Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:3399

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-05-2016
Datum publicatie
04-05-2016
Zaaknummer
10/996599-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Babymelkpoederfraude

Veroordeling voor het plegen van fraude met babymelkproducten. Verdachten kochten op grote schaal blikken N-1 melkpoeder in. Dit product bevat koemelkeiwit (lactose). Vervolgens vervingen zij de etiketten op deze blikken met vervalste etiketten van het –aanmerkelijk duurdere- P-2, een babymelkpoederproduct dat speciaal bestemd is voor baby’s met lactose-allergie. Deze aldus “omgekatte” blikken N-1 werden verkocht als ware het blikken P-2. Verdachten wisten dat P-2 specifiek bestemd was voor baby’s met een lactose-allergie. Dat is op het P-2 etiket namelijk duidelijk en helder aangegeven. Indien deze baby’s dan toch een lactose product tot zich nemen, te weten het “omgekatte” blik N-1, dan zullen zij daardoor een allergische reactie krijgen. Dat is schadelijk voor hun gezondheid. De rechtbank heeft overwogen dat de verdachten hiermee het bepaalde in artikel 174 Sr hebben overtreden. Kort gezegd hebben zij waren verkocht, wetende dat die voor de gezondheid schadelijk zijn, terwijl die schadelijkheid door hen werd verzwegen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 174
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JW 2016/27
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/996599-15

Datum uitspraak: 4 mei 2016

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres]

raadsman mr. K. Durdu, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 april 2016.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de vordering nadere omschrijving tenlastelegging, waarbij de oorspronkelijke opgave van de feiten als bedoeld in artikel 261, derde lid van het Wetboek van Strafvordering op vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de nader omschreven tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. R. Ahling heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1, 2 primair en 3 tenlastegelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Standpunt verdediging

Door de verdediging is het verweer gevoerd dat niet bewezen kan worden dat het gaat om schadelijke waren in de zin van artikel 174 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), nu de schadelijkheid van de melkpoeder voor het leven of de gezondheid niet is komen vast te staan. Bovendien zou verdachte geen wetenschap hebben gehad van het eventuele schadelijke karakter van de babymelkpoeder. De rechtbank oordeelt hierover als volgt.

4.2.

Beoordeling

Schadelijke waar in de zin van artikel 174 Sr

Artikel 174 Sr stelt strafbaar het verkopen, te koop aanbieden, afleveren of uitdelen van waren, wetende dat die waren voor het leven of de gezondheid schadelijk zijn, terwijl die schadelijkheid wordt verzwegen.

Onder waren worden verstaan ‘handelswaren’. Dat daarvan in dit geval sprake is, staat niet ter discussie. De door verdachte en zijn medeverdachte aangeboden en verkochte [merk 1] -blikken babymelkpoeder met daarop geplakte (valse) etiketten van [merk 2] hadden immers een bepaalde gebruiksbestemming, namelijk als voeding voor baby’s vanaf 6 maanden met een koemelkallergie.

De rechtbank dient vast te stellen of de aangeboden babymelkpoeder gevaarlijk is voor het leven of de gezondheid van mogelijke kopers. Bij het delictsbestanddeel ‘schadelijk voor het leven of de gezondheid’, dient het schadelijke karakter voort te vloeien uit elk gebruik waarmee de verkoper redelijkerwijs rekening dient te houden.1 Voor vaststelling van het schadelijke karakter is niet vereist dat de schade optreedt bij ieder (normaal) gebruik door elke mogelijke consument. Voldoende is dat vastgesteld wordt dat schade kan optreden als gevolg van gebruik waarmee redelijkerwijs rekening moet worden gehouden.2

In dit kader overweegt de rechtbank dat bij beantwoording van de vraag met welk gebruik redelijkerwijs rekening dient te worden gehouden, mede van belang is op welke doelgroep het gebruik is gericht. De wijze waarop verdachten de blikken melkpoeder op de markt hebben gepresenteerd speelt hierbij een belangrijke rol.

