook niet bereid en in staat geweest de huur volledig te betalen. Hij heeft een en ander echter onvoldoende met bewijsstukken onderbouwd. Dat had wel op zijn weg gelegen, zeker nu hij in de procedure bij de kantonrechter namens [eisers] het standpunt heeft ingenomen dat zij de vanaf augustus 2012 onbetaald gelaten huur hadden gereserveerd en dat zij in staat waren de huurachterstand aan te zuiveren. [eisers] hebben op 13 januari 2014 ook daadwerkelijk de gehele huurachterstand met kosten en rente ten bedrage van € 7.432,80 in één som betaald (zie productie 19 bij dagvaarding, die door [gedaagde] niet gemotiveerd is betwist). Het c.s.q.n.-verband ontbreekt naar het oordeel van de rechtbank wel tussen het nalaten van [gedaagde] een eis in reconventie in te stellen strekkende tot huurvermindering en de schade. [eisers] hebben tegen de achtergrond van de ernst van het verzuim (een huurachterstand van ruim een jaar) onvoldoende onderbouwd dat het instellen van deze vordering ertoe had geleid dat de kantonrechter de huurovereenkomst niet zou hebben ontbonden en niet tot ontruiming zou hebben veroordeeld.

3.6.

Het beroep op eigen schuld van [eisers] slaagt deels. [eisers] waren - zij het onvoldoende indringend - gewaarschuwd voor de risico’s verbonden aan de algehele huuropschorting en waren ermee bekend dat deze opschorting tot ontbinding van de huur en gedwongen ontruiming kon leiden. [eisers] hebben hierdoor zelf bijgedragen aan het ontstaan van de schade. Een afweging van de ernst van de over en weer gemaakte fouten, rekening houdend met de omstandigheid dat op [gedaagde] als advocaat een zware zorgplicht rust, brengt mee dat de mate van eigen schuld van [eisers] wordt vastgesteld op 25%.

3.7.

De schade bestaande in de proceskosten en de executiekosten in verband met de door [gedaagde] onzorgvuldig gevoerde procedure bij de kantonrechter, het executiegeschil en het hoger beroep bedraagt in totaal € 6.229,30. De omvang van deze kosten blijkt uit de afrekening van deurwaarder Flanderijn Van Eck van (prod. 24), die door [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd is betwist. Van dit bedrag kan gelet op de mate van eigen schuld bij [eisers] een bedrag van € 4.671,98 is als schade aan de beroepsfout van [gedaagde] toerekenbaar. [eisers] heeft deze kosten in gedeelten aan de deurwaarder betaald. De wettelijke rente is toewijsbaar (telkens) vanaf de dag waarop [eisers] een gedeelte daarvan aan de deurwaarder heeft voldaan. De schade als gevolg van de verhuizing beloopt, gelet op de betwisting door [gedaagde] , een bedrag van € 3.500,- waarvan een gedeelte groot € 2.625,- aan de beroepsfout van [gedaagde] kan worden toegerekend, dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de ontruiming, 11 februari 2014. [eisers] heeft niet aangetoond dat de opslagkosten van € 188,34 in verband staan met de ontruiming van de woning. De hogere huur voor de nieuwe woning is niet als schadegevolg aan de fout van [gedaagde] toe te rekenen: tegenover een hogere huur staat in beginsel ook een groter huurgenot, zeker waar het gaat om huur van sociale woonruimte van een woningbouwvereniging. [eisers] heeft voorts niet onderbouwd dat de gedwongen ontruiming heeft geleid tot psychisch leed dat in aanmerking komt voor schadevergoeding of dat anders aanspraak bestaat op smartengeld. Van de schade ten bedrage van in totaal € 9.729,30 is gelet op de mate van eigen schuld bij [eisers] een gedeelte groot € 7.296,98 toewijsbaar, met wettelijke rente als hiervoor omschreven.

3.8.

[gedaagde] wordt aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij. Hij zal worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [eisers] , begroot op € 78,- aan griffierecht, € 94,19 aan exploitkosten en € 768,- aan salaris advocaat (2 pt tarief I), waarbij het liquidatietarief gelet op het aan schadevergoeding uiteindelijk toewijsbare bedrag is gematigd.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eisers] van een schadevergoeding van € 7.296,98, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 2.625,- vanaf 11 februari 2014 en over een bedrag van € 4.671,98 telkens vanaf de dag waarop een gedeelte dit bedrag door [eisers] aan de deurwaarder is betaald,

4.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten aan de zijde van [eisers] , tot aan deze uitspraak begroot op € 78,- aan griffierecht, € 94,19 aan exploitkosten en € 768,- aan salaris advocaat,

4.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. van den Bergh en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2016.

2504/1729