De verdachten hebben blikken babymelkpoeder met gewone koemelk ( [merk 1] ) voorzien van valse etiketten van [merk 2] en zodoende de babymelkpoeder gepresenteerd als babymelkpoeder geschikt voor baby’s met een koemelkallergie. Als gevolg hiervan dienden de verdachten redelijkerwijs (juist) rekening te houden met gebruik van de babymelkpoeder door baby’s (van 6 maanden en ouder) met koemelkallergie.

De volgende vraag die moet worden beantwoord is of met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat schadelijke gevolgen voor het leven of gezondheid kunnen optreden als gevolg van dit redelijkerwijs te verwachten gebruik. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en verwijst hiervoor naar het rapport van de Nederlandse Voedsel – en Warenautoriteit (NVWA) van 16 juli 2015, het rapport van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) van 24 november 2015 en het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) van 14 april 2016. Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van de analyse opgesteld door [merk 3] zelf.

In het rapport van de NVWA wordt ten aanzien van de risico’s door ‘omlabeling’ overwogen:

Door vervanging van de originele labels van blikken [merk 1] door (vervalste) labels van [merk 2] , ontstaan ernstige risico's voor de gezondheid van zuigelingen die [merk 2] (moeten) consumeren. Deze zuigelingen zijn sowieso een bijzonder kwetsbare groep vanwege hun allergie op koemelk. De doelgroep waarvoor het legitieme product [merk 2] bedoeld is, kan en zal allergische reacties vertonen op de koemelkeiwitten die zich in het product [merk 1] bevinden als onderdeel van de normale samenstelling, met als gevolg ernstige gezondheidsrisico's. De gezondheidsrisico's kunnen zijn onder andere, en variëren in ernst: eczeem en huidprobleem, darmproblemen zoals obstipatie, kramp of diarree, slecht eten, moeheid en vertraagde groei. Op deze basis is het omgelabelde product [merk 1] met een [merk 2] label zonder meer aan te merken als een schadelijk levensmiddel voor de gezondheid van de zuigelingen waarvoor [merk 2] eigenlijk bedoeld is. De schadelijkheid van dit vervalste product blijkt uit de definitie van schadelijke levensmiddel in artikel 14, 4e lid onder c van de Verordening (EG) 178/2002.

(…)

Conclusies

Uit bovenstaande opsomming van feiten is mij verbalisant [verbalisant] gebleken dat:

- de producten [merk 1] en [merk 2] levensmiddelen zijn in de zin van artikel 3 van de Verordening (EG) 178/2002;

- het product [merk 1] voorzien van valse labels van [merk 2] beschouwd moet worden als een schadelijke levensmiddel zoals gedefinieerd in artikel 14, 4e lid onder c van de Verordening (EG) 178/2002;

(…)’

In het rapport van het RIVM wordt de vraag beantwoord wat de gezondheidsrisico’s zijn indien zuigelingen met koemelkallergie [merk 1] consumeren. De conclusies luiden als volgt:

1) Kinderen met koemelkallergie zullen door inname van [merk 1] allergische klachten ontwikkelen, omdat de hoeveelheid eiwit die ze innemen relatief hoog is en de allergische klachten al bij een geringe hoeveelheid koemelk kunnen ontstaan.

2)De meest voorkomende klachten die optreden zijn mild en betreffen huidklachten. Daarnaast kunnen ook ernstigere klachten ontstaan zoals darmklachten en/of luchtwegklachten. Een anafylactische shock, een potentieel levensbedreigende allergische reactie, komt incidenteel voor bij baby's met koemelkallergie, en valt daarom niet uit te sluiten.

3)De voedingskundige risico's bij gebruik van [merk 1] in plaats van [merk 2] zijn klein. Het is niet uitgesloten dat baby's een hogere energie-inname krijgen door gebruik van [merk 1] in plaats van [merk 2] , dit kan bij langdurig gebruik leiden tot ongewenste toename van het lichaamsgewicht.

De analyse van [merk 3] is in het Engels opgesteld door [medewerker] , (MD, PhD), de ‘Chief Scientific Officer at [merk 3] R&D Early Life and Prof Early Life Nutrition at Emma Children’s Hospital AMC Amsterdam’ bevat onder meer de volgende vaststelling:

In the view of [merk 3] Research, there is a potential serious health risk for 6-12 months old infants with confirmed cow's milk protein allergy to consume [merk 1] 1. The main reason is the presence of considerable amounts of intact cow's milk protein in [merk 1] 1, that provide a serious risk of (severe) allergic reactions in infants with cow's milk protein allergy.

In het rapport van het NFI wordt de vraag beantwoord wat de mogelijke medische gevolgen zijn wanneer een kind dat overgevoelig of allergisch is voor koemelk normale babymelkpoederproducten krijgt toegediend als [merk 1] , in plaats van koemelkallergie-aangepaste babymelkpoederproducten als [merk 2] . De onderzoeker van het NFI (forensisch arts) onderschrijft de mogelijke medische gevolgen zoals deze naar voren komen in bovengenoemde rapporten vanuit zijn algemene forensische medische kennis. Uit literatuuronderzoek zou blijken dat in Nederland wordt uitgegaan van 2-3% koemelkallergie voor kinderen tot 1 jaar. In het rapport komt verder naar voren dat de klachten bij koemelkallergie aanzienlijk kunnen verschillen tussen zuigelingen. Hierover wordt overwogen:

De symptomen zijn in vier categorieën in te delen:

• verschijnselen van het maagdarmkanaal (braken, diarree, darmkrampen, mogelijk obstipatie);

• verschijnselen van de huid (urticaria [galbulten], vluchtig exantheem [huidslag], oedeem, mogelijk constitutioneel eczeem);

• verschijnselen van de luchtwegen (astma, allergische conjunctivitis [oog, bindvliesontsteking], allergische rinitis [neus slijmsvliesontsteking);

• algemene verschijnselen (ontroostbaar huilen, onrustig gedrag, groeivertraging,

voedselweigering, anafylaxie).’

De verschijnselen zijn, al dan niet met medisch ingrijpen, van voorbijgaande aard. Bij herhaalde blootstelling kunnen de klachten in ernst toenemen (bijvoorbeeld tot ernstige luchtwegklachten met ernstig algeheel zuurstoftekort). Hieraan kan op basis van een internationale review, betreffende meerdere decaden, het volgende worden toegevoegd.

De meerderheid van deze kinderen heeft 2 of meer verschijnselen van 2 of meer orgaansystemen. Circa 50-70% heeft verschijnselen van de huid (zwellingen, jeuk, eczeem), 50-60% van het maagdarmstelsel (misselijk, pijn, braken, diarree) en 20-30% van de

luchtwegen (piepende ademhaling, kortademigheid).

(…)

Een ernstig, potentieel fataal, mogelijk gevolg van koemelkallergie betreft de anafylactische reactie (shock). (…) Dit zou bij circa 1% van de kinderen met koemelkallergie kunnen voorkomen.

(…)

Voorts kunnen ernstige bloedrukdaling, en toegenomen doorlaatbaarheid van bloedvatwanden met algehele zwellingen en vochtophopingen optreden (waaronder op vitale plaatsen zoals bij de stembanden). Ernstige reacties doen zich met name bij oudere kinderen voor (ouder dan 7 jaar).

Uit deze rapporten kan worden geconcludeerd dat schadelijke gevolgen voor het leven of gezondheid van koemelkallergene baby’s kunnen optreden als gevolg van het drinken van [merk 1] . De schadelijke gevolgen kunnen weliswaar variëren in ernst en de kans op een anafylactische shock is gering, maar dat het geven van [merk 1] schadelijke gevolgen zal hebben voor de gezondheid van deze baby’s in de vorm van (een) allergische reactie(s) en dat deze reactie(s) bij herhaaldelijk gebruik ernstiger zullen worden, staat vast.

Opzet

Tot slot is door de verdediging aangevoerd dat de verdachte geen wetenschap had van de mogelijke schadelijke gevolgen van [merk 1] voor baby’s met koemelkallergie en dat van opzet geen sprake was. Dit verweer wordt verworpen. Het handelen van verdachte en zijn medeverdachte is nu juist gericht geweest op het verkopen van [merk 1] als het (duurdere) [merk 2] , dat bestemd is voor kinderen met koemelkallergie, door blikken van de eerste te ontdoen van hun etiket en daarop een vals etiket [merk 2] te plakken. Op de etiketten van [merk 2] staat op de voorkant duidelijk aangegeven ‘Dieetvoeding bij koemelkallergie’. Verder is op meerdere plekken op het etiket aangegeven dat het om dieetvoeding voor medisch gebruik gaat en onder het kopje ‘Belangrijk’ staat op het etiket dat [merk 2] alleen onder medisch toezicht moet worden gebruikt en dat het wordt voorgeschreven door een consultatiebureau of arts. [Vrouw verdachte] (de vrouw van de verdachte) verklaarde bij de politie dat de verdachte deze blikken voor € 34, - verkocht omdat ze voor koemelkallergie waren. Gelet op het voorgaande was de opzet van de verdachte en zijn medeverdachte juist gericht op het verkopen van [merk 1] als [merk 2] en had verdachte wetenschap van het feit dat [merk 2] speciaal bestemd was voor baby’s met een koemelkallergie, terwijl [merk 1] dat niet was. De rechtbank overweegt hierbij dat het een feit van algemene bekendheid is dat het toedienen van een bepaalde stof aan iemand die daarvoor allergisch is, leidt tot een allergische en dus voor de gezondheid van die persoon schadelijke reactie. Verdachte en zijn medeverdachte hebben dat schadelijke karakter opzettelijk verzwegen door de originele etiketten te verwijderen en daarvoor in de plaats valse etiketten op de blikken te plakken.

Conclusie

Uit het voorgaande volgt dat verdachte en zijn medeverdachte zich schuldig hebben gemaakt aan de verkoop van waar die schadelijk is voor de gezondheid, waarbij zij dat schadelijke karakter hebben verzwegen.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij,

op tijdstippen gelegen

in de periode van 13 mei 2015 tot en met 18 juni 2015,

te Rotterdam, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander meermalen, een groot aantal in elk geval 175 blikken babymelkpoeder van het type [merk 1]

, voorzien van etiketten van babymelkpoeder van het type

[merk 2] , heeft verkocht en te koop

aangeboden en afgeleverd,

terwijl hij, en zijn mededader wisten dat het

babymelkpoeder van het type [merk 1] , aldus aangeboden als [merk 2] voor de gezondheid

schadelijk is en dat schadelijk karakter heeft verzwegen.

2.

hij,

op tijdstippen gelegen

in de periode van 29 april 2015 tot en met 5 juni 2015,

te Rotterdam en/of Alblasserdam, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander, meermalen, telkens

geschriften, te weten

2050, etiketten van

het babymelkpoeder van het type [merk 2] , waaronder,

- een etiket van het babymelkpoeder van het type [merk 2] (DOC -182, p.1214

en/of DOC-680, p.1704)

en- een etiket van het babymelkpoeder van het type [merk 2] (DOC-183, p.1215

en/of DOC-680, p1704)

en- een etiket van het babymelkpoeder van het type [merk 2] (DOC-184, p.1216

en/of DOC-680, p.1704)

en- een etiket van het babymelkpoeder van het type [merk 2] (DOC-185, p.1217

en/of DOC-680, p.1704)

en- een etiket van het babymelkpoeder van het type [merk 2] (DOC-186, p.1218

en/of DOC-680, p.1704)

en- een etiket van het babymelkpoeder van het type [merk 2] (DOC-187, p.1219

en/of DOC-680, p.l704)

en- een etiket van het babymelkpoeder van het type [merk 2] (DOC-188, p.1220

en/of DOC-680, p.1704)

en- een etiket van het babymelkpoeder van het type [merk 2] (DOC-193, p.1222

en/of DOC-680, p.1704)

en- een etiket van het babymelkpoeder van het type [merk 2] (DOC-194, p.1223

en/of DOC-680, p.1704),

elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van

enig feit te dienen,

telkens

valselijk heeft doen opmaken

immers hebben voornoemde verdachte en zijn mededader

(telkens) valselijk — immers opzettelijk in strijd met de waarheid —

2050, , van bovengenoemde

etiketten laten drukken door [drukkerij]

als zijnde (telkens) originele etiketten van het

babymelkpoeder van het type [merk 2] ,

zulks (telkens) met het oogmerk om die geschriften als echt en

onvervalst te gebruiken;

EN

hij,

op tijdstippen gelegen

in de periode van 29 april 2015 tot en met 30 juni 2015,

te Rotterdam en/of Alblasserdam, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander,

meermalen,

(telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van

2050, valse etiketten van het babymelkpoeder van het type [merk 2] , waaronder,

- een vals etiket van het babymelkpoeder van het type [merk 2]

(DOC -182, p.1214 en/of DOC-680, p.1704)

en- een vals etiket van het babymelkpoeder van het type [merk 2]

(DOC-183, p.1215 en/of DOC-680, p.1704)

en- een vals etiket van het babymelkpoeder van het type [merk 2]

(DOC-184, p.1216 en/of DOC-680, p.1704)

en- een vals etiket van het babymelkpoeder van het type [merk 2]

(DOC-185, p.1217 en/of DOC-680, p.1704)

en- een vals etiket van het babymelkpoeder van het type [merk 2]

(DOC-186, p.1218 en/of DOC-680, p1704)

en

- een vals etiket van het babymelkpoeder van het type [merk 2]

(DOC-187, p.l219 en/of DOC-680, p.1704)

en- een vals etiket van het babymelkpoeder van het type [merk 2]

(DOC-188, p1220 en/of DOC-680, p.1704)

en- een vals etiket van het babymelkpoeder van het type [merk 2]

(DOC-193, p.1222 en/of DOC-680, p.1704)

en

- een vals etiket van het babymelkpoeder van het type [merk 2]

(DOC-194, p.1223 en/of DOC-680, p.1704),

elk zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit

te dienen,

bestaande dat gebruik maken hierin dat hij, verdachte, en zijn

mededader voornoemde valse etiketten van het

type [merk 2] op een groot aantal (2050, in elk geval 175), blikken babymelkpoeder van het

type [merk 1] , heeft geplakt en deze blikken vervolgens als zijnde [merk 2] heeft te koop aangeboden

en/of verkocht en/of afgeleverd,

bestaande die valsheid) van voormelde

geschriften telkens hierin

- zakelijk weergegeven –

dat die etiketten geen origineel zijn maar fotokopieën betreffen,

terwijl hij en zijn mededader wisten dat deze geschriften bestemd zijn voor gebruik, als ware deze echt en

onvervalst.

3.

hij,

op tijdstippen gelegen

in de periode van 13 mei 2015 tot en met 18 juni 2015,

te Rotterdam, in elk geval in Nederland

tezamen en in vereniging met een ander,

meermalen, telkens met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen

door één listige kunstgreep,

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en de heer [slachtoffer 4]

telkens hebben bewogen tot afgiften van geldbedragen,

hebbende hij, verdachte, en zijn mededader(telkens met vorenomschreven oogmerk -

zakelijk weergegeven - listiglijk en bedrieglijk ,

een groot aantal verpakkingen inhoudende

babymelkpoeder van het type [merk 1] van valse etiketten van babymelkpoeder van het type [merk 2] voorzien envervolgens als ware het [merk 2] verkocht aan en/of afgeleverd bij en/of gestuurd naar die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of de heer [slachtoffer 4]

waardoor telkens de voornoemde (rechts) perso(o)n(en), werd/werden bewogen tot bovenomschreven afgiften.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

Feit 1.

Medeplegen van waren verkopen, te koop aanbieden of afleveren, wetende dat zij voor de gezondheid schadelijk zijn en dat schadelijk karakter verzwijgende, meermalen gepleegd;

Feit 2.

Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

en

Medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst;

Feit 3.

Medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straffen zijn gebaseerd

De verdachte heeft zich, samen met zijn medeverdachte, schuldig gemaakt aan het op grote schaal omkatten van blikken babymelkpoeder. De verdachte heeft samen met anderen een grote hoeveelheid blikken ingekocht, hier de originele etiketten van afgehaald en vervolgens hierop etiketten van een duurdere variant geplakt, die speciaal bestemd zijn voor baby’s met een koemelkallergie. De verdachte heeft welbewust een product op de markt gebracht, speciaal voor een kwetsbare doelgroep, te weten baby’s met een allergie voor koemelk, terwijl het voor die doelgroep schadelijk was. Zo heeft verdachte meerdere personen opgelicht door hen de omgelabelde blikken te verkopen, zonder de kopers voor het mogelijke gevaar te waarschuwen. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij daarmee opzettelijk de gezondheid van die kwetsbare groep baby’s in gevaar heeft gebracht.

De verdachte heeft kennelijk alleen oog gehad voor zijn eigen financiële gewin en het belang van de gezondheid van deze baby’s genegeerd.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 29 januari 2016, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals deze ter terechtzitting naar voren zijn gebracht.

Deze omstandigheden brengen de rechtbank ertoe een mildere straf op te leggen dan door de officier van justitie is geëist.

8 In beslag genomen voorwerpen

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de onder 1, 4, 5 en 6 in beslag genomen goederen te terug te geven aan de rechtmatige eigenaar, te weten [merk 3] .

Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd de onder 2 en 3 in beslag genomen goederen te onttrekken aan het verkeer.

8.2.

Beoordeling

De onder 2 en 3 in beslag genomen goederen zullen worden onttrokken aan het verkeer.

Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet. De bewezen feiten zijn met betrekking tot voornoemde voorwerpen begaan.

Ten aanzien van de onder 1, 4, 5 en 6 in beslag genomen goederen zal een last worden gegeven tot teruggave aan een ander zijnde degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, te weten [merk 3] .

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 22c, 22d, 36b, 47, 57, 174, 225, 326 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden,

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 5 (vijf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 (twee) jaar, zich schuldig maakt aan een strafbaar feit;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 170 (honderdzeventig) uren te verrichten taakstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 85 (vijfentachtig) dagen;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:

- verklaart onttrokken aan het verkeer:

2. 137 STK Voedingsmiddel

3. 3 STK Sticker

- gelast de teruggave aan de rechthebbende, te weten [merk 3] , van:

1. 32 STK Voedingsmiddel

4. 17 STK Documentenmap

5. 7 STK Sticker

6. 1 STK Computer usb stick

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. F.W. van Lottum, voorzitter,

en mrs. J. Snitker en M.M. Koevoets, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.E.G. Busemeijer genaamd Lagemann, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 mei 2016.

Bijlage I

Tekst nader omschreven tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij,

op één of meer tijdstip(pen) gelegen

in of omstreeks de periode van 1 april 2015 tot en met 30 juni 2015,

te Rotterdam, in elk geval (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens)

een groot aantal (in elk geval 175), in elk geval één of meer,

verpakking(en) en/of blik(ken) babymelkpoeder van het type [merk 1]

, voorzien van (een) etiket(ten) van babymelkpoeder van het type

[merk 2] , in elk geval enige waren, heeft verkocht en/of te koop

aangeboden en/of afgeleverd en/of uitgedeeld,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat het

babymelkpoeder van het type [merk 1] , in elk geval deze waren,

aldus aangeboden als [merk 2] voor het leven of de gezondheid

schadelijk is/zijn en/of dat schadelijk karakter heeft verzwegen;

artikel 174 lid 1 Wetboek van Strafrecht

artikel 47 lid 1 ahf sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij,

op één of meer tijdstip(pen) gelegen

in of omstreeks de periode van 29 april 2015 tot en met 5 juni 2015,

te Rotterdam en/of Alblasserdam, in elk geval (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens)

één of meer geschrift(en), te weten

een groot aantal (2050, in elk geval 175), in elk geval één of meer, etiket(ten) van

(telkens) het babymelkpoeder van het type [merk 2] , waaronder,

althans in elk geval,

- een etiket van het babymelkpoeder van het type [merk 2] (DOC -182, p.1214

en/of DOC-680, p.1704)

en/of

- een etiket van het babymelkpoeder van het type [merk 2] (DOC-183, p.1215

en/of DOC-680, p1704)

en/of

- een etiket van het babymelkpoeder van het type [merk 2] (DOC-184, p.1216

en/of DOC-680, p.1704)

en/of

- een etiket van het babymelkpoeder van het type [merk 2] (DOC-185, p.1217

en/of DOC-680, p.1704)

en/of

- een etiket van het babymelkpoeder van het type [merk 2] (DOC-186, p.1218

en/of DOC-680, p.1704)

en/of

- een etiket van het babymelkpoeder van het type [merk 2] (DOC-187, p.1219

en/of DOC-680, p.l704)

en/of

- een etiket van het babymelkpoeder van het type [merk 2] (DOC-188, p.1220

en/of DOC-680, p.1704)

en/of

- een etiket van het babymelkpoeder van het type [merk 2] (DOC-193, p.1222

en/of DOC-680, p.1704)

en/of

- een etiket van het babymelkpoeder van het type [merk 2] (DOC-194, p.1223

en/of DOC-680, p.1704),

(elk) zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van

enig feit te dienen,

(telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst en/althans

valselijk heeft doen opmaken en/of doen vervalsen door een ander(en),

immers heeft/hebben voornoemde verdachte en/of zijn mededader(s)

(telkens) valselijk — immers opzettelijk in strijd met de waarheid —

een groot aantal (2050, in elk geval 175), in elk geval één of meer, van bovengenoemd(e)

etiket(ten) laten drukken door ((een) medewerker(s) van) [drukkerij]

als zijnde (telkens) (een) origine(e)l(e) etiket(ten) van het

babymelkpoeder van het type [merk 2] ,

zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en

onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken;

artikel 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

artikel 47 lid 1 ahf sub 1 Wetboek van Strafrecht

EN/OF

hij,

op één of meer tijdstip(pen) gelegen

in of omstreeks de periode van 29 april 2015 tot en met 30 juni 2015,

te Rotterdam en/of Alblasserdam, in elk geval (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van

een groot aantal (2050, in elk geval 175), in elk geval één of meet, vals(e) en/of vervalst(e)

etiket(ten) van (telkens) het babymelkpoeder van het type [merk 2] , waaronder,

althans in elk geval,

- een vals en/of vervalst etiket van het babymelkpoeder van het type [merk 2]

(DOC -182, p.1214 en/of DOC-680, p.1704)

en/of

- een vals en/of vervalst etiket van het babymelkpoeder van het type [merk 2]

(DOC-183, p.1215 en/of DOC-680, p.1704)

en/of

- een vals en/of vervalst etiket van het babymelkpoeder van het type [merk 2]

(DOC-184, p.1216 en/of DOC-680, p.1704)

en/of

- een vals en/of vervalst etiket van het babymelkpoeder van het type [merk 2]

(DOC-185, p.1217 en/of DOC-680, p.1704)

en/of

- een vals en/of vervalst etiket van het babymelkpoeder van het type [merk 2]

(DOC-186, p.1218 en/of DOC-680, p1704)

en/of

- een vals en/of vervalst etiket van het babymelkpoeder van het type [merk 2]

(DOC-187, p.l219 en/of DOC-680, p.1704)

en/of

- een vals en/of vervalst etiket van het babymelkpoeder van het type [merk 2]

(DOC-188, p1220 en/of DOC-680, p.1704)

en/of

- een vals en/of vervalst etiket van het babymelkpoeder van het type [merk 2]

(DOC-193, p.1222 en/of DOC-680, p.1704)

en/of

- een vals en/of vervalst etiket van het babymelkpoeder van het type [merk 2]

(DOC-194, p.1223 en/of DOC-680, p.1704),

(elk) zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd is/zijn om tot bewijs van enig feit

te dienen,

bestaande dat gebruik maken hierin dat hij, verdachte, en/of zijn

mededader(s) voornoemd(e) valse en/of vervalste etiket(ten) van het

type [merk 2] op een groot aantal (2050, in elk geval 175), in elk

geval één of meer, verpakking(en) en/of blik(ken) babymelkpoeder van het

type [merk 1] , heeft geplakt en/of deze verpakking(en) en/of

blik(ken) vervolgens als zijnde [merk 2] heeft te koop aangeboden

en/of verkocht en/of afgeleverd,

althans heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) voornoemd(e) valse

en/of vervalste etiket(ten) van het type [merk 2] (telkens)

opzettelijk voorhanden gehad

en/of

bestaande die valshe(i)d(en) en/of vervalsing(en) in/van één of meer van voormelde

geschrift(en) (telkens) hierin

- zakelijk weergegeven –

dat dat/die etiket(ten) geen origineel is/zijn maar een fotokopie betreft/betreffen,

terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) en/althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden

dat dit/deze geschrift/geschriften bestemd is/zijn voor gebruik, als ware(n) dit/deze echt en

onvervalst;

artikel 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht

artikel 47 lid 1 ahf sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij,

op één of meer tijdstip(pen) gelegen

in of omstreeks de periode van 1 april 2015 tot en met 30 juni 2015,

te Rotterdam, in elk geval (elders) in Nederland

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door één of

meer listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 5] . en/of [slachtoffer 3] en/of de heer [slachtoffer 4]

en/of andere (rechts)perso(o)n(en), in elk geval één of meer (rechts)perso(o)n(en),

(telkens) heeft/hebben bewogen tot afgifte(n) van (een) geldbedrag(en),

hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) met vorenomschreven oogmerk -

zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de

waarheid,

een groot aantal (in elk geval 34), in elk geval één of meer, verpakking(en) inhoudende

babymelkpoeder van het type [merk 1] van (een) vals(e) en/of vervalst(e) etiket(ten) van babymelkpoeder van het type [merk 2] voorzien en/of (vervolgens) als ware het [merk 2] verkocht aan en/of afgeleverd bij en/of gestuurd naar die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 3] en/of de heer [slachtoffer 4] en/of (een) andere (rechts)perso(o)n(en), in elk geval één of meer (rechts)perso(o)n(en),

waardoor (telkens) de voornoemde (rechts) perso(o)n(en), in elk geval één of meer

(rechts) persof o)n(en), werd/werden bewogen tot bovenomschreven afgifte(n);

artikel 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht

artikel 47 lid 1 ahf sub 1 Wetboek van Strafrecht

1 HR 18 maart 2003, NJ 2003, 623.

2 Overweging van het Gerechtshof te Amsterdam van 25 juli 2000 in HR 18 maart 2003, NJ 2003, 623.